’t Is niet zoo gemakkelijk te verklaren hoe het kwam, dat de
zeventiende Augustus, de verjaardag van Luitenant Lagerlöf, zoo’n
groote dag werd, als hij eindelijk was. Maar men moet bedenken, dat als
er zooveel begaafde menschen op een plaats als Ooster Ämtervik bij
elkaar waren, het immers noodig was, dat ze ten minste eens in ’t jaar
konden toonen wat ze konden.
Als er b.v. drie sprekers waren als ingenieur Noreen op Herrestad en de
man van den rijksdag Nils Andersson van Bävik en koopman Theodoor
Nilsson op Visteberg, van wie de eerste aanleg had in de pathetische,
en de tweede in de ernstige en de derde in de poëtische richting, dan
zou het toch heel jammer zijn, als ze nooit anders zouden optreden dan
op kleine feestjes en gemeentevergaderingen.
En als er een dichter was als de koster Melanoz! Hij hoorde elken dag
hoe de kleine kinders spelden en stotterden en zich met moeite door het
doolhof van de Zweedsche taal heenwerkten. Hij had behoefte om ten
minste eens in het jaar die arme mishandelde taal in hooggestemde
huldezangen uit te laten klinken.
En als er in de gemeente een kwartet was, bestaande uit zangers als
Gustaaf en Jan Asker, uit het oude speelmansgeslacht en de twee
gebroeders Alfred en Tage Schullström, die hun winkel bij de kerk
hadden! Wel waren de menschen er hun heel dankbaar voor, zoo dikwijls
zij zich lieten hooren, maar voor hen zelf was het immers een vreugde
en een opwekking om te mogen zingen in een zoo groot en plechtig
oogenblik, voor zulke veeleischende en kritische toehoorders.
En de oude Asker, die dansmuziek op bruiloften placht te spelen, waar
niemand er om geeft welke geluiden er uit de klarinet komen, als er
maar maat en gang in de muziek is,—hij was altijd heel gelukkig, als
hij op den 17den Augustus naar Mårbacka mocht komen; want de jonge
menschen daar begrepen immers wat zijn kunst waard was en zeiden hem,
dat er geen muziek in de wereld was, waar je zoo heerlijk op kon dansen
als op de zijne.
En als er een kopersextet was met den inspecteur van Gårdsjö en Tage
Schullström en sergeant Johan Dahlgren en een handelsbediende en twee
muzikale onderwijzers van de lagere school, en nu die de onkosten
hadden gedragen van instrumenten en muziekboeken, en marschen, walzen
en ouverturen, en een bloemlezing uit de volksliederen hadden
ingestudeerd, dan zou het toch al heel droevig geweest zijn als er niet
een buitengewone feestdag was geweest, waar zij het loon van den triomf
voor hun moeite hadden kunnen ontvangen.
En als er nu behalve dat alles onder de familieleden, die op Mårbacka
vaak ’s zomers als gasten vertoefden, twee zulke grappenmakers waren
als de auditor Oriel Afzelius, die met de zuster van Mevrouw Lagerlöf
was getrouwd en haar broer Kristofer Wallroth, dan was het immers goed,
dat er zoo diep in ’t boerenland een feestdag was, groot genoeg om het
voor hen begeerlijk te maken zich te laten hooren.
En als er bovendien onder de gasten zulk een geboren primadonna was als
Mevrouw Hedda Hedberg, de mooie, vroolijke Stockholmsche, die zangeres
en tooneelspeelster was, en als voor het tooneel geschapen, hoewel ze
getrouwd was met een armen luitenant uit Wermeland, dan kan men toch
bijna wel zeggen, dat het goed en héél noodig was, dat er den 17den
Augustus op Mårbacka een feest werd gevierd, waar haar talent en dat
van al die anderen tot hun recht konden komen.