DE OUDE SOLDAAT.

’t Was een mooie herfstavond, toen Back-Kajsa, die niet meer als

kindermeisje op Mårbacka was, maar haar brood met weven verdiende, door

het bosch aankwam.

Ze moest naar het hutje boven op de boschvlakte, waar ze geboren was,

om er een boodschap voor Luitenant Lagerlöf te doen, en omdat ze nog

steeds bijzonder goede vrienden met de kleine Selma Lagerlöf was, had

ze haar op dien tocht meêgenomen.

Ze hadden geen haast. Ze aten boschbessen, die langs den weg groeiden,

ze bekeken met verwondering de mooie paddenstoelen, en ze plukten hun

boezelaars vol met mooi mos, dat ze mee naar huis wilden nemen om er

een echte goede tochtlat voor ’t binnenvenster van de kinderkamer van

te maken. Back-Kajsa was blij, omdat ze weer in ’t bosch was, waar ze

ieder graszoodje en iederen steen kende.

Toen ze eindelijk bij het hek gekomen waren, dat om de plaats liep,

waar het hutje stond, en over het brugje zouden loopen, zei Back-Kajsa:

„Denk er om, Selma, dat het niet aangaat over oorlog te praten, zoodat

Vader het hoort.”

’t Kleine meisje was daar héél verbaasd over. Ze wist, dat de vader van

Back-Kajsa soldaat was geweest, en dat hij bij Leipzig tegen Napoleon

had gevochten; maar dat je daar niet met hem over praten kon, had ze

zich nooit kunnen voorstellen.

„Waarom mag ik niet met hem over oorlog praten?” vroeg ze.

„Dat moet je nooit doen met iemand, die in een echten oorlog geweest

is,” antwoordde Back-Kajsa op onderwijzenden toon.

’t Kleine meisje werd steeds meer verbaasd. Ze dacht aan Fritjof, aan

Hjalmar en Hector en alle oude goden en helden, waarover ze in haar

sagenboeken had gelezen, en ’t begon in haar hoofd te warrelen.

Intusschen kwamen ze in de hut, en daar zat de vader van Back-Kajsa bij

’t vuur en warmde zijn rug aan den gloed. Hij was een man uit den ouden

tijd; dat kon je aan zijn broek zien, die maar tot de knieën reikte; en

hij droeg geen laarzen, maar schoenen, hij was lang en mager, en had

een grof, gerimpeld gezicht en droeg een buitengewoon vuilen

schapenpels; maar eigenlijk zag hij er niet veel belangwekkender uit

dan andere oude boeren.

Maar zoolang ze in de hut waren, staarde het kleine meisje onafgebroken

den ouden man aan, die niet over oorlog wou hooren spreken. Zelf wist

ze niets wat zoo prettig was om over te hooren of te lezen dan verhalen

over oorlog. Wat jammer, dat je hem niet mocht vragen naar alles wat

hij had beleefd!

Ze durfde niet te praten of te antwoorden, terwijl ze daar zat; ze

wist, dat als ze haar mond opendeed, ze zich zou verspreken en iets

over oorlog zeggen, en dan zou de oude soldaat haar misschien

doodslaan.

En toen ze hem daar een poos had zitten aanstaren, begon ze te vinden,

dat hij er zoo griezelig uitzag. Het was zoo onbegrijpelijk, dat men

niet met hem over oorlog mocht praten. Daar moest iets akeligs achter

steken, wat ze niet begreep. Ze voelde, dat die oude daar een

gevaarlijk mensch was. Ze wou maar dat ze van hem weg was. Ze had ’t

liefst de deur uit willen loopen.

Ze werd àl banger, en toen Back-Kajsa eindelijk klaar was en ze

afscheid namen, was het kleine meisje buiten zich zelf van angst voor

dien ouden man.

Maar als hij was geweest als andere oude soldaten en gezegd had, dat

oorlog het allervoornaamste was in de wereld, en er op had gepocht, dat

hij honderden menschen had doodgeslagen en dorpen en steden verbrand,

zou ’t kleine meisje heelemaal niet bang voor hem zijn geweest.

Mårbacka(#76129) · 第 17 / 23 题