In den zomer van 1866 was een ongewoon groote schare kinderen bijeen op
Mårbacka.
Daar waren ten eerste Daniël en Johan Lagerlöf, zonen des huizes en dan
waren er Theodoor en Otto en Hugo Hammargren, hun neven van
vaderszijde, die de zomervacantie met hun ouders op Mårbacka
doorbrachten. Verder waren er Ernst en Klaas Schenson, neven van
moederszijde, die ook den heelen zomer op Mårbacka waren. Maar dat was
nog niet genoeg; want men kon ook nog Herman en Bernhard en Edvin
Milén, die op de hoeve daar naast woonden, bij ’t gezelschap rekenen,
en ook Adolf Noreen, die op Herrestad bij de kerk woonde, maar een paar
keer per week naar Mårbacka wandelde om met andere jongens te spelen en
pleizier te maken.
Bovendien waren er ook nog Anna en Selma en Gerda Lagerlöf. Maar Gerda
was niet ouder dan drie jaar, dus die telde niet meê; en Anna en
Selma—die hadden ook niet veel te beteekenen, nu er zoo’n groote troep
jongens bij elkaar was.
In dien zomer hadden de jongens een prettiger en beter tijdverdrijf
uitgevonden dan ooit te voren. De eerste weken hadden ze geleefd als
altijd. Ze hadden bessen geplukt en op den schommel gezeten, in ’t
groene gras geslapen, met pijl en boog geschoten, raket gespeeld en
springspelen gedaan. Maar op een schoonen dag begon hen dat alles te
vervelen. Ze vonden zeker, dat ze te veel leegen tijd en verstrooiing
hadden, en ze begonnen er over te spreken, dat ze eens aan moesten
pakken en een ernstig werk doen, waar je wat aan hadt.
Hun oog viel op een veldje in ’t bosch, dat dicht bij de groote laan
lag, en aan de eene zij door den weg en de sloot, en aan de andere door
den loodrecht opstijgenden Åsberg was begrensd. Langs het noorden liep
een hek en langs ’t zuiden een diepe kloof vol grint, zoodat het heele
gebied, dat ongeveer een zestiende ton land groot was, goed afgebakend
en eenzaam daar lag.
Toen de jongens het nader onderzochten, vonden ze, dat het rijkelijk
voorzien was van groote steenblokken, en dat de plantengroei
voornamelijk bestond uit eenbesstruiken, jonge dennen en varens. In ’t
noorden liep een beek door het veldje, die wel midden in den zomer
droog werd, maar waarvan de oevers met enkele prachtige elzestruiken
waren versierd. In de spleten van den Åsberg groeide wilde boekweit,
waar de jongens zeer op waren gesteld; ver in ’t zuiden stonden vier
volwassen dennen en midden op het veld prijkte een groote spar met veel
takken; ’t heele stuk grond was nog onbebouwd en had geen andere
bewoners dan eekhorens, boomspechten en mieren.
De jongens vonden nu, dat deze wildernis de zegeningen der beschaving
moest genieten en besloten daarheen te trekken als landontginners. Hun
eerste maatregel was nu woonplaatsen te kiezen. Theodoor Hammargren,
die zestien jaar oud was en de eigenlijke leider der onderneming, legde
beslag op een hoog rotsblok, dat als een toren opschoot en een heerlijk
uitzicht gaf over de heele kolonie. Daniël Lagerlöf, die vijftien jaar
was en de tweede in ouderdom en aanzien, eigende zich de vier
denneboomen toe en een mooien rotswand daarachter. Johan Lagerlöf en
Otto Hammargren, die buitengewoon goede vrienden en schoolkameraden
waren, waren compagnons geworden, en besloten het noordelijk gebied met
de uitgedroogde beek en de elzestruiken te kiezen. Ernst Schenson, die
maar twaalf jaar was, vergenoegde zich met een knobbelig rotsblok;
niemand begreep wat hij daaraan hebben zou. Zijn broer Klaas, die nog
maar een kleine jongen was, koos ook een steenblok, maar men hield het
er voor, dat hij een beter keus had gedaan dan zijn broer, omdat hij
een eenbesstruik, die schaduw gaf, in de buurt had. Hugo Hammargren
begeerde voor zich den eenen grooten spar en niemand benijdde hem dien.
Herman Milén, die tien jaar was, zocht een grooten, omgevallen den uit,
die met zijn wortels omhoog lag en den stam vol kleine takken had. Zijn
broertjes Bernhard en Edvin, die tweelingen waren en pas acht jaar oud,
hadden bijna niets gekregen, maar ten slotte werd aan ieder een
dennestronk toebedeeld.
Adolf Noreen was dien dag niet op Mårbacka geweest, toen de verdeeling
plaats had, en er ontstond een groote opschudding, toen hij kwam en
zijn aandeel aan den buit begeerde, want nu waren immers alle goede
plaatsen bezet. Gelukkig bedacht Theodoor Hammargren hem een terrasje
op den bergwand toe te wijzen en daardoor kwamen de gemoederen weer tot
rust.
Maar als Anna en Selma gehoopt hadden ook een woonplaats op de
ontginning te krijgen, dan werden ze wreed bedrogen. Ze waren immers
maar meisjes, en er was zeker niet één van de jongens, die er ook maar
even aan dacht, dat ze meê hadden willen doen.
De jongens hadden zoo oneindig veel pleizier op hun ontginning.
Theodoor Hammargren verzamelde mos op zijn toren, zoodat hij een
gemakkelijke zitplaats kreeg en bouwde een steenen trap, zoodat hij
gemakkelijk naar boven en naar beneden kon komen. Daniël Lagerlöf groef
den grond af tusschen de dennen en den bergwand, en maakte een kleine
salon met steenen banken, die hij met mos bekleedde aan drie zijden, en
dat werd de gezelligste inrichting van alle. Johan en Otto bouwden in
hun elzenboschje een half-ronde sofa van plaggen. Dat werd ook geprezen
als een heel goed geslaagde woning. Ernst Schenson maakte een breede
mosbank met een steenblok als rugstuk; maar zijn broer Klaas was een
kleine luibuis en ging op den grond onder zijn eenbesstruik liggen,
zonder de moeite te nemen steenen en mos bij elkaar te sleepen voor een
bank. Hugo Hammargren had een paar planken van de timmerlieden van
Luitenant Lagerlöf afgebedeld en spijkerde die bovenaan in den
denneboom vast, zoodat hij een uitnemende zitplaats kreeg. Adolf Noreen
maakte een bed van mos boven op zijn rotsterrasje en had het daar best,
als hij maar eenmaal naar boven was geklauterd. Herman Milén had een
grot onder de wortels van den boom uitgegraven, en zelfs de kleine
tweelingen hadden wat mos op hun boomstronkjes gelegd.
Maar Anna en Selma,—die hadden immers niets te bouwen en in orde te
brengen. Ze liepen beneden in den tuin, heelemaal alleen en verlaten en
wisten niet wat ze zouden bedenken om zich meê te vermaken.
De jongens hadden ’t hoe langer hoe prettiger, hoe meer hun samenleving
zich ontwikkelde. Ze begonnen al gauw behoefte te voelen aan een
geordend bestuur en wetgeving, en zij kozen Theodoor Hammargren als
hoogste bestuurder en rechter. Daniël de Lange werd hoofd van het
muntwezen en schreef papieren muntjes. Johan werd commissaris van
politie en Otto Hammargren burgemeester. En toen ze geld hadden voor
hun ondernemingen, begonnen zij steenen en kiezels, mos en steenblokken
en grond te koopen en te verkoopen. En enkelen van hen maakten goede
zaken en werden rijk, maar Hugo Hammargren en Herman Milén waren echte
verspillers en maakten zich buitendien schuldig aan ’t zich toeëigenen
van boekweit op andermans grond, zoodat de commissaris van politie hen
in arrest moest zetten in de oude smidse, die zoo geschikt bij de hand
lag aan den kant van den weg.
Anna en Selma liepen heelemaal alleen beneden in den tuin. En Anna
Lagerlöf zei, dat als de jongens haar weer vroegen een bal voor hen te
maken, dan zou ze „neen” zeggen, en ze zou hen ook niet meer helpen bij
het knakbroodpap koken. En Selma Lagerlöf, die nog maar zeven jaar was,
wist niet wat ze zou bedenken om de jongens te ergeren; maar zij zou
hun ten minste niet meer toestaan kiezel te rijden in haar wagentje.
’t Leven boven in die kolonie werd zoo spannend, dat alle jongens
verzekerden, dat ze nog nooit zooveel pleizier hadden gehad. B.v. ze
kwamen gewoonlijk bijeen voor een vergadering om over de
aangelegenheden van den staat te overleggen. En ze namen besluiten over
het aanleggen van wegen en het bouwen van een groote steenen brug over
de sloot, die de kolonie van de buitenwereld scheidde. En ’t werk zou
zoo worden uitgevoerd, dat alle jongens boven de twaalf jaar
steenhouwers en ontginners zouden worden, maar alle kleintjes moesten
kiezel aandragen. Maar later bleek het, dat Herman Milén en Hugo
Hammargren niet bij het werk wilden helpen, en daardoor ontstonden
ernstige verwikkelingen. Hugo en Herman werden als de onbruikbaren in
de maatschappij beschouwd, die zich aan geen wetten of bepalingen
stoorden. Ze waren niet eens bang voor de smidse, zoodat men niet wist
welke maatregelen men tegen hen nemen moest.
Maar Anna en Selma liepen beneden in den tuin en probeerden zich te
vermaken met het schieten met de door de jongens achtergelaten boog en
pijlen, en het spelen met hun raketten. En zij zeiden, dat ze ’t
precies even prettig vonden als ’t winter was, en alle jongens naar
school gingen. En Anna beloofde, dat nooit meer een jongen haar groote
pop zou mogen zien, die ze van haar tante had gekregen, en die een el
lang was, die kousen en schoenen, een corset en een crinoline droeg, en
een eigen bed had met kussens en lakens en een eigen kleerkast met
alles wat je maar bedenken kon.
Maar daarboven in de kolonie ontwikkelde zich de samenleving steeds
rijker. En op een schoonen dag werd er in de vergadering voorgesteld
een restauratie te openen.
’t Voorstel werd aangenomen en het hoofd van het muntwezen, Daniël
Lagerlöf, werd als restaurateur aangesteld, omdat hij de ruimste woning
had.
Maar de nieuwe restaurateur moet het moeilijk gevonden hebben om aan de
eischen van zijn klanten te voldoen, die zelfgebrouwde suikerdranken,
boschbessen, onrijpe appels en boekweit verlangden. Op eens herinnerde
hij zich, dat hij een paar zusters had.
Hij ging dadelijk naar den tuin en vond ze bij den vijver, waar ze zich
vermaakten met spelen met de schuitjes van de jongens, en er over
praatten, dat ze nooit meer met één van de jongens zouden spelen, neen,
ze zouden zelfs nooit meer naar hen kijken!
„Meisjes, jelui moogt boven komen om kellnerinnen in mijn restauratie
te worden,” zei hun broer.
En Anna en Selma lieten de schuitjes zeilen waarheen ze wilden. Ze
zeiden er geen woord van, dat ze tot nu toe waren vergeten en aan zich
zelf overgelaten. Ze gingen maar gauw mee naar de kolonie van de
jongens en waren gelukkig en verrukt.