HET LAND DER HOPE.

Daar waren Lars van Londen, en Sven van Parijs en Magnus van Weenen en

Johan van Praag, en Peter van Berlijn en Olle van Maggebysäter en de

stalknecht en de jongen.

En ze waren geen van allen buitenlanders, maar daglooners op Mårbacka.

De zaak was namelijk deze, dat Luitenant Lagerlöf er plezier in had

gehad zijn dagloonershutten naar de voornaamste steden van Europa te

noemen.

Lars van Londen en Magnus van Weenen hadden den heelen dag loopen

ploegen op het veld bij de schuur. Sven van Parijs had de koeien

gevoerd, en in den tusschentijd op het aardappelveld gewerkt. Johan van

Praag had aardappels gerooid, maar Peter van Berlijn had niets gedaan.

Hij had pijn in den rug gehad, zoodat hij niet kon werken, en nu was

hij op de hoeve gekomen om wat afleiding te hebben. De stalknecht had

in den stal gewerkt en de paarden verzorgd en in den tusschentijd

brandhout gehakt. De jongen had in ’t aardappelveld gewerkt. Olie van

Maggebysäter had heelemaal niet op de hoeve gewerkt, hij was alleen

naar Mårbacka gekomen om een schepel rogge te koopen.

’t Was herfst, met wind en regen, maar nu was het avondrusttijd

tusschen half vijf en vijf uur, en ze waren in de knechtenkamer. Hun

schoenen zaten vol klei, hun kleeren waren vochtig en de mannen waren

uit hun humeur.

Zij maakten een turfvuur op den haard aan, en gingen er omheen zitten.

Lars van Londen, die de grootste hut had en de flinkste van alle

arbeiders was, nam plaats op het hakblok voor ’t vuur en Magnus van

Weenen, die een bijna even goed werker was als Lars van Londen, ging

naast hem zitten op een schoenmakersdriepoot. Sven van Parijs, die

vond, dat hij even goed was als een ander, hoewel hij in den koestal

werkte en het vee verzorgde, ging op den haardsteen zitten met den rug

naar ’t vuur, zonder er op te letten dat hij den gloed voor de anderen

wegnam. Johan van Praag zat op de andere schoenmakerskruk en de oude

man van Berlijn zat op een zaagblok wat achter de anderen. De

stalknecht zat op den kant van zijn bed met de beenen te slingeren, en

de jongen was op de zaagbank gewipt. Olle van Maggebysäter zat heel bij

de deur op een ton met roode verf en hield de voeten op den pas

gekochten zak met rogge.

Lars van Londen en Magnus van Weenen en Johan van Praag en Sven van

Parijs maakten hun boterhamzakjes open en ieder nam zijn stuk zacht

roggebrood met een kluitje boter er midden op. Toen haalden ze de

messen voor den dag, die in de leeren scheede onder het voorschoot

staken, veegden ze aan de broek af, smeerden de boter over ’t brood,

sneden den eenen hap na den ander met het mes af en aten op hun gemak.

De jongen werd naar de keuken gestuurd om het avondeten voor zich en

den knecht te halen. Hij kwam terug met twee sneden roggebrood, twee

kluitjes boter en twee stukken magere kaas. Maar Peter van Berlijn, die

dien dag niet op de hoeve had gewerkt, had geen brood bij zich en Olle

van Maggebysäter, die gekomen was om rogge te koopen, had ook niets, en

zij zaten hen, die aten maar aan te kijken. ’t Vuur knetterde en

brandde en de warmte begon zich te verspreiden, de vochtige kleeren

droogden en de klompen klei vielen van hun zware schoenen.

Toen de boterhammen op waren, namen Lars van Londen en Magnus van

Weenen en Sven van Parijs en Johan van Praag en de stalknecht en de

jongen, allen als één man kleine rolletjes tabak uit den broekzak. En

hier hoefde de oude man van Berlijn niet achter te blijven: ook hij had

zijn rolletje en haalde het te voorschijn als de anderen. Alleen de

oude Olle van Maggebysäter had niet eens een beetje tabak in den zak.

Weer haalden de anderen de messen te voorschijn, sneden een stuk tabak

af, legden het op hun schootsvel en hakten het in kleine stukjes. Toen

namen ze hun korte pijpjes, die ook onder ’t schootsvel zaten en

stopten die.

Lars van Londen nam een stokje op van den vloer en stak dat in ’t vuur

aan. Daardoor had hij vuur voor zijn eigen pijp en gaf later het stokje

aan Magnus van Weenen, Magnus van Weenen gaf het aan Sven van Parijs,

Sven van Parijs reikte het aan Johan van Praag; die gaf het weer door

aan Peter van Berlijn, die achter hem op het zaagblok zat. Peter van

Berlijn rekte zich zoover uit, dat hij het door kon geven aan den

stalknecht; de stalknecht stak zijn pijp aan en hield het stokje

brandend in de hand, tot de jongen naar hem toe kwam om het te halen.

Olle van Maggebysäter had natuurlijk geen vuur noodig, omdat hij geen

pijp noch tabak had.

De anderen waren nu warm en verzadigd, zoodat de wereld er voor hen

beter uit ging zien.

Olle van Maggebysäter was zeventig jaar oud, en hij was misvormd door

de jicht, zoodat zijn vingers als ballen waren en zijn hoofd naar den

eenen schouder was gebogen. Hij had een krommen rug en zijn oogen waren

zwak; zijn eene been was te kort en zijn lichaamskracht klein. Op zijn

verstand kon hij ook niet pochen. Hij was leelijk, had geen tanden

meer, in ’t laatste half jaar was hij niet gekamd of gewasschen en zijn

baard onder de kin zat vol stroo en stokjes.

Hij bezat een klein hutje ver weg in ’t bosch; maar hij was nooit een

bekwaam arbeider geweest en had de armoede niet buiten de deur kunnen

houden. Hij was altijd ontevreden en knorrig geweest en nooit had hij

vrienden gehad.

Terwijl nu de tabaksrook van de anderen de lucht vulde, zei hij—alsof

hij in zich zelf sprak:

„Ik heb het mijn heele leven moeilijk en akelig gehad, maar nu heb ik

gehoord, dat er een land is, dat Amerika heet. En daar wil ik heen.”

De anderen zaten in behaaglijke gedachten verdiept en antwoordden niet.

Maar Olle van Maggebysäter ging voort:

„Zie je, Amerika—daar is het zoo, dat als je een stok neemt en op een

rots slaat, dan komt er brandewijn uit. En dat land wil ik zien vóór ik

sterf.”

De anderen zeiden geen woord. Ze zaten stil voor zich uit te kijken en

glimlachten.

Maar Olle van Maggebysäter gaf het niet op.

„Niemand zal het lukken me in ellende en verveling hier vast te houden,

als ik weet, dat er een land is, waar de bergen vol brandewijn zijn.”

Nog altijd zeiden de anderen niets, maar geen woord, wat Olle zei, ging

voor hen verloren.

„En de bladen aan de boomen in dat land, die zijn niet anders dan

goud,” zei de oude, ongelukkige stumper. „Daar hoef je geen

dagloonerswerk op een hoeve te doen. Je gaat maar naar ’t bosch en

plukt een armvol bladen, en dan kun je koopen wat je wilt. En je zult

zien, dat ik daarheen trek, zoo oud als ik ben.”

Ze voelden zich steeds behaaglijker—al die mannen in de knechtenkamer.

Zij zagen dat land, waar men brandewijn uit de bergen kon tappen en ’t

goud van de boomen plukken, voor hun oogen.

Toen luidde de bel, en de avondrust was uit. Ze moesten weer uit in

regen en wind. Lars van Londen ging aan ’t ploegen en Magnus van Weenen

ging met hem mee voor ’t zelfde werk. Sven van Parijs en Johan van

Praag en de jongen moesten aardappels rooien. Peter van Berlijn ging

naar huis, de staljongen moest nog hout hakken en Olle van Maggebysäter

trok weer ’t bosch in met den zak rogge op den rug.

Maar geen van hen zag er meer knorrig uit, zooals een half uur geleden.

Er was een glimp van licht in hun oogen.

Want ze vonden allen, dat het goed was te weten—ja, al lag het ook zoo

ver weg, dat ze er nooit zouden kunnen komen,—doch was het goed te

weten, dat er een land was, waar brandewijnbergen verrezen waren en

waar gouden bosschen groeiden.

Mårbacka(#76129) · 第 18 / 23 题