Om half zeven ’s morgens maakte het kindermeisje de kachel aan op de
kinderkamer op Mårbacka, en om zeven uur moesten de kinderen opstaan en
beginnen met zich aan te kleeden.
Als ze klaar waren,—dat was ongeveer om half acht,—en de bedden heel
vlug waren gemaakt, kwam er een blad uit de keuken, waarop borden met
pap en room stonden en groote boterhammen van zelfgebakken knakbrood.
Dat was de eerste maaltijd van den dag.
Tot acht uur zaten de kinderen dan aan een groote zwarte tafel, die bij
het raam stond, hun lessen te leeren. Ze waren altijd in de
kinderkamer. Die moest als school dienst doen; want een schoolkamer was
er niet.
Zoodra de klok acht had geslagen, werden de boeken dichtgeslagen,
mantels en jassen werden aangetrokken, mutsen en petten opgezet en naar
buiten gingen ze in den halfdonkeren wintermorgen. Wat voor weer het
was—daar vroegen ze niet naar, ze haastten zich naar buiten om te
onderzoeken of het ijs op den vijver al hield, of dat het misschien
beter was met de priksleê te rijden in de laan, of dat er misschien een
of ander spelletje was in de schuur, of dat ze naar de konijnen mochten
kijken of met den hond spelen.
Kort vóór negen uur kwam het ontbijt, dat gewoonlijk bestond uit eieren
of uit flensjes of uit gebakken visch met gestoofde aardappelen of uit
bloedworst met spek en saus. Bij het ontbijt ging men niet aan tafel.
Men kwam beurt om beurt het eten halen en ging dan zitten eten aan de
kleine tafeltjes.
Om negen uur moest men klaar zijn, want dan begon de school. Weer
gingen de kinderen naar de kinderkamer en gingen aan de groote smalle
tafel zitten lezen, rekenen en schrijven tot twaalf uur. De kleine
meisjes leerden niet meer bij mijnheer Tyberg, maar hadden Ida Melanoz,
de dochter van den koster Melanoz, die zijn helder hoofd en talent van
onderwijzen had geërfd, als gouvernante gekregen.
Om twaalf uur gebruikte men het middagmaal aan de ronde tafel in de
zaal. Een van de meisjes deed het gebed vóór, een andere na het eten.
Als ze klaar waren, kusten ze Vader en Moeder de hand en dankten hen
voor den maaltijd. ’t Was nooit stil aan tafel, want Luitenant Lagerlöf
hield uit alle macht het gesprek gaande. ’t Was merkwaardig, dat hij
altijd iets wist om over te praten. Zelfs als hem niet anders was
overkomen, dan dat hij een oude vrouw op weg was tegengekomen, kon hij
een heel verhaal van die ontmoeting maken.
Tusschen een en twee moesten de kinderen weer buiten zijn; maar meestal
haastten ze zich al vóór tweeën naar binnen om hun lessen nog eens door
te zien voor het namiddag-onderwijs begon.
Van twee tot vier zaten ze aan de schooltafel en na vier uur begonnen
ze hun lessen te leeren voor den volgenden dag.
Maar langer dan tot vijf uur mochten ze daar toch niet mee doorgaan.
Dan moesten ze weer naar buiten, en ze deden dan grooter tochten, naar
een ver, ver weg liggenden, heel hoogen heuvel om er met de sleê af te
glijden. Een tijd lang hadden ze een grooten hamel voor de sleê en dat
was natuurlijk een groot genoegen!
Als ze weer thuiskwamen, hadden ze een prettig uurtje. De haard was dan
aan in de zaal, en op ’t opengeslagen speeltafeltje stond brood en
boter en een beker met een of ander drank. Om zoo bij den haard te
zitten of te liggen en een boterham te eten, vonden de kinderen
heerlijk. Ze praatten en maakten plannen. Dat was eigenlijk het eenige
uur van den dag, dat ze voor zich zelf hadden. Als de laatste gloeiende
kool in den haard was uitgebrand, werd de lamp op de ronde tafel voor
de sofa aangestoken. Nu was het Mevrouw Lagerlöf, die het onderwijs
leidde en haar dochtertjes leerde naaien, breien en borduren. Ze bezat
een exemplaar van H. C. Andersens sprookjes, en als ze vond, dat het
werk goed was gedaan, las of vertelde ze gewoonlijk als belooning „de
reiskameraad”, „de vuurslag” of „de wilde zwanen”. Er waren ook mooie
en grappige teekeningen in dat boek. Het was bijna even prettig die te
mogen zien als de verhaaltjes te hooren.
Om acht uur werd het avondeten gebruikt en dan eerst kwam Luitenant
Lagerlöf te voorschijn. Al dien tijd had hij beneden in zijn kantoor in
zijn groote boeken vol cijfers zitten schrijven.
En nu na dien heelen dag, zóó streng ingedeeld en zoo vol werk, kwamen
allen eindelijk los. De kinderen mochten hun werk wegleggen, de
luitenant ging in den schommelstoel zitten en vertelde jongensstreken,
of hij beschreef hoe wonderlijk mooi Jenny Lind was geweest als Norma
of als de Regimentsdochter, of Emilie Högqvist als de Jonkvrouw van
Orleans.
Of ook—als hij niet gestemd was tot praten, liet hij Mevrouw Lagerlöf
of Juffrouw Lovisa voorlezen uit Tegnér. Iets heerlijker dan de
Fritjofssage geloofde hij niet, dat er op de wereld bestond. Hij hield
ook veel van Runeberg en hoorde graag Vaandrig Stäl of zijn epische
gedichten voorlezen. Maar hij vond ’t toch niet prettig, als iemand
zei, dat de Finsche dichter grooter was dan Tegnér.
Nu en dan, en dat was het prettigste van alles, ging hij voor de oude
piano zitten, en sloeg een paar accoorden aan. „Kom, kinders,” riep
hij, „dan zingen we Bellmansliederen.”
De kleine meisjes lieten zich niet bidden. Ze waren dadelijk bij hem en
dan gingen ze met lust en vreugd op Bellman los. Ze begonnen altijd met
„den ouden Noach”, en „Joachim uit Babylon”. Dan zongen ze van „Vader
Movitz en Mutter op Tuppen” van den dansmeester Mollberg en zijn
droevig avontuur in den kelder in Rostock.
Luitenant Lagerlöf zat het accompagnement te hameren en zong zachtjes
mee om de maat en de melodie te houden. Maar de kleine kinderen zongen
uit volle borst. Ze zongen zóó, dat je het in ’t heele huis door hooren
kon.
Dat was leven en beweging. Dàt was vroolijkheid na den dag vol werk. Ze
begrepen niet veel van wat ze zongen; maar de melodieën verwarmden hen
en wekten hun levensgeesten. Och, het klonk zoo mooi als Ulla danste in
sluier en franje, of als Fredman zong, dat het even ver was van nu tot
Maandag, als van ’t Noorden naar ’t Zuiden! En ze konden niet anders
dan pret hebben, als die stakker van een Mollberg, wien alles
tegenliep, in de waschtobbe sprong, waar de waardin haar karpers had;
of als de groote taart binnenkwam op de groote bootreis, bestrooid met
suiker, kaneel en ansjovis.
Maar ’t beste was toch, dat ze mochten zingen, zooveel ze maar konden.
En de luitenant liet ze maar begaan. Hij verbeterde ze nooit, hij
stoorde ze nooit door hen er aan te herinneren, dat er zulke dingen
waren als modulatie en samenzang. En ze waren volkomen overtuigd, dat
ze Bellman heelemaal goed zongen, zooals hij gezongen moest worden.
Aan den wand boven de piano had de luitenant een portret van Karl
Mikaël zelf, met de luit in den arm, en gewoonlijk zag hij naar hem op,
alsof hij verwachtte, dat de onvergelijkelijke hem een goedkeurenden
glimlach zou zenden.
Maar nu gebeurde het eens, dat de vaandrig van Wachenfeldt naar
Mårbacka was gekomen. Hij zat in zijn hoekje bij de kachel als
gewoonlijk en Juffrouw Lovisa keuvelde wat met hem, terwijl de
luitenant bij de piano zat met de kinderen om zich heen, die uit volle
borst Bellman zongen en niet beter wisten dan dat ze dat goed deden en
juist zooals het behoorde.
„Is ’t niet vreemd, dat geen van de kinderen stem heeft?” zei Juffrouw
Lovisa fluisterend tegen den vaandrig.
„Ja, dat ze geen stem hebben, kunnen ze niet helpen,” antwoordde hij
even zacht. „Als ze hun ooren ten minste maar gebruikten!”
„’t Is vreemd, omdat de beide ouders muzikaal zijn. Vindt u ook niet?”
zei Juffrouw Lovisa met een zucht. „Ik begrijp niet hoe Gustaaf het
verdraagt!”
„Hij hoort het niet, zooals ’t voor onze ooren klinkt,” zei de
vaandrig. „Hij heeft die kinderen boven alles lief.”
„Ja, de menschen praten van een zien met de oogen der liefde,” zei
Juffrouw Lovisa. „Misschien is er ook iets, dat je kunt noemen: „hooren
met de ooren der liefde”.”
„Ja, daar kunt u van op aan,” zei de vaandrig van Wachenfeldt, en hij
wist wat hij zei.
’t Gebeurde, dat een van de kleine zangeressen dit gesprek hoorde en
later aan de andere oververtelde, en dat was wel een van de redenen,
dat langzamerhand het zingen van Bellmansliederen op Mårbacka ophield.
Maar lang daarna, hun heele leven lang zit de liefde voor de
Bellmansliederen nog in ’t hart van alle Mårbacka-kinderen. Zij hebben
ze niet alleen lief om hun vroolijkheid, en hun weemoed en hun teere
schoonheid, zij hebben ze niet alleen lief ter wille van henzelf, maar
omdat de kleinste toon van de Bellmansche luit in hun herinnering de
nooit zwichtende teerheid terugroept, die hun kindsheid gelukkig heeft
gemaakt.