Niet alleen wilde Luitenant Lagerlöf Mårbacka tot een vruchtbare en wel
onderhouden hoeve maken. Hij wilde ook, dat het een mooie en deftige
plaats zou worden met groote tuinen aan alle zijden van het woonhuis.
Maar nu lag de oude leelijke koestal met zijn ingezonken stroodak, zijn
kleine vensters en zijn grauwe houten wanden aan de overzij van de
plaats, vlak over de woning. Daar stond een rij van honderdjarige
ahornen met gele, korte stammen en rijk loof buiten den stal en bedekte
dien voor ’t oog, zoodat de hoeve er toch niet zoo leelijk van werd,
maar de luitenant vond, dat hij Mårbacka nooit het aanzien van een
heerenhoeve kon geven, als die koestal niet weg kwam.
’t Eerste jaar, dat hij op Mårbacka woonde, had hij intusschen de
handen vol met den akkerbouw, en ’t was eerst na de reis naar
Strömstad, en nadat de oude Mevrouw Lagerlöf overleden was, dat hij aan
’t bouwen van een nieuwen koestal begon, want die moest er immers zijn
vóór hij den oude kon afbreken.
Om nu den nieuwen koestal zoo min mogelijk in ’t gezicht te hebben van
uit het groote gebouw, besloot hij, dat die op den vlakken akker zou
komen vlak onder tegen den zandheuvel, waarop alle andere gebouwen van
Mårbacka stonden. Alle vrouwen op de hoeve werden wanhopig, toen zij
daarover hoorden spreken. Denk eens aan hoe ver dat zou zijn om naar de
koeien in den stal te gaan zien, en wat een last ’t wezen zou voor de
stalmeid en haar kameraad, om drie keer per dag de melk den steilen
heuvel op naar de melkkamer te dragen! Maar daar wilde Luitenant
Lagerlöf niets van hooren. Hij was van plan alle gebouwen, en de
melkkamer ook, naar de vlakte te verzetten, en als alles daar bij
elkaar stond zou ’t oneindig gemakkelijker zijn voor de menschen en ook
voor de dieren.
Maar hoewel de koestal daar in een verborgen hoekje zou staan, zou hij
toch mooier gebouwd worden dan eenige koestal in de heele streek. Hij
zou in den vorm van een kruis worden opgetrokken, met tegels bemetseld
worden tot aan den dakrand en er zou plaats zijn voor minstens vijftig
koeien. Alleen een gewelfd dak ontbrak er aan om hem op een kerk te
doen lijken.
De luitenant sprak met zijn schoonvader over zijn bouwplannen, en
patroon Wallroth had genoeg van den ouden stal gezien om te begrijpen,
dat er een nieuwe komen moest. Hij gaf hem dus een aanzienlijke som
geld om voor te bouwen, en toen begon de luitenant aan ’t voorbereidend
werk. Een paar winters liet hij steenen houwen in de Åsberger
steengroeve, die voor de fondamenten moesten dienen. Een paar zomers
had hij een steenbakkershut bij den eendenvijver op Mårbacka, waar de
steenen gebakken werden, die later in de zon lagen te drogen tot ze
vast en hard waren; een paar jaar in den herfst zond hij menschen uit,
die hout hakten in zijn eigen bosch, zoodat hij behoorlijke dakbalken
en leggers kon laten maken.
Eindelijk was hij zoover gekomen, dat hij de plaats kon afbakenen en de
fondamenten laten uitgraven. ’t Was een plechtig oogenblik voor hem,
toen de grondwerkers de spa in den grond staken om de bovenste aardlaag
weg te nemen.
Men begon met het uitgraven en leggen van de fondamenten aan de
oostzij, die het dichtst bij de hoeve lag. Daar ging alles goed. De
grond was vast en de steenen bleven liggen, waar ze gelegd werden.
Maar toen de fondamenten aan den langen kant in ’t oosten en aan den
westergevel klaar waren, begon men aan den langen kant in ’t westen,
die op de akkers beneden uitzag. En nu kwam de groote teleurstelling.
Zoodra de bovenste aardlaag was weggenomen, stootte men op losse en
zachte blauwe klei. Daar bleven de steenen niet op liggen, maar ze
zonken er in weg en verdwenen.
’t Was wel een groote fout, dat de luitenant ook niet op die plaats den
grond had laten onderzoeken, vóór hij begon te bouwen; maar nu de
fondamenten voor de eene zij al gelegd waren, vond hij dat hij voort
moest bouwen op de eenmaal afgebakende plaats. Een oude grondwerker
raadde hem ’t gebouw hooger op den heuvel te leggen, want de blauwe
klei was niet gemakkelijk om meê te doen te hebben; maar daar wilde hij
niet van hooren. ’t Zou toch wel lukken om ook in de blauwe klei
fondamenten te leggen. Die moest toch ook wel een bodem hebben, en
steenen om die meê op te vullen had men volop. Zij hadden den heelen
Åsberg om steenen uit te halen.
Hij liet de eene lading steenen na de andere in de klei leggen, al gauw
had hij een breeden steenen dam, die vast en stil lag en wel voldoende
moest zijn om er de fondamenten op te leggen. Maar toen kwamen er een
paar geweldige regenbuien, en dadelijk vertoonden zich kloven in den
steenen dam. Den volgenden morgen begon die te zinken en in een paar
uur was hij heelemaal verdwenen.
Nu raadden de grondwerkers en andere menschen den luitenant om den
koestal op een andere plaats te bouwen; maar hij wilde niet toegeven.
Hij had zooveel werk op deze plaats laten doen, en dat moest allemaal
worden overgedaan, als ’t gebouw verzet zou moeten worden. En behalve
dat, wilde hij ook, dat de koestal daar zou liggen, waar hij het
bepaald had. Hij kon zich geen andere plaats denken, waar hij beter
verborgen en toch in de buurt zou liggen.
Maar nu moest hij ook den heelen zomer voortgaan met steenen in de
blauwe klei te leggen, en toen de herfst kwam was men nog niet zeker,
dat de fondamenten zouden houden, maar er werd besloten, dat het
opmetselen zou worden uitgesteld, tot het volgend jaar, zoodat men zien
kon, hoe de klei zich zou houden, als ’t voorjaar kwam en de vorst uit
den grond was.
Zoodra de sneeuw van ’t veld begon te verdwijnen, ging Luitenant
Lagerlöf naar de bouwplaats om naar zijn muur te zien. Nog stond die
vast en zonder barsten; maar de echte lentedooi was ook nog niet
begonnen.
Elken dag, en dikwijls op één dag ging hij daarheen. Nog altijd stond
de muur. Eindelijk scheen de groote dooi voorbij. De fondamenten
stonden nog op dezelfde plaats, en hij waagde het een boodschap naar
den metselaar en zijn knechts te zenden met het bericht, dat zij aan
het werk konden gaan.
Zij kwamen en begonnen de muren aan den oostkant en den noordkant op te
trekken, opdat de onzekere grond aan den westkant nog wat langer tijd
zou hebben zich te zetten.
Tegen ’t midden van den zomer begonnen zij aan de gevaarlijke zij te
metselen, en alles scheen goed te gaan. Zij kwamen tot aan den
muurkrans in ’t midden van Juli; want metselaars zijn voortvarende
menschen; maar toen merkten ze een paar barsten in den muur. En opeens
begon alles te zakken. Ze moesten in groote haast verscheidene
steenlagen van ’t metselwerk afbreken, vóór ’t zakken ophield.
Nu begon het er werkelijk leelijk uit te zien voor Luitenant Lagerlöf.
Hij wist niet wat hij nu doen moest.
Om dien tijd toen het metselen gestaakt moest worden, was juist de som
op, die hij van zijn schoonvader voor ’t bouwen van den koestal had
gekregen. Maar patroon Wallroth was een royaal èn een verstandig man.
Had de luitenant hem voor een paar dagen geschreven en hem uitgelegd,
waarom ’t gebouw duurder was geworden, dan hij berekend had, en had hij
hulp gevraagd om het af te kunnen maken, dan zou hij die zeker gekregen
hebben. Maar nu, na die nieuwe verzakking, aarzelde de luitenant te
schrijven. Hij moest immers bekennen, dat hij nog niet aan ’t dak of
den vloer—ja, niet eens aan de muren toe was, maar dat hij met nieuwe
fondamenten moest beginnen.
Zijn schoonvader moest wel denken, dat hij zijn werk heel slecht had
gedaan. Hij zou hem niet meer vertrouwen.
De luitenant had bijna ’t meeste lust ’t heele bouwplan op te geven.
Maar dat stuitte hem ook tegen de borst. Al zijn plannen vielen in
duigen. En de oude stal was bovendien heelemaal onbruikbaar.
Hij had immers ’t heele gebouw al lang op een andere plaats moeten
brengen; maar om dat nu te doen, nu de muren half klaar waren.... ’t
Was de vraag wat het meest zou kosten, op een nieuwe plek te beginnen
of op de oude voort te gaan.
Er is in Ooster Ämtervik een kleine fabriek, Gårdsjö, die maar een
halve mijl van Mårbacka ligt. Daar woonde in dien tijd een broer van
Mevrouw Lagerlöf, Karl Wallroth, een verstandig en voorzichtig man,
waar de luitenant meer vertrouwen in stelde dan in iemand anders. Naar
hem ging hij om zijn nood te klagen en om raad te vragen.
Karl Wallroth raadde hem ten sterkste aan ’t heele plan op te geven.
„’t Is niet verstandig om Vader weer geld hiervoor te vragen,” zei hij.
„Hij wil immers graag helpen, maar hij wil, dat het geld goed gebruikt
zal worden. En geld op te nemen om je stal klaar te krijgen, zou ik je
niet raden. Je weet immers niet hoe dikwijls je nog weer van voren of
aan met metselen zult moeten beginnen. Zoo kun je wel doodarm worden.”
Na dit gesprek bleef de luitenant den heelen avond op Gårdsjö, bij zijn
zwager en schoonzuster. Er was geen sprake van, dat hij naar huis mocht
gaan vóór het avondeten. Hij probeerde te zijn als altijd en hen op te
vroolijken met opgewekte gesprekken, maar hij voelde zich alsof zijn
ziel verlamd was. Hij begreep, dat zijn zwager gelijk had, en hij was
niet boos op hem, maar het was zulk een drukkende nederlaag voor zijn
zelfrespect, dat hij een begonnen stal niet zou kunnen afmaken.
Op weg naar huis kwamen sombere en zonderlinge gedachten bij hem op.
Hij vroeg zich af of hij een van die menschen was, wien alles tegenliep
bij wat ze ondernamen.
Er was wel een tijd, dat hij meende, dat hij een echte geluksvogel was.
Dat was toen hij zijn vrouw had gewonnen en Mårbacka had overgenomen;
maar sinds dien tijd had hij veel tegenspoed ondervonden.
Hij had zijn ontslag uit den dienst genomen, alleen omdat hij een
reprimande van zijn chef had gekregen om een klein verzuim. Dat was
overijld geweest, maar daar treurde hij niet om. Maar wat hem ergerde
was, dat hij geen officier van administratie geworden was, toen zijn
vader stierf. Dat werk was tusschen vier klerken verdeeld. Een van die
betrekkingen had hij gekregen, maar dat was een onbeduidend werk en een
onbeduidend honorarium.
Toen had hij de rivier willen uitdiepen. En dat was hem ook mislukt.
Halfweg tusschen Mårbacka en Gårdsjö lag de bron van Ås, een oude
badplaats, die hij had ondernomen te moderniseeren, hij had er een
nieuw badhuis gebouwd, badmannen en badvrouwen aangesteld en had
gehoopt, dat de zieken in menigte daarheen zouden stroomen, maar ook
dàt was mislukt. Een en ander zieke stakker kwam wel; maar ’t was niet
de moeite waard het badhuis open te houden.
En nu was die groote bouwerij ook weer mislukt. Er moest iets aan hem
niet in orde zijn. Hij was zeker minder flink dan anderen. ’t Was maar
’t best, dat hij zich stil hield, zijn plannen opgaf, in zijn
schommelstoel ging zitten, zijn courant las en alles liet gaan, zooals
het ging.
Toen hij eindelijk thuiskwam, zat zijn vrouw op een van de treden van
de trap van ’t balkon op hem te wachten.
Zij leek op haar broer op Gårdsjö. Ze had hetzelfde verstandige
gezicht, ’tzelfde heldere hoofd, ’tzelfde eerlijke karakter, dezelfde
liefde voor den arbeid, dezelfde onverschilligheid voor genoegens en
denzelfden tegenzin tegen al wat onzeker en avontuurlijk was.
De luitenant hield van haar en had bovendien de grootste achting voor
haar evenals voor zijn zwager. Maar dezen avond had hij liever gezien,
dat zij hem niet had zitten opwachten. Zij werkte hem immers tegen in
deze zaak en was het met haar broer eens.
„Wat zei Kalle?” vroeg Mevrouw Lagerlöf toen zij de slaapkamer
binnengingen.
„Hij vond, dat ik ’t werk op moest geven, net als jij en alle andere
menschen,” antwoordde de luitenant.
Mevrouw Lagerlöf zweeg. Ze was op haar gewone plaats bij haar
naaitafeltje gaan zitten en keek naar buiten in den lichten zomernacht,
zonder er aan te denken zich uit te kleeden.
De luitenant had zijn jas al uitgegooid.
„Moet je niet naar bed?” vroeg hij. En aan zijn nerveusen toon kon ze
hooren hoe gedrukt en geïrriteerd hij was.
„Ik vind,” zei zijn vrouw en zag voor zich uit in den nacht, terwijl ze
zacht en eentonig sprak, „dat je hem af moet maken.”
„Wat zeg je?” vroeg de luitenant ongeduldig. Hij had wel gehoord wat ze
zei, maar hij kon niet anders denken, dan dat hij ’t verkeerd had
verstaan.
„Ik vind,” zei ze weer, „dat je hem af moet bouwen.”
„Spreek je van den koestal?” zei de luitenant, en kwam op haar toe.
Haar woorden hadden wat hoop bij hem gewekt, maar hij wist niet of hij
haar goed begreep.
Maar Mevrouw Lagerlöf had den heelen avond over deze vraag zitten
denken. Ze had bij zich zelf gezegd, dat het niet aanging, dat haar man
weer in een onderneming te kort zou schieten. Dat zou niet goed voor
hem zijn. ’t Was misschien verstandiger met dit werk op te houden, maar
hij zou het zich al te veel aantrekken. Dat konden haar broer en haar
vader niet begrijpen, maar zij, zijn vrouw, zij wist het.
Te zien wat er omging in de harten van hen, die ze liefhad was voor
Mevrouw Lagerlöf even gemakkelijk als in een boek te lezen, maar haar
gedachten uit te spreken in oogenblikken van ontroering, dat was haar
even onmogelijk als hebreeuwsch te vertalen.
„Ik ben het niet met Kalle eens,” zei ze, en toen zweeg ze.
„Maar wat wil je dan? Waar praat je over?” zei de luitenant, en hij
beefde bijna van ongeduld. Hij durfde nog niet te gelooven, dat zij van
gedachten was veranderd en nu aan zijn zij stond.
Toen ze nu hoorde en zag hoe bewogen hij was, deed zij haar uiterste
best om te maken, dat hij haar begrijpen zou.
„Ik ben ’t niet met Kalle eens,” zei ze. „Ik vind, dat je den koestal
af moet bouwen en dat hij staan moet, waar jij hem wilt hebben. En ik
vind, dat we een hypotheek op de hoeve moeten nemen, en zooveel geld
opnemen, zoodat we ons kunnen redden zonder Vader om meer geld te
vragen.”
Nu eindelijk begreep de luitenant alles. En ’t werd licht in zijn hart.
Zie, nu zijn vrouw ’t met hem eens was, waren er immers geen
moeilijkheden meer. Nu lagen de fundamenten en de muren zouden
verrijzen.
„God zegen je hiervoor, Louise,” zei hij.
Na dit besluit was het, alsof ze zich met nieuwe teerheid bij elkaar
aansloten. En in alles, wat het bouwen van den stal betrof, werd sinds
dien tijd zijn vrouw geraadpleegd. En toen de deuren eindelijk
opengingen, toen de koeien plechtig één voor één werden binnengeleid en
vastgebonden, toen de kippen en de ganzen, de kalkoenen en eenden naar
hun hokken en de kalveren in hun stallen werden gebracht, toen het
licht naar binnen scheen door hooge vensters, en zij zelf in schoone,
mooie gangen konden loopen, toen voelden zij, dat er een goed werk was
gedaan en zij verheugden er zich in, dat zij beiden er hun deel in
hadden gehad.