DE ZEVENTIEN KATTEN.

In de laatste jaren, dat Grootvader op Mårbacka was, hadden zij daar

een stalmeid, die Britta Lambert heette. Ze was klein en leelijk, haar

gezicht was bruin als leer, en ze had maar één oog. Ze was zuur en

verbitterd, als ze onder menschen was, maar ze was een prachtige

stalmeid, die het vee liefhad. Als ze verwachtte, dat een koe in den

nacht zou kalven, maakte zij een bed op in den koestal en sliep daar.

Elken dag warmde ze water in ’t brouwhuis en sleepte dat in groote

kuipen naar den koestal om de koeien warm eten te geven, en als het

hooi op raakte op den hooizolder, zoo tegen ’t midden van April en de

koeien op roggestroo moesten knabbelen, was ze niet te goed om in den

paardenstal te sluipen en hooi van de paarden te stelen.

De koestal, waar zij alles bestuurde was oud en zoo donker, dat men er

bijna geen hand voor oogen kon zien, als men binnen kwam. De gangen

waren smal en er waren veel kuilen in den vloer; de koeien stonden er

in kleine nauwe hokjes en Britta Lambert had er niet veel slag van ze

schoon te houden. Maar alles ging altijd uitstekend in den koestal. Er

was nooit sprake van, dat een koe te veel zou eten of iets verkeerds

zou binnen krijgen, of dat het met het kalven verkeerd zou gaan. Er was

melk genoeg en kalven waren er in overvloed; over den koestal hoefde de

huismoeder op Mårbacka nooit bezorgd te zijn.

Toch was er een diersoort, waar Britta Lambert nog meer van hield dan

van koeien, en dat waren katten. ’t Was alsof ze meende, dat die een

soort macht hadden om haar en het vee te beschermen, en ’t ergste, wat

men haar kon vragen, was nu en dan een jong katje te verdrinken, opdat

ze niet eindelijk meer katten dan koeien te verzorgen zou krijgen. Wie

in den koestal kwam, zag van alle kanten de groene kattenoogen

vonkelen. De katten sprongen hem over de voeten en sommigen namen een

aanloop en sprongen hem op den schouder, want dat had Britta Lambert

hun aangewend.

Toen Luitenant Lagerlöf het bestuur over Mårbacka van zijn vader

overnam, waren er niet minder dan zeventien katten in den stal. Alle

waren rood-gestreept; geen enkele was wit of zwart of grijs; want

Britta Lambert meende, dat alleen de rood-gestreepte geluk aanbrachten.

Nu hield de luitenant zeker veel van dieren, en hij had niets tegen

katten, maar zeventien stuks in den stal herbergen en voeden,—dàt vond

hij toch àl te dwaas. Ze dronken immers zóóveel melk, dat het voor drie

kalveren genoeg zou zijn, en wel was het waar, dat ze orde hielden

onder ratten en waterratten; maar ze hadden ook zoo geweldig jacht

gehouden op de vogels, dat er bijna geen musch meer over was op

Mårbacka.

Intusschen is het niet prettig om zich van katten te moeten ontdoen, en

om Britta Lambert of de andere vrouwen op de hoeve niet te

verontrusten, zei de luitenant geen woord tegen haar van zijn plannen,

hij gaf alleen kleinen Bengt, den ouden stalknecht, die nog op de hoeve

woonde en hier en daar nog wat kleine werkjes deed, een wenk.

Van dien dag af begonnen de stalkatten op een wonderlijke manier te

verdwijnen, niet op eens; maar zoo langzamerhand.

Britta Lambert meende op te merken, dat de eene na de andere, waar ze

’t meest van hield, zich niet meer vertoonde, maar ’t was niet zoo

gemakkelijk het met zekerheid te zeggen, want de katten leken zoo op

elkaar in vorm en kleur. Ze probeerde ze te tellen, als ze melk kwamen

drinken, maar dat was ook niet zoo gemakkelijk. Ze verdrongen elkaar om

den melkbak en dan was ’t ook bijna pikdonker in den stal.

Ze klaagde haar nood aan de oude huishoudster en aan de jonge mevrouw.

„Zie je, ik ben maar zoo bang, als de roode katten weggaan, dat het dan

uit is met ’t geluk in den stal,” zei ze. „’t Is geen goede manier van

besturen, als je ondankbaar ben tegenover hen, die je tot nu toe

geholpen hebben.”

Maar Mevrouw Lagerlöf en de huishoudster bezworen, dat zij geen booze

plannen tegen haar katten gesmeed hadden. Ze dachten wel, dat zij ze

alle zeventien gauw terug zou hebben.

Maar het kon haar niet ontgaan, dat er al minder en minder katten

waren. Ze verdacht nu de een, dan de ander; maar niemand wilde schuld

bekennen. De eenige, dien ze nooit van iets zóó zondigs kon verdenken,

als de katten kwaad te willen doen, dàt was de luitenant. Ze was er

zeker van, dat de oude mevrouw hem wel beter had geleerd.

„Dat gaat nooit goed, luitenant,” zei ze, telkens als hij in den stal

kwam. „De katten loopen weg. U weet niet hoe bezorgd ik ben!”

„Mij dunkt, ze springen me over de voeten, zooals altijd,” zei de

luitenant.

„Als er nog dertien over zijn, is ’t al veel,” zei het stalmeisje. „Ik

zou niet graag in de schoenen staan van wie dat doet. En ’t ergste is,

dat het op de hoeve neer zal komen.”

Ja, nu was Luitenant Lagerlöf in die dagen een jong, krachtig man en

een vlijtig landheer. Hij had groote plannen met Mårbacka. Wel was de

hoeve niet bijzonder groot, maar de grond was goed, dat wist hij. En de

akkers breidden zich dicht aanéén uit, effen en vrij van steenen. Aan

hem zou ’t niet liggen, als zijn hoeve niet een van de beste in ’t

Fryksdal werd.

Geld had hij om te gebruiken, want zijn schoonvader, patroon Wallroth

in Filipstad, was een vermogend man. Hij vond het prettig, dat zijn

schoonzoon ondernemend en flink was, en gaf hem allen steun, dien hij

noodig had.

De luitenant gaf zich dus alle moeite om de hoeve voor wisselbouw in te

richten. Hij groef diepe greppels en zaaide klaver en thimoty in de

weiden, opdat er niet alleen veldbloemen zouden groeien. Hij kocht een

dorschmachine, zoodat de knechts niet den heelen winter op den

dorschvloer hoefden te slaan. Hij kocht ook volwassen vee van de

heerenhoeven op Näs en liet de koeien niet in ’t bosch gaan en zoowat

honger lijden van de lente tot den herfst, maar zond ze naar ’t open

veld op de wei.

Alles wat hij maar bedenken kon om de hoeve vooruit te brengen, pakte

hij aan. Hij voerde lange onderhandelingen met de boeren aan den

westkant van het dal om grond van hen te koopen en zijn bezittingen af

te ronden. Hij bouwde en zorgde voor zijn arbeiders, zoodat ze

behoorlijke woningen kregen met een schuur en een stuk grond, waarop ze

een koe en een varken konden houden.

Zijn werk was ook niet te vergeefs. Binnen weinig jaren gaf de hoeve

alles terug, wat hij er in gestoken had. Al gauw wist hij niet waar hij

’s winters zijn hooi bergen moest. Als hij erwten kweekte, kreeg hij

twintig ton terug voor de eene, die hij had uitgezaaid, en als hij

rapen pootte, kwamen ze op met zoo’n overvloed, dat hij ze met zijn

eigen menschen niet oogsten kon, maar een boodschap naar de buren moest

zenden of ze met paard en kar naar Mårbacka wilden komen en zooveel

rapen meênemen, als ze maar uit den grond konden halen.

Maar er was één ding, dat hem leelijk in den weg zat, bij zijn plannen

om de hoeve te verbeteren. Dat was het riviertje Ämtan, dat in alle

mogelijke mooie bochten en slingers door het dal liep, waar hij zijn

weiden had. Gewoonlijk was het niet grooter dan een boschbeekje, maar

zoodra er een flinke regenbui kwam, trad het buiten zijn oevers en

maakte zijn klaverbedden en haverveldjes tot kleine heldere meertjes.

De luitenant had geen rust voor hij aan dat riviertje beginnen kon. En

voor zoover het door zijn land liep, groef hij het om, zoodat het een

rechte en diepe bedding kreeg om door te stroomen. Maar daar had hij

niet veel pleizier van. De boeren, die het land onder Mårbacka bezaten,

lieten de rivier in zijn oude slingerende en ondiepe bedding blijven,

waar ’t water zich bijna niet roeren kon, en zoodra het flink regende,

kwam het water boven de oevers bij hen èn bij hem.

Hij kon dit niet langer uithouden. Wat was daar nu aan: in den grond te

werken, als ’t water elk oogenblik zijn hooihoopen en roggeschooven

meespoelen kon? Hij kon onmogelijk zijn hoeve vooruitbrengen zooals hij

wilde, vóór hij die rivier de baas was.

Hij sprak er over met zijn buren en zij schenen niet ongenegen de

rivier behoorlijk te laten uitbaggeren. Een landmeter werd geroepen,

die teekeningen maakte en de kosten berekende en toen alles klaar was

en goed voorbereid, werden allen, die iets met de zaak te maken hadden

voor een vergadering op het gemeentehuis bijeengeroepen.

Er waren niet weinig bezwaren en moeilijkheden, die overwonnen hadden

moeten worden, eer men zoover gekomen was, en dien morgen toen de

luitenant naar die bijeenkomst zou gaan, was hij heel blij, want nu

dacht hij, dat het zwaarste werk gedaan was.

Maar toen hij in zijn wagentje zou stappen, bleek het, dat een van de

roode stalkatten midden op de zitbank zat en hem vlak in ’t gezicht

staarde.

Nu, dat was niet zoo vreemd, want alle stalkatten wilden graag

meêrijden. Britta Lambert placht ze in den kruiwagen te zetten en ze

rond te rijden, van dat ze heel klein waren af, en zoo waren de roode

katten even verzot op rijden, als de kinderen, en sprongen in alle

werkwagens. Maar in de rijtuigen van de familie waagden ze zich

gewoonlijk niet.

„Ah zoo, wil je meê naar de vergadering,” zei de luitenant tegen de kat

en zette haar uit den wagen. Die verwaardigde zich ook heen te gaan,

maar eerst zond zij den luitenant een blik, zóó sluw en onheilspellend,

dat het hem waarlijk onaangenaam aandeed.

Voor de luitenant op den weg kwam, moest hij drie hekken door en dien

morgen zat er een rood gestreepte kat op elken hekpaal. Dat was ook

niet zoo vreemd, want de katten zaten graag op de hekpalen om zich in

de zon te koesteren en op alles te letten, wat zich beneden op het veld

bewoog. Zij zagen hem onheilspellend en spottend aan, alsof ze, beter

dan hij, wisten hoe zijn reis zou afloopen. Hij begon bijna te

gelooven, dat Britta Lambert gelijk had, en dat ze duiveltjes of

kabouters waren in kattengedaante.

Nu is het immers geen goed teeken om zooveel katten tegen te komen, als

men op reis gaat, maar de luitenant spuwde drie keer op den grond bij

iedere kat, zooals zijn moeder hem had geleerd, en dacht niet verder

aan hen, terwijl hij voortreed. Hij dacht nog eens over zijn plannen

van ’t uitbaggeren, en bereidde zich voor om de zaak duidelijk en

overtuigend uit te leggen.

Maar hij dacht onwillekeurig aan de katten, toen hij de kamer

binnentrad. Want daar kwam hem een atmosfeer van angst en

voorzichtigheid te gemoet. Alle boeren zaten daar met onbeweeglijke,

als ’t ware met gesloten gezichten.

Hij begon te vermoeden, dat zij spijt hadden. En dat was ook zoo.

Zij stemden tegen al zijn voorstellen.

„We begrijpen wel, dat dit baggeren goed voor Mårbacka zou zijn,”

zeiden ze. „Maar voor ons blijft het ’t zelfde.”

Een ander antwoord kon hij niet uit hen krijgen.

Toen hij van de vergadering thuis kwam was hij heelemaal moedeloos. Nú

was die zaak voor langen tijd van de baan. De rivier zou kwaad blijven

doen. Als er een vreemde kudde op zijn akker kwam, kon hij die

wegdrijven; maar de rivier zou ongestoord blijven verwoesten en

bederven.

Toen hij een poos over zijn vervlogen hoop had zitten nadenken, stond

hij op en ging naar de knechtenkamer, naar kleinen Bengt.

„’t Ging niet,—dat met de rivier, Bengt,” zei hij.

„Dat is toch vervelend, luitenant,” zei de oude man. „Uw vader zei

altijd, dat de hoeve tweemaal zooveel waard zou worden als je die

rivier maar weg kon krijgen.”

„Luister eens, Bengt,” zei de luitenant, en sprak heel zacht, „nu zijn

er zeker niet meer zooveel katten in den koestal. ’t Is misschien ’t

best Britta de katten, die er nu zijn, maar te laten houden.”

„Ja, zooals u wilt, luitenant,” zei kleine Bengt.

De luitenant zei nog zachter, alsof hij bang was, dat de oude wanden

van de knechtenkamer zouden hooren wat hij zei:

„Waar verdronk je ze gewoonlijk Bengt?”

„Ik ging met hen naar de rivier,” zei kleine Bengt. „Ik was bang, dat

ze boven zouden komen en gezien worden als ik ze in den vijver

verdronk.”

„Ja zoo, in de rivier,” zei de luitenant. „Dat dacht ik wel.” Hij stond

lang in gedachten. „Er is toch veel vreemds in de wereld,” barstte hij

uit.

„Ja, dat is er zeker, luitenant,” zei de oude man.

Zoolang hij leefde, moest Luitenant Lagerlöf verdragen, dat de rivier

vrij spel had op zijn mooie akkers. Jaar na jaar zag hij, hoe ze buiten

haar oevers trad en een rij van kleine meertjes maakte op Mårbacka en

door ’t heele dal.

En telkens als hij ’t zag, sprak hij over de roode katten, die op de

hekpalen hadden gezeten, toen hij naar de vergadering reed. Zou het

mogelijk zijn, dat zij wisten, dat het hem dien morgen zou tegenloopen?

En was het waar, dat hij, die zich aan katten vergrijpt, gestraft

wordt? Hij kon niet laten daarover te denken heel zijn leven lang.

Mårbacka(#76129) · 第 11 / 23 题