Juffrouw Lovisa had haar broer den luitenant lief en bewonderde hem;
maar ze kon toch onmogelijk begrijpen, waarom hij zooveel veranderde en
zooveel nieuwigheden invoerde. Ze vond, dat Mårbacka blijven moest,
zooals het was in den tijd van haar vader en moeder.
En wat haar ’t allermeest tegenstond was, dat hij een tuin wilde
aanleggen aan alle zijden van het woonhuis.
Ze was heel bezorgd geweest, toen hij den Ämtan wou uitgraven, en ze
was blij, toen het hem niet gelukte. ’t Was immers zoo mooi, als ze
buiten haar oevers trad en er op ’t veld een menigte glanzende meertjes
kwamen.
En ze klaagde luid, toen haar broer de oude bloeiende velden wegnam. ’t
Was immers zoo’n lust voor de oogen, als de eene wei wit was van groote
madelieven, en de ander paars van viooltjes en een derde geel van
boterbloemen.
En ’t was echt een ongeluk, dat de koeien niet meer in ’t bosch mochten
grazen. Want dat wisten toch alle menschen, dat men nooit zulke dikke
room en zulke gele boter kreeg, als de koeien op de wei moesten grazen,
dan wanneer ze ’t bosch ingingen.
In den tijd van haar vader, en zeker ook honderd jaren daarvoor, was
het gewoonte geweest het jonge hout te hakken en het op het veld te
laten liggen om het daar later te verbranden, zoodra het droog genoeg
was. Dan zaaide men het eerste jaar rogge in de asch en later groeide
er een massa wilde aardbeien en frambozen op zulk een afgebrand veld.
En Juffrouw Lovisa was natuurlijk slecht te spreken, toen ze merkte,
dat haar broeder dat gekapte hout niet meer verbrandde: „Let op mijn
woorden,” zei ze tegen hem. „Nu zullen de boschbessen wel gauw
verdwijnen. Waar moeten die groeien, als ’t bosch niet wordt afgebrand?
Stel je voor, dat alle menschen deden als jij,” ging ze voort. „Dan
zouden we ’s zomers avonds nooit meer buiten kunnen zitten en naar de
mooie vuurtjes kijken rondom het bosch.”
En met den nieuwen stal was ze ook niet blij. Ze had er nu wel niet
veel verstand van, zei ze, maar ze had gehoord, dat het vee nooit goed
kon tieren in een steenen stal. En dan was ze ook vreeselijk bang, dat
haar broer al zijn geld verliezen zou met die bouwerij.
Maar toen de luitenant klaar was met zijn nieuwen stal en de oude was
afgebroken, en toen hij over den nieuwen tuin begon te spreken, dien
hij nu zou aanleggen, maakte dit Juffrouw Lovisa heelemaal van streek.
„Ik hoop, dat je weet, wat je doet,” zei ze. „Een groote tuin vereischt
veel zorg, zoo dat je er wel op rekenen moet, dat je een tuinman hebben
moet. Ik vind ten minste, dat het beter is geen tuin te hebben dan een,
die vuil en verwaarloosd is.”
De luitenant liet haar waarschuwingen ’t eene oor in- en ’t andere
uitgaan. Toen de herfst kwam nam hij eerst alle witte hekken weg, die
er nog stonden van uit den tijd van dominee Wennervik. Hij sloopte ze
allemaal: de hekken, die den groententuin omheinden en den rozentuin,
en die om de plaats vóór en de plaats achter de hoeve stonden.
„Ja, nu is hier alle gezelligheid weg,” zei Juffrouw Lovisa. „Denk eens
aan hoe veilig je je voelde binnen die hekken! En denkt eens hoe
prettig ’t voor de kinderen was om hard naar buiten te loopen en ’t hek
open te doen, als er visite kwam.”
„’t Was niet zoo prettig voor iemand, die al die hekken en palen moest
onderhouden,” zei Luitenant Lagerlöf.
Hij ging voort, zooals hij begonnen was. Toen de hekken weg waren, liet
hij den ouden groententuin en ’t rozentuintje, en de vastgetrapte
plaatsen, en den grond, waarop de oude stal had gestaan, en ook dien
waar de kalven op werden gezet, die meer naar ’t zuiden lag, omploegen,
opdat de grond open zou liggen en bruikbaar zijn, als in ’t volgend
voorjaar de tuin zou worden aangelegd.
„’t Is toch niet waar, dat je den groententuin verleggen wilt?” zei
Juffrouw Lovisa. „Ik weet er wel niet veel van, maar ik heb toch
gehoord, dat je alleen pleizier van de appelboomen hebt als je er
soepgroenten omheen plant. Maar als je er gras onder laat groeien, kun
je naar je vruchten fluiten!”
„Maar lieve Lovisa,” zei de luitenant. „Ik dacht, dat je blij zou zijn,
als je een mooien tuin kreeg.”
„Blij?” zei Juffrouw Lovisa. „Moet ik blij zijn, omdat je al het oude
vernielt? Straks herken je ’t heele Mårbacka niet meer.”
De luitenant vond, dat zijn zuster dezen keer buitengewoon dwaas was,
en dat verwonderde hem te meer, omdat ze altijd van bloemen gehouden en
alle planten in huis verzorgd had. Maar hij wilde haar in dezen tijd
geen onvriendelijk woord zeggen, omdat haar verloving kort geleden
verbroken was, en zij haar verdriet nog niet te boven was gekomen. Zij
liep den heelen dag heen en weer in haar kamer en hij hoorde haar
onrustige voetstappen in de zaal, als hij daar zat te lezen. Hij
begreep, dat ze zoo knorrig was, omdat ze zich zelf niet meester was.
En hij vond bijna, dat het een goed teeken was, dat ze zich voor iets
anders interesseerde dan voor haar eigen verdriet, ’t was beter, dat ze
den aanleg van zijn tuin afkeurde, dan dat ze er over bleef tobben, of
ze haar verloving te vroeg had verbroken, of dat haar verloofde haar
moede was geworden, omdat ze boschbessentakken in de bruidskroon van
Kajsa Nilsdochter had gevlochten.
In dien tijd was er in ’t Frijksdal een oude tuinman, die in zijn jonge
jaren op verscheiden groote plaatsen den tuin had onderhouden. Nu op
zijn ouden dag had hij eigenlijk opgehouden voor anderen te werken;
maar hij ging door voor een waar orakel in de tuinbouwkunst, en zoodra
er sprake was van het aanleggen van een tuin, riep men zijn hulp in.
De luitenant had hem gevraagd naar Mårbacka te komen en in ’t voorjaar,
zoodra de vorst uit den grond was, vertoonde de oude man zich daar met
zijn teekeningen en plannen, hij kreeg een groot leger werkers onder
zich. Een stapel struiken en boomen, die bij de tuinbouwvereeniging te
Götaborg waren besteld, waren al aangekomen en ’t gewichtige werk
begon.
Toen ’t veld eerst geëffend was, gingen de tuinman en de luitenant den
heelen dag rond om stokken in den grond te steken om de zandpaden en
grasvelden af te bakenen.
De tuinman verklaarde den luitenant, dat men niet meer gewoon was den
strengen Franschen stijl te volgen. Nu moesten alle paden slingerend
zijn en de bedden en grasvelden afgerond in fraaie en vlugge vormen. En
wat hij nu op Mårbacka zou doen, noemde hij: Engelsche stijl. Maar de
luitenant verdacht er hem van, dat die stijl zijn eigen was en
heelemaal niet buitenlandsch.
Midden op de hoeve legden ze een groot rond grasveld en daarin zetten
ze aan den eenen kant een groote struikengroep in den vorm van een ei,
en aan den anderen kant ook een groote struikengroep, maar in den vorm
van een horen van overvloed. Juist in ’t midden van ’t ronde veld
plantten zij een treuresch en aan den kant van de waranda maakten zij
een bloembed in den vorm van een ster en zetten als wacht daarom heen
vier provincierozestruiken elk op een klein rond plekje.
Op de oude zandvlakte vlak voor de keukenvensters zetten ze een grooten
driehoek af, dien ze met rozestruiken uit het oude rozentuintje vulden.
Ja, rozen konden ze nooit genoeg hebben! Langs de voorzij van het
woonhuis zetten zij een haag van lage trosrozen, en twee witte
doornrozen kregen een eereplaats: één voor het venster van de
slaapkamer en één voor dat van de voorkamer.
De luitenant had zóó’n pleizier in het werk, dat hij den heelen dag met
den tuinman meeging, en Mevrouw Lagerlöf sloop menig maal van haar
naaitafel weg om naar buiten te gaan en naar den aanleg te kijken. Maar
Juffrouw Lovisa kwam niet uit haar kamer. Dit vroolijke lentewerk
verergerde haar gedruktheid. Ze had liever de oude vastgetrapte plaats
op de hoeve met een enkele kleine rij sneeuwbessenstruiken voor den
aardappelkelder willen behouden. Al dat nieuwe was onnoodig.
Ze wist wel, dat het er niets toe deed, wat zij vond of zei; maar
vroeger had men toch ook wel op Mårbacka kunnen leven. Dat nieuwe gedoe
gaf maar kosten en groote moeilijkheden.
Maar ’t werk ging voort, niettegenstaande haar protesten. Langs den
stal zette de tuinman een seringenhaag, langs den vleugel van ’t gebouw
een spireahaag en aan den west-, oost- en noordkant van ’t woonhuis
weer een seringenhaag. Daarna begonnen de luitenant en de tuinman aan
den ouden tuin van Wennervik. De goede appelboomen lieten zij staan;
maar ’t veld daaronder werd op de Engelsche manier van den ouden man
met slingerpaden en grasveldjes van allerlei verschillende vormen
aangelegd. En met veel kunst en overleg werd elk grasveld met
langwerpige en driehoekige bloembedden versierd, die met allerlei
gewassen werden beplant. Daar bloeiden paarse irissen met een rand gele
sleutelbloemen afgezet, goudachtig roode keizerlelies kregen een rand
van donkerblauwe hysop en om de roode afrikaantjes slingerde zich een
krans van lichte bellis.
De bloembedden werden om het woonhuis bijeen gelegd. Verder in den
tuin, aan den noord- en zuidkant, werd plaats gemaakt voor kruisbessen
en druiven, voor aardbeienvelden, voor pruimen, peren en een massa
kerseboomen. Maar ’t meest naar ’t zuiden, heel afgelegen en heel goed
verborgen, lag de groententuin.
’t Verste achteruit naar ’t noorden, stond weer een klein boschje met
dunne, dicht opeengedrongen berken in ’t midden, en meidoorn en
lijsterbessen aan den kant. Die betrok de oude tuinman in zijn aanleg
om op die manier ten minste een aanloopje tot een park te hebben. Hij
doorsneed het boschje met ontelbare, kunstig slingerende paadjes en op
drie plaatsen rooide hij alle boomen om plaats te krijgen voor banken
en tafels. Het eerste open plekje was langwerpig met sofa’s aan alle
zijden. Daar moest de huismoeder haar gasten ontvangen en daarom heette
dat: de theekamer. ’t Andere was vierkant, met vier sofa’s om een ronde
tafel. Dat was voor den eigenaar en zijn bezoekers bestemd en dat
noemde de oude man schertsend: de toddykamer. Het derde was niet goed
gemeubileerd; men vond er één enkele smalle bank. Dat was het eigendom
van de kinderen en zou de kinderkamer heeten.
Maar die heele planterij liet Juffrouw Lovisa koud, ja, men kan bijna
zeggen, dat ze dat heele gedoe haatte en verachtte. Ze had nog geen
voet in den nieuwen tuin gezet.
Al gauw kwam een licht groen waas over de grasvelden, de pas geplante
struiken sproten uit met enkele fijne, aarzelende blaadjes, de
verschillende gewassen worstelden zich op uit de aarde in de
bloembedden; van de eiken en kastanjes en hooge populieren, die op den
grond van den ouden stal waren gezet, begonnen de knoppen te zwellen en
ze toonden, dat ze leefden.
Maar midden onder dat vlijtig werken stootte men op een groote
moeilijkheid. De oude tuinman moest een paar dagen naar huis om zijn
eigen tuin te verzorgen. En dat zou van geen beteekenis zijn geweest,
als hij maar geen bak had aangelegd op Mårbacka, om wat asters en
violieren voor de perken op de grasvelden te trekken.
„Wie zal op den bak passen, terwijl ik weg ben?” vroeg de oude man. „U
weet wel, dat de bak voortdurend verzorging noodig heeft.”
„Dat zal ik zelf doen,” zei de luitenant, want hij voelde zich bij dit
werk als een halve tuinman, en hij liet zich door den oude wijzen hoe
hij moest luchten en gieten.
Maar op den dag, dat de tuinman vertrokken was, werd het heldere, felle
zonneschijn, en midden op den morgen kwam de luitenant heel onrustig ’t
huis in en vroeg naar Mevrouw Lagerlöf.
Zij was niet te vinden, en toen stoof hij de kamer achter de keuken
binnen bij Juffrouw Lovisa.
„Je moet me even helpen met den bak, Lovisa,” zei hij.
Op ’t zelfde oogenblik dacht hij er aan, dat Juffrouw Lovisa niet naar
zijn tuin wou omzien en zich om ’t werk daar niet bekommerde. Nu ja—nu
had hij ’t gezegd en ze kon niet meer doen dan weigeren.
Maar ze stond dadelijk vol ijver op en ging met hem meê. Ze had
nauwelijks even in den bak gekeken, waar de plantjes slap en verdord
neêrhingen, of ze riep uit:
„Er is veel te felle zon; we moeten ze beschutten.”
Toen zorgde ze voor bescherming tegen de zon en redde ze.
Den volgenden dag moest de luitenant op reis om een examen af te nemen,
en toen hij goed en wel op weg was, kwam hem de bak in de gedachten. ’t
Was dezelfde stekende zon als den vorigen dag. Nu zouden de plantjes
wel verbrand zijn.
Zoodra hij thuis kwam, liep hij naar den bak. Daar was alles, zooals ’t
wezen moest. De plantjes stonden frisch en rechtop.
Hij was verbaasd en werd nadenkend. Zijn zuster had dus aan die
stakkertjes gedacht, die hij vergeten had. Hij besloot dadelijk, dat
hij zou vergeten te gieten en den bak ’s avonds te sluiten.
Lang nadat ze ’t avondeten hadden gebruikt, stond hij heel verschrikt
op:
„Ik vergeet aldoor dien bak,” zei hij, „die had zeker al lang gesloten
moeten zijn.”
Juffrouw Lovisa zei niets, maar liet hem naar buiten gaan om naar den
bak te zien. Maar toen de luitenant daar kwam vond hij de ramen
gesloten en de matten er op gelegd.
Den volgenden dag zag de luitenant niet naar den bak om, hij had hem
heelemaal vergeten. Maar de plantjes leden er niet onder. Juffrouw
Lovisa wiedde en hield ze schoon, ze begoot en luchtte ze.
’t Was heel wonderlijk, dat iedereen, behalve zij, dien bak vergat.
Niemand sprak er over of keek er naar om. Als zij er niet geweest was,
zou alles, wat daar geplant was, dood zijn geweest.
Zij verlangde er natuurlijk naar, dat de oude tuinman terugkwam, om van
dat werk af te komen, maar zoolang hij weg was, moest ze het wel
voortzetten.
Intusschen duurde het langer dan men eerst dacht, vóór de oude man
terugkwam, en de plantjes groeiden te hard. Er was niets anders aan te
doen—Juffrouw Lovisa moest ze op de bedden uitplanten.
En toen ze zooveel had gedaan, kon ze niet anders dan doorgaan met
wieden en gieten, den heelen zomer door, tot de violieren en petunias,
en asters en leeuwenbekjes in vollen bloei stonden.
Maar toen de zorgvuldig aangelegde ster voor de stoep van Mårbacka in
volle kleurenpracht stond, was op een wonderlijke manier de felste
smart uit Juffrouw Lovisa’s zieke hart verdwenen. ’t Was gekomen door
de plantjes, die haar de zorgen, die ze hun had gewijd, vergolden
hadden. Ze hadden haar nieuwe belangstelling en een nieuw arbeidsveld
gegeven.
En Luitenant Lagerlöf had nooit een tuinman op Mårbacka noodig.
Juffrouw Lovisa had den familietrek van de oude Wennerviks geërfd, en
zij nam de zorg voor den tuin op zich. De bloemen werden haar
vertrouwde vrienden. Zij hadden haar lief zooals zij hen. De menschen
verbaasden er zich over, hoe zij ze kon laten bloeien en prijken,
zooals nergens anders. Ze wisten niet, dat zij kleuren en schoonheid
kregen door haar vervlogen liefde-droom.