DE BRUIDSKROON.

Juffrouw Lovisa Lagerlöf was gewoon bruiden te kleeden. Maar ’t was

niet zoo, dat allen in de gemeente, die gingen trouwen, bij haar kwamen

om getooid te worden, maar alleen de dochters uit de allervoornaamste

boerenfamilies. Soms waren het twee of drie in ’t jaar en soms geen

enkele.

Vroeger, toen de predikant op Mårbacka woonde, had het waarschijnlijk

tot de plichten van de vrouwen in de pastorie gehoord om de bruiden te

tooien,—vooral haar, die in de kerk zouden trouwen. Moeder en

Grootmoeder en Grootmoeder’s Moeder en Grootmoeder’s Grootmoeder hadden

zeker vóór haar tijd hetzelfde werk gedaan. ’t Was maar een oud

gebruik, dat zij had geërfd.

Ze had ook alle bruidstooi geërfd, die zich in den loop der tijden op

Mårbacka had opgehoopt. Ze had een groote oude kast, waar ze in een van

de laden lange halskettingen van glas, kralen of barnsteen bewaarde. Ze

had een verzameling oude schildpadden kammen, die een kwart-el boven ’t

hoofd uitstaken; ook van kleine, stijve halfronde kartonnen vormen, die

met bloemen waren beschilderd, of met witte zij overtrokken, en

gebruikt werden in den tijd, toen men kornetten en mutsen droeg. Ze had

ook een hooge kartonnen bruidskroon, waarvan de punten gedeeltelijk met

goudpapier, en gedeeltelijk met groen en lichtgekleurd taf waren

overtrokken.

Ze had kransen van gemaakte rozen en veel ellen groen zijden lint met

bloemen, van lichte zij geborduurd. In dezelfde la lagen ook „Jenny

Lind’s krullen”, die over ’t voorhoofd moesten hangen, haarnaalden met

bengelende klokjes, oorbellen van lange, valsche parels, allerlei

brochen, armbanden en schoengespen van koper, bezet met valsche

robijnen, ametisten en saffier.

In den tijd, toen deze dingen gebruikt werden, was het een

verantwoordelijk en langdurig werk een bruid te kleeden. Dan moest het

bruidsmeisje vaak verscheiden dagen vóór de bruiloft bonte zijden

linten om de mouwen en den rok van de bruidsjapon zitten naaien. Soms

moest er nieuw goudpapier om de bruidskroon worden geplakt of nieuwe

papieren bloemen gemaakt of alle koperen zaken moesten glanzend

gepoetst, zoodat ze schitterden als goud.

En hoewel bijna alle tooi onecht was, kan men wel begrijpen, dat een

boerenbruid, met een groote hooge kroon en een breeden bloemenkrans om

het hoofd, met veel bontgekleurde kralensnoeren om den hals, met bonte

zijden sjerp en linten om den rok, met versierde polsen en gespen op de

schoenen tot het mooiste behoorde wat men kon zien.

’t Was ook zeker een geschikt costuum voor een flink uitgegroeid

boerenmeisje met heldere oogen en roode wangen, die door strengen

arbeid haar lichaam had ontwikkeld en haar tint gebruind door veel

beweging in de frissche lucht. Onder die pracht bewoog zij zich waardig

en fier, alsof zij zich boven haar gelijken verheven voelde. Voor den

bruidegom scheen zij op den bruiloftsdag een koningin, een godin van

rijkdom. Zij was de mooiste van alle rozen op het veld en ze straalde

voor zijn oogen met een gulden glans.

Maar als Juffrouw Lovisa bruiden kleedde, mocht zij den ouden

bruidstooi niet meer gebruiken. Nu moest het een klein, fijn kroontje

van myrthe en een klein, dun kransje, ook van myrthe en een groote

witte sluier zijn. En dat was bijna alles. Nu en dan kon zij een rood

zijden lint om ’t midden strikken van de rechte zwarte wollen japon; en

een gouden broche, een gouden ketting, een gouden armband en een goud

horloge leende ze gewoonlijk haar bruiden om dien eenvoud wat op te

vroolijken.

Zeker verlangde zij den ouden tijd terug. Zij zag in, dat er iets

verkeerds was in ’t zóó spaarzaam zijn met kleuren en sieraden en ’t

verbergen van de krachtige en misschien wat grove trekken onder een

fijnen witten tullen sluier. Dat was een gebruik, dat voor bleeke

stadsmeisjes paste, die voor den bruidegom iets droomachtigs en

ongerepts willen hebben; maar de boerenbruiden hadden er zeker mooier

uitgezien met den ouden tooi.

En hoe moeilijk was ’t ook om myrthe voor den krans en de kroon te

krijgen hier heel in ’t dorp! Ze kweekte zelf kleine myrtheboompjes;

maar die wilden juist nooit groeien, en de bruiden zelf hadden meestal

niets om er bij te doen.

Eens ging het Juffrouw Lovisa slecht. Een meisje van middelbaren

leeftijd, Kajsa Nilsdochter, kwam haar vragen om haar als bruid te

kleeden. Zij was niet van zulk een voorname boerenfamilie, maar zij zou

trouwen met een onderwijzer, en zij vond, dat ze zulk een goede partij

deed, dat niemand minder dan Juffrouw Lovisa haar als bruid mocht

tooien.

Ja, Juffrouw Lovisa wilde het wel doen. Zij stelde alleen de

voorwaarde, dat de bruid haar zou helpen om myrthetakken te krijgen.

„Mijn myrthe is bijna dood,” zei ze, „en ik weet niet waar ik andere

takken vandaan kan krijgen.”

Toen beloofde de bruid, dat ze myrthe zou bezorgen voor de kroon èn den

krans, maar ze hield haar belofte heel slecht. Den dag vóór de bruiloft

zond ze een paar takjes naar Mårbacka, met zulke zwarte en beschadigde

bladen, dat men ze bijna niet voor een bruidskroon kon gebruiken.

Dat gaf een zorg! Juffrouw Lovisa plunderde haar eigen myrthe van alle

groene takken, die er nog aan zaten, maar daar kwam zij niet ver meê.

De meisjes liepen naar de hoeven in de buurt om daar hulp te vinden,

maar kwamen met enkele leelijke takjes terug. Alle myrthen schenen wel

ziek, dat jaar. De bladen waren zwart en vielen af, zoodra men ze

aanraakte.

Maar ander groen in de bruidskroon te zetten, ging ook niet aan. Fijn,

pas uitgekomen boschbessentakken lijken immers veel op myrthe; maar een

bruidskroon van boschbessengroen te dragen zou een groote schande zijn.

De bruid zou kunnen vinden, dat ze niet behoorlijk getrouwd was.

Juffrouw Lovisa legde de leelijke takken in water en werkte toen tot

laat in den nacht aan de kroon en den krans. ’t Leek hopeloos, maar ze

deed haar best.

Den volgenden morgen liep ze stil en ongemerkt de laan af en ’t bosch

in. Ze had niets in de hand toen ze heenging, en niets toen ze

terugkwam.

Toen ze door de keuken naar haar kamer ging, klaagde zij er over, dat

ze het nooit zóó moeilijk had gevonden om een mooie bruidskroon te

maken als dezen keer. De meisjes hadden medelijden met haar en boden

aan gauw naar nog andere hoeven te gaan om myrthetakken te vragen.

„Neen, dankje,” zei ze. „Nu is het te laat. Het bruidspaar kan ieder

oogenblik hier zijn.”

Ze ging naar haar kamer en stak nog een paar takken in de kroon en den

krans, waar ze ’t meeste kaal waren. Toen vertoonde ze haar werk aan de

huishoudster en aan de meisjes.

„Maar hoe in de wereld hebt u dat klaar gekregen?” zeiden ze. „Deze

kroon en krans zijn immers even mooi als die u gewoonlijk maakt. En u

hadt bijna enkel kale takken en zwarte bladen!”

Juffrouw Lovisa verklaarde, dat de myrthetakken bijgekomen waren, toen

ze in ’t water hadden gestaan. Ze waren meest zwart door stof en rook,

zei ze.

Dadelijk daarop kwam het bruidspaar, en de bruid werd gekleed in

Juffrouw Lovisa’s kamer. Wel was ze niet jong meer, maar ze zag er goed

en innemend uit. Toen ze klaar was, werd ze in de voorkamer gebracht,

om zich daar in den grooten spiegel te bekijken, en ze was heel blij.

„Nooit heb ik kunnen denken, dat ik er zóó uit zou zien,” zei ze.

Ze haalde een eau de colognefleschje en een mooi doosje te voorschijn,

een geschenk van haar verloofde. ’t Doosje was vol bonbons, suikergoed,

rozijnen en lekkernijen en nu ging ze rond en presenteerde eerst

Juffrouw Lagerlöf en toen alle anderen. Men moest wat reukwater nemen

en iets uit het doosje kiezen. Zij zag er meer vergenoegd en blij uit

dan de jonge bruiden gewoonlijk deden, en allen zeiden haar, dat ze

mooi en goed gekleed was.

Kort daarna gingen bruid en bruidegom naar de pastorie om getrouwd te

worden en van daar naar ’t huis van de bruid om bruiloft te vieren.

Den eersten tijd van haar huwelijk was Kajsa Nilsdochter volkomen

gelukkig. De man was veel ouder dan zij, maar ze had zulk een achting

voor zijn kennis, dat ze er al haar eer in stelde hem te verzorgen en

hem een gezellig tehuis te geven.

Maar toen kwam er een gerucht aansluipen. ’t Moest wel van den een of

ander op Mårbacka zijn uitgegaan, maar niemand kon zeggen wie het ’t

eerst in omloop had gebracht. Het ging door de heele gemeente en

eindelijk was ’t zeker een goede vriendin, die ’t Kajsa Nilsdochter in

de ooren fluisterde.

„Juffrouw Lovisa heeft je bruidskroon van boschbessengroen gemaakt.”

Toen ze ’t gerucht voor ’t eerst hoorde, wilde ze ’t niet gelooven. Dat

was immers heelemaal onmogelijk. Later begon ze er over na te denken.

Haar bruidskroon was immers even mooi geweest als die van alle anderen.

Die had zoo groen op haar hoofd gelegen. Ze herinnerde zich nog hoe

trotsch ze er op was geweest, dat een dame uit een groot huis haar die

op ’t hoofd had gezet.

Maar was die krans niet àl te groen geweest? Dat voorjaar, toen zij

trouwde, waren alle myrthen ziek geweest. Dat wist ze zelf. Ze had

zooveel moeite gedaan om mooie groene myrthen te krijgen, maar het was

haar niet gelukt.

Misschien had Juffrouw Lovisa gevonden, dat het er voor haar niet zoo

precies op aan kwam, omdat ze uit een arme familie kwam. Nooit zou ze

’t gewaagd hebben een kroon van boschbessengroen aan de dochter van een

gezeten boer aan te bieden.

Ze liep er over te tobben en zij sprak er met haar man over. Zij dacht

er over of zij wel echt getrouwd waren, als het nu waar was, dat haar

bruidskroon van boschbessentakken gemaakt was.

De man wist niet wat hij met haar moest beginnen. Zij schreide en was

ongelukkig. Ze voelde zich onteerd en vernederd. Juffrouw Lovisa had

gevonden, dat ze niet deftig genoeg was om door haar als bruid te

worden gekleed. Daarom had ze haar kroon van boschbessentakken gemaakt.

En nu lachte zij en de heele gemeente haar uit.

De man raadde haar aan naar Mårbacka te gaan, en Juffrouw Lovisa te

vragen wat er van dit alles waar was; en zij volgde werkelijk zijn

raad.

Zij kwam op Mårbacka zoo ongelegen mogelijk. Daar was dien dag groot

feest, en toen zij in de keuken kwam, had men bijna geen tijd om haar

goeden dag te zeggen. Zij vroeg naar Juffrouw Lovisa, maar die was

binnen bij de gasten en men wilde haar niet roepen. Ze moest dat niet

kwalijk nemen, maar er was zoo’n heel groot feest. Misschien wou ze

naar binnen in ’t keukenkamertje gaan zitten, de kamer van Juffrouw

Lovisa, en daar op haar wachten.

Zij ging de kamer binnen. Daar had men de kroon van boschbessengroen op

haar hoofd gezet. Zij herinnerde zich hoe blij ze dien dag was geweest.

Maar ook vond ze, nu ze daar stond, dat het moeilijk was aan bedrog te

gelooven.

Na een poos kwamen twee meisjes uit de keuken. Ze droegen elk een blad

met gevulde wijnglazen en gingen er de kamer meê binnen. De deur bleef

open staan, zoodat ze in de zaal en de voorkamer kon zien, die vol

menschen waren. Ja, dat was een echt groot feest. ’t Waren niet alleen

de notabelen van Ämtervik, die daar stonden. Ze herkende den Proost en

den dokter van Sunne met hun familie en den leeraar Hammargren uit

Karlstad, die met de zuster van Juffrouw Lovisa was getrouwd.

Ze werd verlegen en ging heen om de deur dicht te trekken, maar juist

op dat oogenblik hoorde ze een paar woorden, die haar deden stilstaan

en luisteren. Luitenant Lagerlöf stond midden in de kamer met een glas

wijn in de hand en maakte met enkele woorden de verloving bekend van

zijn zuster Lovisa met den hulpprediker in Ämtervik, dominee Milén.

Toen feliciteerden allen en werden er toasten uitgebracht. Allen zagen

er blij en vergenoegd uit, en dat was ook geen wonder. Juffrouw Lovisa

was al veertig jaar en de familie had zeker niet gedacht, dat ze nog

zou trouwen. Dominee Milén was weduwnaar met vier kleine kinderen, die

verzorging en toezicht noodig hadden. Alles was dus in orde.

Kajsa Nilsdochter had hooren zeggen, dat Juffrouw Lovisa, toen ze jong

was, niet had willen trouwen, omdat zij ’t hart niet had gehad haar

ouders te verlaten; maar nu die beide dood waren, was ze wel blij, dat

ze nu een eigen thuis zou krijgen.

Ze had ook hooren vertellen dat Juffrouw Lovisa Mårbacka niet wou

verlaten. Dat paste ook goed; de pastorie was er maar vijf minuten

vandaan.

Het sneed Kajsa Nilsdochter door de ziel dat zij, die voor haar een

bruidskroon van boschbessengroen gemaakt had, het nu zoo goed zou

hebben, en zij trad snel van de deur terug.

Toen zag zij, dat de oude huishoudster achter haar stond. Zij had wel

geweten wat er gaande was, en was gekomen om de verloving te hooren

bekendmaken.

„Ik ben hier gekomen om te hooren of Juffrouw Lovisa mijn bruidskroon

van boschbessentakken gemaakt heeft,” zei ze, „maar het schikt zeker

niet, dat ik haar dat op een dag als deze vraag.”

De huishoudster was wat verbaasd, maar ze was niet iemand, die licht

van haar stuk raakte.

„Hoe kun je nu zooiets onzinnigs zeggen, Kajsa?” antwoordde ze. „Dat

weten we toch allemaal hier in huis, wat een moeite Juffrouw Lovisa met

je bruidskrans heeft gehad. We liepen op alle hoeven rond om naar

myrthen te vragen.”

De ander zag haar doordringend aan. Zij zou haar tot in de ziel willen

kijken om de waarheid te weten te komen.

„Ze zeggen ’t toch allemaal hier in de gemeente.”

De oude huishoudster dacht er alleen maar over hoe ze haar gerust zou

stellen, zoodat ze Juffrouw Lovisa op haar dag van vreugde niet zou

storen.

„Nu, dan zeg ik je, Kajsa,” zei ze, „dat even zeker als Juffrouw

Lovisa’s eigen bruidskroon van myrthen zal worden gemaakt, even zeker

is het, dat de jouwe van myrthen is gemaakt en van niets anders.”

„Ik zal aan je woorden denken,” antwoordde de vrouw van den

onderwijzer. „Als ik zie, waar de bruidskroon van Juffrouw Lovisa van

gemaakt wordt, weet ik hoe de mijne geweest is.”

„Ja, dat kun je gerust doen,” zei de huishoudster.

Zij gingen nu naar de keuken. Daar gaf Kajsa Nilsdochter de

huishoudster de hand.

„Dan is ’t nu beter, dat ik heenga,” zei ze, en zag er nu heel kalm

uit. „Ik kan nu Juffrouw Lovisa toch niet spreken.”

Met die woorden ging ze heen. De huishoudster keerde naar haar fornuis

en haar kokerij terug. Onder ’t feest vergat zij dit bezoek heelemaal.

Eerst een paar dagen later vertelde zij Juffrouw Lovisa wat Kajsa

Nilsdochter had gevraagd en wat zij haar had geantwoord.

Juffrouw Lovisa werd heel bleek. „Ach, Maja, hoe kon je dat zeggen. ’t

Was toch beter geweest te bekennen, dat ik twee of drie

boschbessentakken in de kroon stak. Meer was het niet.”

„Ik moest haar toch geruststellen, zoodat ze heenging,” zei de

huishoudster verontschuldigend.

„En toen zei je, dat mijn kroon van myrthen zou gemaakt worden, zoo

zeker als de hare?—Nu zul je zien, Maja, dat ik geen bruidskroon

krijg.”

„Ach, u trouwt wel, Juffrouw Lovisa. Dominee Milén zal u niet in den

steek laten.”

„Er kan wat anders komen, Maja, er kan wat anders komen.”

Ze liep zich hier een paar dagen bezorgd over te maken, en toen vergat

ze het zeker weer. Ze kreeg andere dingen om over te denken. Zij zouden

over een halfjaar trouwen, en ze begon vlijtig aan haar uitzet te

werken. Ze bracht garen mee naar huis en zette weefsels op; ze naaide

en merkte. Eindelijk ging ze naar Karlstad om inkoopen te doen. Toen ze

terug kwam had ze stof voor een bruidsjapon en een kroontje van

ijzerdraad, waar de myrthetakjes op moesten worden vastgemaakt. Zij

wilde een eigen bruidskroon hebben. Ze wilde niet de gewone zaken

gebruiken, die al zooveel bruiden hadden gedragen.

Maar nauwelijks had ze dat gekocht of er kwam werkelijk iets. Dominee

Milén werd ziek en lag lang te bed. Toen hij wat beter werd en kon

opstaan, was hij heelemaal veranderd. Men merkte, dat hij vermeed met

zijn verloofde te spreken en hij ging nooit den korten weg naar

Mårbacka, om haar te ontmoeten.

Zoodra de zomer kwam, ging hij naar een badplaats. Men hoopte, dat hij

zou herstellen en weer de oude worden, en dat gebeurde ook misschien

wel; maar hij zond in heel zijn verblijf daar Juffrouw Lovisa geen

enkelen brief.

Ze maakte een vreeslijken tijd door vol angst en onrust; maar zij

meende natuurlijk te begrijpen, dat hij hun verloving wilde verbreken,

en zond hem zijn ring terug.

Den dag, dat ze dat deed, zei ze tegen de oude huishoudster: „Zie je

wel, Maja, dat mijn bruidskroon ook niet van myrthen gemaakt wordt?”

Veel jaren later vroeg een van Luitenant Lagerlöf’s jonge dochters haar

tante of ze wat bruidstooi van haar mocht leenen om zich te verkleeden,

en Tante Lovisa gaf haar den sleutel van de kast, waar de oude schatten

in werden bewaard. De kast stond niet op haar kamer, maar op een

vlieringkamertje. ’t Jonge meisje ging er heen, stak den sleutel in het

slot en trok een la open.

Ze keek heel verwonderd: voor haar lag niet de gewone bonte bruidstooi.

In de heele la lag niet anders dan een pakje tulle, een stukje

gekleurde zij en een klein bruidskroontje van ijzerdraad.

Ze begreep dadelijk, dat ze aan de verkeerde la was. De bruidstooi lag

immers in de la aan den linkerkant, daarnaast. Maar ze bleef toch een

oogenblik staan en keek in die lade. Het sneed haar door de ziel, dat

haar arme tante de dingen, die daar lagen, niet had mogen gebruiken. Ze

wist, dat zij jaren lang getreurd had, zonder zich te willen laten

troosten. Men was bang geweest, dat ze krankzinnig zou worden.

Een oude herinnering kwam bij haar op. In den tijd, dat haar tante ’t

meest bedroefd en ongelukkig was geweest, was zij op een dag in haar

kamer gekomen. Daar had Tante gezeten met een berg boschbessentakken

voor zich en was bezig er een kroon van te maken.

Op dat oogenblik was Mevrouw Lagerlöf binnengekomen.

„Maar Lovisa, wat doe je daar?” had ze gevraagd en ze had er heel

verschrikt uitgezien.

„Ik dacht...” zei Juffrouw Lovisa, „als ik tevreden was met een kroon

van boschbessengroen... Ja—dat is immers dom...” Ze stond heftig op en

schoof de kroon en de boschbessentakken weg.

„Ik weet immers wel, dat het voorbij is”, zei ze, begon de kamer op en

neer te loopen, en wrong de handen. „Er is niets meer aan te doen.”

„Lieve Lovisa,” zei Mevrouw Lagerlöf, „het kwam immers door de ziekte.”

Maar Juffrouw Lovisa bleef in groote angst en onrust heen en weer

loopen.

„Als ik maar geen boschbessentakken in de bruidskroon van Kajsa

Nilsdochter had gestoken,” zei ze.

„Neen, dat mag je niet denken, Lovisa,” begon Mevrouw Lagerlöf. Maar op

’t zelfde oogenblik zag ze het kind, dat daar met wijd opengesperde

oogen stond.

„Ga naar de groote kamer, Selma,” zei ze, „Tante Lovisa heeft verdriet,

en dan mogen jelui, kinders, niet hier komen en haar storen.”

Mårbacka(#76129) · 第 10 / 23 题