De meeste gebouwen, die op Mårbacka stonden, toen Luitenant Lagerlöf de
hoeve overnam, waren oud, maar de knechtenkamer en de schapenstal
werden beschouwd als ouder dan al de andere. Dat kon nu wel niemand met
absolute zekerheid zeggen, want de oude houten schuur, die als
provisiekast werd gebruikt, en de stal, die een laag balkon had vlak
onder het dak, en het badhuis, waar het spek werd gerookt, en het
ovenhuis, waar men koren liet kiemen, waren ook geen nieuwelingen in de
wereld. Maar de knechtenkamer en de schapenstal waren van grauwe
steenen opgetrokken, zooals men uit de akkers opgraaft; ’t waren
knobbelige en platte, groote en kleine. Daarvan had men muren gebouwd,
die twee el dik waren, alsof de bedoeling was, dat ze een belegering
zouden kunnen doorstaan. Zoo’n manier van bouwen hadden de menschen
verleden jaar niet, en ook voor verleden jaar niet, zoodat men vond,
dat deze twee hutten den prijs verdienden, als ’t er om ging wie de
oudste was.
Men moest er wel om denken, dat de eerste menschen, die op Mårbacka
kwamen wonen, uit een of andere stad in de buurt waren gekomen, waar
meer dan genoeg menschen waren in alle huizen, maar gebrek aan
onbebouwden grond, zoodat het moeilijk was aan brood te komen. Ze waren
zeker een paar jonge menschen, die graag hadden willen trouwen, maar
omdat ze zoo arm waren, hadden ze er niets anders op kunnen vinden dan
als landontginners de wildernis in te gaan. Ze hadden de bergwei ten
Zuiden van den Åsberg gezien en die kwam hun geschikt voor, en daarheen
verhuisden ze. Om te beginnen trokken ze zeker in een van de kleine
houten hutjes, waar de veehoedsters vroeger gewoond hadden. Maar na een
poosje voelden ze zich daar onveilig. Niemand woonde daar in de buurt;
nu en dan bracht de beer een bezoek aan den veestal en henzelf kwamen
nu en dan wilde benden kolenbranders bezoeken.
In zulke omstandigheden was het natuurlijk, dat ze zich een paar
steenen hutten bouwden, één voor zichzelf en één voor het vee.
’t Huis, waar de dieren moesten zijn, was het grootste. Het had geen
vensters, alleen kijkgaten met zelf gesmeede tralies, zoodat geen beer
of wolf binnen kon dringen. De vloer bestond enkel uit vastgetrapte
klei, maar de ruimte was verdeeld door een wand van ruwe balken, zoodat
de diersoorten, die niet bijeen kunnen zijn, gescheiden konden worden.
Paarden en schapen, die altijd goede vrienden zijn, mochten dus in het
eene gedeelte leven, terwijl koeien en geiten in de andere afdeeling
waren.
’t Steenen huisje, dat als menschenwoning gebruikt zou worden, was
kleiner en had maar één kamer. Maar dat werd voorzien met een vloer van
met de hand gekloofde balken, met twee vensters in een van de lange
wanden, met een haard en een schoorsteen. Aan den oostkant, vlak
tegenover den wand met de vensters, maakten de ontginners een groote
bedstede. Daarin konden twee breede bedden dicht bij den vloer en twee
even breede hoog onder ’t dak een plaats vinden. Ze waren ruim; drie
personen konden goed in de breedte liggen in elk bed. Langs den wand
met de vensters liep een bank, en daarvoor stond een geweldig groote
tafel van vurenhout. De haard stond tegen den eenen korten wand en vlak
daartegenover aan den anderen was de ingang.
In den tijd van Luitenant Lagerlöf, toen dat gebouw, dat eens het
hoofdgebouw was op de hoeve, voor knechtenkamer werd ingericht, zag het
er nog bijna zoo uit. De bedstede was er nog, en ook de ronde, open
haard en de vensters met kleine ruitjes en ijzeren tralies van buiten.
De lange houten bank en de tafel waren weg. Ze waren vervangen door een
schaafbank met een volledig stel werktuigen. Twee ronde stoelen op drie
pooten waren er, die wel uit den tijd van de eerste ontginners konden
wezen, wat ook ’t geval was met het versleten vleeschblok, dat bij den
haard stond.
Hier woonden de stalknecht en de jongen; hier kwamen de arbeiders in de
rusturen om te rusten en te eten, en hierheen werden laat komende, arme
zwervers verwezen, als ze om nachtverblijf vroegen.
Hier was ’t nu dat kleine Bengt, die stalknecht was geweest in
Grootvader’s tijd, op zijn ouden dag woonde. Hij was zóó lang in dienst
op de hoeve geweest, dat Luitenant Lagerlöf hem had aangemeld om een
medaille te krijgen.
Er was nog iemand op de hoeve, die dit eereteeken zou ontvangen, en dat
was de oude huishoudster. Zij was lang zoo oud niet als kleine Bengt.
Zij was nog in dienst, gezond en vlug, en mocht met de familie naar de
kerk rijden om de medaille daar in het koor te ontvangen.
Maar kleine Bengt lag dien dag ziek; hij had rheumatiek en het spit;
hij was niet in staat om in een wagen te klimmen, maar was gedwongen om
thuis te blijven.
De medaille zou hij toch krijgen, maar het was een groote plechtigheid,
die hij misliep, nu hij niet mee naar de kerk kon gaan. ’t Gerucht
liep, dat de Proost van Sunne naar Ämtervik zou komen om de trouwe
gedienstigen toe te spreken en hun zelf den blanken zilveren penning om
den hals te hangen.
Men kan wel begrijpen, dat kleine Bengt verdriet had, toen hij daar
bezweet en pijnlijk in bed lag, terwijl het grootste oogenblik, dat het
leven hem geven kon, aan hem voorbij ging.
Natuurlijk sprak Luitenant Lagerlöf er over met den Proost, dat kleine
Bengt ziek was, en niet in de kerk kon komen. Maar nu was er niemand in
de wereld, aan wie de Proost liever hulde bracht, dan aan een dienaar,
die zijn heele leven op dezelfde plaats gebleven was, en met zijn volk
lief en leed had gedeeld. En toen hij hoorde hoe de zaken stonden, zei
hij, dat hij naar Mårbacka zou rijden, zoodra de godsdienstoefening
afgeloopen was en hem de medaille zelf brengen.
Daar was de luitenant natuurlijk blij om,—maar ook een beetje
bekommerd. Hij ging uit de kerk, zoodra hij het met goed fatsoen kon
doen en reed op een draf naar huis om een poosje vóór den Proost op
Mårbacka te komen.
En kleine Bengt werd met allen spoed gewasschen en gekamd, en hem werd
zijn Zondagsch hemd aangetrokken. Hij kreeg schoone lakens op bed en
een mooie gestikte deken in plaats van zijn gewone schapenvel. De heele
knechtenkamer werd gedweild, de spaanders onder de schaafbank werden
naar buiten gebracht en de spinnewebben vol roet onder ’t dak
weggeraagd. Men strooide jeneverbessentakjes op den vloer, legde frisch
dennengroen voor de deur en een groote tak berenklauw en seringen werd
op den haard gestoken.
In dien tijd was niemand minder dan Anders Fryxell zelf Proost in
Sunne. Hij was statig, streng en zag er eerbiedwaardig uit, maar hij
achtte zich niet te goed om, zoodra hij op Mårbacka kwam, naar kleinen
Bengt in de knechtenkamer te gaan om hem de medaille op de borst te
steken.
De luitenant, en Mevrouw Lagerlöf, en Juffrouw Lovisa, en de oude
huishoudster en alle menschen, die op de hoeve waren, gingen met hem
mee. Zij verwachtten natuurlijk, dat de Proost een toespraak voor
kleinen Bengt zou houden, en ze gingen in ’t rond tegen den muur staan,
stil en aandachtig.
En in ’t begin ging alles goed. De Proost begon met een paar
bijbelteksten voor te lezen en kleine Bengt lag daar stil en plechtig
gestemd te luisteren.
„Bengt,” ging de Proost voort, „ge zijt zulk een goed en trouw dienaar
geweest, als waarvan de Heer hier spreekt.”
„Ja,” zei kleine Bengt in zijn bed. „Ja, dat is wel zoo. Dat ben ik
zeker geweest.”
„Ge hebt nooit uw eigen wel gezocht boven dat van uw meester en de
zijnen. Ge hebt gewaakt over wat u is toevertrouwd.”
„Ja,” zei kleine Bengt, „ja, zoo is ’t precies. Ik dank mijnheer de
Proost wel voor wat hij zegt.”
’t Scheen wel, dat dit telkens in de rede vallen den Proost hinderde.
Hij was immers een groot man, en gewend met groote lui om te gaan, en
waar hij ook kwam, wist hij zich te gedragen zooals ’t behoorde. Hij
was zoo, dat de menschen licht verlegen voor hem werden; hij was altijd
de meerdere en behield het laatste woord.
Maar nu had hij zich immers niet recht op zijn toespraak kunnen
voorbereiden, en wat hij in de kerk had gezegd, paste niet zoo goed
voor de knechtenkamer. Hij kuchte een paar keer—toen begon hij opnieuw:
„Bengt, ge zijt een goede, trouwe dienaar geweest.”
„Ja, dat ben ik zeker, ja, ja,” zei kleine Bengt.
’t Bloed steeg den grooten en wijzen Proost Fryxell naar ’t voorhoofd.
„Je moet zwijgen, Bengt, als ik spreek,” zei hij.
„Ja, dat moet ik zeker, ja, ja,” zei de oude. „Ik spreek mijnheer den
Proost ook niet tegen. ’t Is allemaal zoo waar wat mijnheer de Proost
zegt.”
De Proost werd nog rooder, hij kuchte weer en probeerde het nog eens:
„Bengt, ge zijt een goed en trouw dienaar geweest, maar ge hebt ook
goede meesters gehad.”
Maar de oude man was zóó gelukkig door wat hij hoorde. Hij kon
onmogelijk zwijgen.
„Ja, dàt is waar, lieve mijnheer de Proost, dàt is waar. Ze waren
allemaal prachtige kerels, Wennervik en zijn zoon en hier Erik Gustaaf
ook!”
Hij strekte de hand uit, legde die op Luitenant Lagerlöf’s schouder, en
streelde zijn arm. Hij was zoo gelukkig, dat zijn gezicht straalde.
Nog één keer verhief de Proost zijn stem:
„Je moet zwijgen, Bengt, als ik spreek,” zei hij.
„Ja zeker,” zei de oude. „Daar hebt u gelijk aan. Elk woord, wat
mijnheer de Proost zegt, is waarachtig en waar.”
Nu speelde er een glimlach om den mond van den Proost.
„Met jou is niets te beginnen, Bengt,” zei hij. „Je hoeft geen
toespraak aan te hooren. Hier heb je je medaille. Draag die nu in eer
en gezondheid, nog veel jaren lang!”
Met die woorden ging hij naar het bed en legde de medaille op ’t
Zondagsche hemd van den ouden man.
Aan tafel op Mårbacka was ’t alsof de Proost wat in gedachten zat.
„’t Is me nog nooit gebeurd, dat ik van de wijs raakte,” zei hij. „Maar
een mensch moet van alles doormaken in deze wereld.”