DE LANDWEERMANNEN.

In 1810, toen Grootmoeder een paar jaar getrouwd was, en een paar

kleine kinderen had, zat zij op een avond voor ’t venster aan de

Oostzij, in ’t keukenkamertje. De schemering was gevallen, zoodat het

te donker was om te naaien, en omdat het al laat in Maart was en de

kaarsen bijna op waren, had zij haar breikous opgenomen, want breien

kon ze zelfs in ’t pikdonker.

Juist toen ze daar met haar werk zat, voelde ze, dat ze haar hoofd

moest opheffen en naar buiten zien. Toen kon ze haar oogen nauwelijks

gelooven. Nog kort geleden was het stil en helder, en nu was ’t volle

sneeuwstorm buiten. De sneeuw viel zóó dicht, dat ze maar even den

vuurgloed door het venster van de knechtenkamer kon zien, die ze vlak

vóór zich had. De wind had zoo’n kracht, dat de sneeuw tegen de

vensters kletterde, en in ’t korte oogenblik, dat ze daar gezeten had,

was er al zóóveel sneeuw door den storm opgejaagd, dat die struiken en

hekken had bedolven.

Het duister was snel toegenomen, sinds ’t stormweer was gekomen, maar

ze kon toch zien, dat verscheiden groote dieren door de sneeuwhoopen

naar de plaats achter op de hoeve renden. Ze begreep dadelijk wat soort

dieren dat waren.

„Als de meisjes nu maar oppassen, en geen brandhout gaan halen,” dacht

ze, „want het zijn de grauwpooten, die van avond er op uit zijn.”

Onmiddellijk daarna hoorde ze een schreeuw, en zag een wolf voorbij

haar venster sluipen, op zijn terugweg van de plaats achter op de

hoeve. Hij had iets in den bek, dat zich verweerde. Ze vond, dat het op

een kind leek, maar wat kan dat voor een kind zijn? Ze had immers haar

beide kleintjes bij zich, en andere kinderen waren er op de hoeve niet.

Vlak achter dien eersten wolf kwam een tweede en die had ook een kind

in den bek.

Toen kon Grootmoeder niet stil blijven zitten. Ze sprong zoo snel op,

dat haar stoel omviel, vloog naar de keuken en verder de keukendeur

uit, naar buiten. Maar daar bleef ze staan. Voor haar lag de heldere,

stille, liefelijke lentenacht. Niets was er te zien van een

sneeuwstorm, en niets van wolven. Ze moest bij ’t breien zijn

ingeslapen, en wat ze gezien had, was niet anders dan een droom

geweest.

Maar Grootmoeder begreep, dat hier ernst achter school. „We moeten goed

op de kleintjes letten,” zei ze tegen de dienstboden.

„Dit was geen droom; ’t was een waarschuwing.”

Maar er overkwam den kinderen niets ernstigs, zij groeiden op en

tierden, en ’t gezicht, of de droom—of wat het nu wezen mocht—was bijna

vergeten, zooals zooveel van dien aard.

Tegen ’t eind van Augustus kwam een troep arme landweermannen Mårbacka

binnenloopen. Ze waren in lompen gekleed, hongerig en ziek; ze waren

mager als skeletten en hun oogen waren als die van wilde dieren. Allen

zagen ze er uit als ten doode opgeschreven.

Zij vertelden, dat ze van Fryksände en andere gemeenten in ’t noorden

van ’t Fryksdal kwamen. Maar nu ze dicht bij huis waren, voelden ze

zich niet blij, maar vreesden, dat hun naaste betrekkingen hen niet

zouden willen erkennen. Twee jaar geleden waren ze uitgetrokken als

flinke en sterke mannen. Wat zouden de menschen thuis zeggen, als ze

zóó ellendig terugkwamen, dat ze nergens voor deugden dan om onder den

grond gestopt te worden op het kerkhof. In den oorlog waren ze niet

geweest: ze waren enkel maar heen en weer getrokken in vocht en honger.

Gevechten hadden ze nooit gezien: ze hadden alleen met ziekte en

ontbering gevochten.

Toen ze uittrokken, waren er vele duizenden geweest, maar ’t eene

duizendtal na ’t andere was omgekomen. Zij vertelden, dat zeer velen

van hen aan ’t roeien waren gezet, in open pramen, op de woeste zee,

midden in den winter. Hoe die tocht gegaan was, wist niemand, maar toen

de pramen aan land dreven, had de bemanning dood aan de riemen gezeten,

met ijs bedekt en bevroren.

Zij, die nog leefden, probeerden nu naar huis te komen, maar het was

hun meermalen op die reis overkomen, dat ze met steenworpen verdreven

waren uit de dorpen en van de hoeven, die ze genaderd waren.

Wat ze ’t meest betreurden, was dat ze niet in den oorlog gestorven en

doodgeschoten waren, maar zich door ’t leven moesten voortsleepen onder

eindeloos lijden.

Ze wisten wel hoe ze waren, vol ongedierte, stinkend van ’t vuil en

akelig om te zien. Toen ze op Mårbacka aankwamen, vroegen ze niet om

een bed of een onderdak. Ze bedelden maar om een paar bossen stroo en

een droogen heuvel om daar te mogen liggen.

Op Mårbacka ontving men de arme krijgers niet met steenworpen.

Grootvader was niet thuis, maar Grootmoeder stond hun toe een kamp op

te slaan op de plaats achter op de hoeve binnen het hek. Pap en brei

kookten ze voor hen in groote ketels, en alles wat ze aan kleeren

konden missen werd hun gebracht.

De menschen op de hoeve kwamen aanhoudend bijeen om hun kamp om hun

verhalen te hooren van wat ze hadden beleefd. Maar niet allen konden

spreken. Velen van hen waren zóó suf, dat ze niet antwoordden, als ze

werden toegesproken. Ze schenen niet recht meer te weten wie ze waren

en waar ze heen wilden.

’t Was zóó vreemd met deze mannen, dat ze zóó veranderd waren, dat het

gerucht ver in ’t rond drong, en de menschen kwamen van heel ver om hen

te zien.

„Die daar,” zei een vreemde, die de arme zwervers lang had staan

aanzien, „die daar zeggen ze, dat een zoon van Göran Persa in Torsby

is. Maar ik ken den zoon van Göran Persa. Dat was een flinke jongen.

Hij lijkt er geen haar op.”

Op een dag kwam een arme weduwe aan. Ze was uit een klein gehuchtje,

ver in ’t noorden, waar ze haar onderhoud vond in harden strijd met

nood en honger.

„Is er iemand onder jelui, die Börje Knutsson heet?” vroeg ze, toen ze

een poosje de zieke krijgslieden had staan aanzien.

In de heele troep was niemand, die antwoordde. De mannen zaten op den

grond, met de beenen hoog opgetrokken en steunden de kin op de knieën.

Zoo zaten ze graag uren achtereen, zonder zich te verroeren.

„Als hier iemand is, die Börje Knutsson heet, moet hij zich bekend

maken, want hij is mijn zoon,” zei de vrouw.

Niemand van die ellendige stumpers zei een woord of verroerde zich. Zij

zagen zelfs niet naar haar op.

„Ik heb elken dag geschreid, sinds hij wegging,” zei de arme weduwe,

„als hij hier is, kan hij wel opstaan en ’t mij zeggen, want ik kan hem

niet herkennen.”

Maar alles bleef even stil, en de vrouw ging langzaam heen.

’t Eerste mensch, die ze tegenkwam, vertelde ze wat haar gebeurd was.

En toen was ze kalm en bijna blij.

„Ik dacht tot nu toe, dat ik krankzinnig zou worden, als mijn zoon niet

terugkwam,” zei ze. „Maar nu dank ik God, dat hij niet onder die

geraamten daar was.”

De landweermannen rustten een heele week op Mårbacka uit. Toen trokken

ze verder naar het Noorden, een beetje versterkt en verkwikt.

Maar zij lieten de roodvonk achter. Allen op de hoeve werden ernstig

ziek; maar niemand stierf, behalve Grootmoeder’s beide kleine

kindertjes. Zij waren te jong om de ziekte te weerstaan.

Toen de kinderen in de kistjes werden gelegd, dacht Grootmoeder: „Als

ik had gedaan, als de anderen—als ik die menschen niet ontvangen had,

maar ze met steenworpen weggejaagd, dan waren mijn kindertjes nog in

leven.”

Maar juist toen ze zoo dacht, herinnerde ze zich dat visioen op dien

lenteavond: de beide wolven en de kinderen, die ze wegsleepten.

„Onze lieve Heer heeft geen schuld,” dacht ze, „Hij heeft mij

gewaarschuwd.”

De kinderen waren immers niet gestorven, omdat zij barmhartig was

geweest, maar omdat ze niet zorgvuldig genoeg was geweest om ze voor

besmetting te bewaren.

Als ze er over dacht hoe het ten slotte haar eigen schuld was, dat haar

kinderen dood en weg waren, werd de smart haar te machtig. „Dat kom ik

nooit te boven,” dacht ze. „Ik word nooit meer een gewoon mensch!”

Wat haar wanhoop nog vergrootte, was de angst hoe haar man het verlies

van de kleintjes zou opnemen; hij was al verscheiden maanden niet thuis

geweest. De melancholie had zeker weer macht over hem, zoodat hij niet

thuis durfde komen. Waar hij nu was, wist zij niet. Ze kon hem niet

eens bericht zenden om hem te laten weten, wat er was gebeurd.

Nu zou hij zeker denken, dat dit een straf van God was, omdat zij

getrouwd waren. Misschien zou hij wel nooit bij haar terugkomen.

Maar nu wist ze ook niet meer of hij ongelijk had. ’t Was misschien

maar ’t best, dat ze elkaar nooit meer terug zagen.

Allen op de hoeve zagen met angst hoe bedroefd ze was, en wisten niet

hoe ze haar zouden kunnen helpen.

Maar lange Bengt, de knecht, die de oudste van allen was, durfde wel

wat op eigen verantwoording doen, en hij ging weer eens op reis naar

Kymsberg om uit te vinden waar de huisvader was.

Dezen keer was lange Bengt binnen twee dagen terug. Hij had Grootvader

gevonden en zijn boodschap gebracht; maar nauwelijks had hij

uitgesproken of zijn heer had een versch paard voor de sjees laten

zetten en toen waren ze zonder te rusten den heelen nacht door gereden,

zoodat zij al den volgenden morgen op Mårbacka aankwamen.

Nu was de man niet stug en stijf, toen hij thuis kwam. Hij nam zijn

vrouw met teere liefde in zijn armen en droogde haar tranen en troostte

haar met de zachtste woorden.

’t Was alsof hij eerst nu hij haar radeloos en vol rouw zag, haar heel

zijn groote liefde kon toonen.

Ze kon niet anders dan verwonderd zijn.

„En ik dacht, dat ik je nu ook zou verliezen,” zei ze.

„Neen, zoo ben ik niet, dat iemand mij door droefheid verliest,”

antwoordde hij. „Meende je dan, dat ik je zou verlaten, omdat je al te

barmhartig was geweest?”

Op dat oogenblik meende zij, dat ze hem beter begreep dan ooit te

voren.

In vreugde en in rustige dagen, dàn wist ze, dat ze op zichzelf moest

vertrouwen, en dat kon ze ook wel. Maar in smart en nood en in ernstige

tijden zou hij altijd aan haar zij staan en haar steun en beschermer

wezen.

Mårbacka(#76129) · 第 8 / 23 题