De bewoners van Mårbacka waren nog altijd op reis. Maar nu zaten zij
niet langer in de groote koets, maar waren aan boord van een mooie
stoomboot, die de Uddeholm heette.
Ze hadden den heelen dag in Karlstad doorgebracht met bezoeken aan
familieleden en ’t doen van inkoopen; en tegen den avond waren ze de
stad uitgereden en hadden lang staan wachten op een langen steiger, die
recht in het groote Weenermeer uitliep. En Back-Kajsa was dadelijk bang
geworden, omdat het meer aan den eenen kant in ’t geheel geen strand
had, zoodat het haar toescheen, dat daar het eind van de wereld was.
Wonderlijk was ’t geweest om te zien voor haar en de anderen hoe de
mooie witte boot juist uit dat strandlooze gedeelte was komen opduiken
en naar den steiger was gevaren om hen aan boord te nemen.
Back-Kajsa was meêgegaan, toen zij zag, dat de luitenant en zijn vrouw
en Juffrouw Lovisa, en Johan en Anna zonder de minste aarzeling over de
loopplank aan boord gingen. Ze geloofde wel, dat Luitenant Lagerlöf
zooveel geweten bezat, dat hij niet met opzet zijn kleine kinders aan
doodsgevaar zou blootstellen; maar hoe ’t gaan moest, als zij aan ’t
eind van de wereld kwamen, dat begreep zij ten minste niet.
Ze had graag op ’t dek willen blijven, om te zien of ’t water recht
naar beneden in een afgrond stortte, of waar het heen liep.
Maar zoodra het begon donker te worden, werden alle vrouwen en kinderen
verzocht naar beneden, onder het dek te gaan. Ze werden in een vertrek
gebracht, dat een hut werd genoemd en dat het kleinste kamertje was,
dat ze ooit gezien hadden; en daar begonnen ze zich voor den nacht
gereed te maken.
Op een smalle sofa, die den heelen langen wand innam, lag Mevrouw
Lagerlöf—heelemaal gekleed—en vlak over haar op een zelfde soort sofa
lag Juffrouw Lovisa. Boven Mevrouw Lagerlöf lag Johan op een soort
plankje, en op precies zoo’n plankje lag Anna boven Juffrouw Lovisa. Op
den vloer tusschen de sofa’s in lag Back-Kajsa op een deken met het
zieke meisje naast zich, en daarmeê was het heele kamertje vol, zoodat
er niet het kleinste plekje meer over was om te zitten, te liggen, of
zelfs maar te loopen.
’t Licht was uitgegaan; allen hadden goeden nacht gezegd en zich
neergelegd om te slapen. Een heele poos was het doodstil en rustig
geweest. Maar zoo langzamerhand begon de vloer, waar Back-Kajsa en ’t
kind lagen, op een wonderlijke manier op en neer te gaan, en ’t
kleintje rolde als een bal eerst naar de sofa van Mevrouw Lagerlöf en
dan weer terug naar Back-Kajsa. Dat was alleen maar grappig en ’t
hinderde ’t kleine meisje heelemaal niet. Ze kon alleen niet begrijpen,
waarom de vloer zich niet stil hield.
Na een poosje hoorde ze, dat haar mama en tante Lovisa met elkaar
begonnen te fluisteren.
„Ik heb zeker te veel van dien vetten zalm gegeten bij de Sjösteds,”
zei Mevrouw Lagerlöf.
„Ik vond, dat ze een heel verkeerd maal hadden gekozen. Ze wisten toch,
dat we over ’t Weenermeer moesten,” zei Juffrouw Lovisa.
„Ja, dat Weenermeer is niet zoo best,” zei Mevrouw Lagerlöf met een
zucht.
Ook Back-Kajsa begon te fluisteren.
„Zeg u eens, Mevrouw,” vroeg ze, „zijn we nu daar gekomen, waar het
meer ophoudt, en ’t water in den afgrond valt?”
„Lieve mensch! ’t meer houdt den heelen nacht niet op,” antwoordde
Mevrouw Lagerlöf, die niet begreep wat ze bedoelde.
’t Werd weer stil; maar niet rustig. De vloer ging op en neer en ’t
kleine meisje rolde steeds heel genoeglijk heen en weer.
Nu streek Mevrouw Lagerlöf een zwavelstok aan en stak licht aan.
„Ik moet eens zien of de kinderen wel op die plankjes kunnen blijven
liggen,” zei ze.
„Goddank, dat je licht maakte,” zei Tante Lovisa. „Er is immers geen
denken aan slapen.”
„Voelen Mevrouw en Juffrouw Lovisa niet, dat we al verder en verder
naar beneden gaan?” jammerde Back-Kajsa. „Och, hoe komen we ooit weer
uit die diepte, hoe komen we ooit weer thuis!”
„Wat bedoelt ze toch?” vroeg Juffrouw Lovisa haar schoonzuster.
„Ze zegt, dat we aan de uiterste grens gekomen zijn,” antwoordde
Mevrouw Lagerlöf, die er even weinig van begreep.
Weer lagen ze stil, ieder in zijn eigen gedachten verdiept. ’t Kleine
meisje had een gevoel, dat ze bang waren. Zelf had ze het uitstekend.
’t Was alsof ze in een groote wieg lag.
Maar nu was er iemand bij de deur. Een rood gordijn werd op zij
geschoven, en Luitenant Lagerlöf stond lachend in de open deur en keek
in de hut.
„Hoe is het, Gustaaf? Komt er storm?” vroeg Mevrouw Lagerlöf snel.
„Zoo! zijn jelui wakker?” zei Luitenant Lagerlöf. „Ja, ’t waait een
beetje,” gaf hij geruststellend toe. „De kapitein vond, dat ik eens
naar beneden moest gaan en zeggen, dat het niet erger zal worden dan
nu.”
„Wat ga je doen?” vroeg Tante Lovisa. „Ga je niet liggen?”
„Waar vind je, dat ik moest gaan liggen, lieve Lovisa?” vroeg Luitenant
Lagerlöf.
En er was zooiets trouwhartigs en oerkomieks over hem, zooals hij daar
stond rond te zien naar een ligplaats in die overvolle hut, dat ze
allen begonnen te lachen. Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa, die zoo
pas nog angstig en een beetje zeeziek waren, gingen overeind zitten om
beter te kunnen lachen, Johan en Anna lachten daar boven op hun
plankjes, zoodat ze er bijna afrolden; Back-Kajsa vergat, dat ze gauw
bij die gevaarlijke plek zouden komen, waar ’t meer ophield, en lachte
meê en ’t kleintje naast haar schaterde het uit.
Luitenant Lagerlöf schaterde zelden, maar hij stond heel vergenoegd in
de deur. Verder kon hij immers niet komen.
„Nu, ik zie, dat jelui ’t nog al goed hebben,” zei hij, toen ze wat tot
rust waren gekomen.
„Ik ga maar weer naar boven, een praatje met den kapitein maken.”
Toen zei hij goeden nacht, en ging heen.
In de hut deden angst en gevoelens van zeeziekte weer hun intocht en
Mevrouw Lagerlöf deed weer vergeefsche pogingen om Back-Kajsa gerust te
stellen, die steeds verwachtte bij den afgrond te zullen komen. Maar
het kleine meisje moet ingeslapen zijn, want ze herinnerde zich niets
meer, van wat er dien nacht verder gebeurde.
’T GRAUWE EILAND.
Ze hadden geen zorgen voor ’t middagmaal, toen ze in Strömstad waren,
ze konden maar naar de markt gaan en koopen wat ze noodig hadden. Zij
hoefden niet ongerust te zijn of het gras voor de koeien wel goed was
of over de haver, die niet groeien wilde. Ze leefden tusschen kale
rotsen en water en hadden vergeten, dat er akkers en weiden in de
wereld waren. Ze hoefden niet in de warme keuken te staan om een
feestmaal voor gasten te bereiden, die van verre kwamen, of zich het
hoofd te breken met de vraag hoe ze met logeerkamers en beddegoed
zouden toekomen. Of ’t vee ziek was, of de huishoudster met de
dienstmeisjes kibbelde—zij wisten er niets van. Zij trokken vrij en
frank rond en mochten voor hun gezondheid zorgen en zonder angst of
bekommeringen voor hun genoegen leven.
Nooit hadden zij zulke goede dagen gehad. Mevrouw Lagerlöf, die wat
mager en uitgeteerd in Strömstad was gekomen, werd gevulder en kreeg
meer kleur. Zij zag er opeens tien jaar jonger uit en zoo voelde zij
zich ook. Juffrouw Lovisa, die dik en zwaar was en zoo verlegen, dat
zij liever haar mond niet open deed, waar vreemden bij waren, werd
magerder, zag er aantrekkelijker uit en werd gemakkelijker in den
omgang.
Johan en Anna kregen veel vriendjes onder de kleine kinders in
Strömstad en Johan was zóó verrukt over het krabben visschen, en Anna
was er zoo gelukkig meê, dat ze vriendschap gesloten had met een paar
kleine meisjes, die dochters van den koekenbakker waren en vaak op
ulevellen tracteerden, dat zij verklaarden, dat ze heelemaal niet naar
huis wilden.
Wat het kleine, zieke meisje betrof, kon men niet merken, dat zij beter
en sterker werd, maar dat trok zij zich in ’t geheel niet aan; ze was
even gelukkig als alle anderen. Zij had het volkomen naar haar zin.
Back-Kajsa en zij waren weer onafscheidelijk. Zij mocht over haar den
baas spelen en werd door haar verwend, zooals in de eerste
onvergetelijke dagen van haar ziekte.
Maar wie het ’t allerbeste had—dat was toch Luitenant Lagerlöf. Wel
kreeg hij de eerste week veel strenge blikken en onvriendelijke
antwoorden, als hij met iedereen, die hij tegenkwam, begon te praten,
juist zooals hij op den weg in de buurt van Mårbacka deed. Maar hij
liet zich niet afschrikken. Het was zijn eer te na, dat hij geen goede
vrienden met de bewoners van Strömstad zou worden. En op den duur
konden zij hem ook niet weerstaan. Er ging een glimlach over ’t gezicht
van de stugge stoere vrouwen, als hij ze op straat ontmoette, want hij
was bij haar in haar huisjes geweest, had naar haar man gevraagd, haar
kinderen geprezen en zich op koffie laten tracteeren. Een heele bende
kleine jongens liep hem meestal na, omdat zij ontdekt hadden, dat hij
altijd den zak vol kopergeld had. Met de visschers was ’t hem gelukt
zulke goede vrienden te worden, dat nu de een, dan de ander hem vroeg,
of hij niet meê wou uitzeilen om makreel te vangen. Alle oude
gepensionneerde zeekapiteins, die zich thuis zaten te vervelen en naar
zee verlangden, noodigden hem op grog in hun kleine waranda’s, en
vertelden hem van hun vroegere avonturen en doorgestane gevaren.
Luitenant Lagerlöf hield van de menschen en wilde weten hoe ze leefden
in deze streek, en hij had niet ’t minste respect voor standsverschil.
Nooit ontbrak het hem aan een onderwerp voor een gesprek, en hij zag er
zoo goedhartig en vriendelijk uit, dat het waarlijk geen wonder was,
dat de menschen in Strömstad van hem hielden.
Maar niemand moet denken, dat hij zich van zijn macht niet bewust was.
Het was de bewoners van Mårbacka met alles meêgeloopen op deze reis.
Onder anderen hadden ze goede oude vrienden uit Wermeland ontmoet, waar
ze dagelijks meê samen waren. Dat was een Dr. Tobiaeson met zijn vrouw
en twee zusters, en een ongetrouwde Dr. Lundström, die tot hun
vriendenkring hoorde.
Met deze menschen samen huurden zij een boot, en iederen dag of om den
anderen dag maakten zij lange zeiltochten. Die tochten vonden de
kinderen heerlijk. Dan vertelde Luitenant Lagerlöf gewoonlijk van al
het grappige, wat de menschen in Strömstad tegen hem zeiden. Zij
hoorden van menschen, die hem een onvriendelijk antwoord hadden
gegeven, en van anderen, die hadden gezegd, dat het zonde en jammer
was, dat een man als hij geen schipper was geworden. Dan waren er ook
meestal een paar groote hengselmanden aan boord, en als het gezelschap
het zeilen moe was, gingen zij gewoonlijk aan land en hielden feest op
een of ander rotsachtig eilandje. Dan gingen de kleintjes schelpjes
zoeken. Zulke als hier hadden ze nog nooit gezien; ze waren er verbaasd
over, dat ze zooveel konden oprapen als ze wilden, van zulke schatten;
ze waren er even verrukt over als over de bloemen en dieren op ’t veld.
Ze waren op een van die zeiltochten. ’t Was mooi weer, er stond juist
genoeg wind; de hengselmanden waren in de boot. Luitenant Lagerlöf was
vol verhalen en allen hoopten op een prettigen avond.
In een ongelukkig oogenblik merkte een van allen op, dat ze nog niet
aan land waren geweest op een klein eiland, vlak buiten Strömstad, dat
het grauwe eiland werd genoemd en dadelijk werd er besloten, dat zij na
den zeiltocht daar zouden aanleggen en hun klein gastmaal daar houden.
Nu was het zoo, dat voor eenige honderden jaren op dat grauwe eiland de
beruchte heks de grijze Tita woonde, die machtiger was dan de Booze
zelf; en zoo lang zij leefde, stond zij niemand toe op het eiland aan
land te gaan. Als iemand dat probeerde, kreeg hij dadelijk een ongeluk,
brak een arm of een been, of rolde langs de steile rotswanden naar
beneden in zee.
Nu de grijze Tita al lang dood en weg was, kon het toch niet gevaarlijk
zijn naar het grauwe eiland te gaan, maar de schipper waarschuwde hen
er toch voor. ’t Vorige voorjaar was hij met een paar andere mannen
dwars over het eiland geloopen, en een van hen was in een kloof
gevallen en had zijn been gebroken, eer ze er vandaan kwamen.
Maar dat maakte het eiland nog bekoorlijker voor de reizigers. Zij
verlangden des te meer op het grauwe eiland te komen.
De boot laveerde op het eiland toe en gleed onder tegen den rotswand
aan. De schipper zocht naar een geschikte landingsplaats.
Op dat oogenblik trok Anna haar moeder aan den arm.
„Mama!” zei ze. „Selma schreit.”
En dat was werkelijk waar. ’t Zieke meisje zat te schreien. Ze was tot
nu toe nog niet bang geweest. Ze had het even prettig gevonden als de
anderen om op het grauwe eiland aan land te gaan, maar nu ze bij den
rotswand waren gekomen, zag die er zoo donker en griezelig uit. Anders
was er niet. Ze schrikte alleen van den rotswand.
De anderen vroegen haar, waarom ze schreide, maar ze wilde niets
zeggen. Ze kon toch niet vertellen, dat ze bang was voor een rotswand.
Maar al gauw hield het vragen op, omdat de schipper een landingsplaats
had gevonden en allen iets anders kregen om aan te denken.
Zoodra de boot aanlag, stond Dr. Lundström uit Filipstad op en sprong
met den tros aan land. Maar juist, alsof er een onzichtbaar wezen aan
den wal stond en hem een stoot voor de borst gaf, stoof hij achteruit
en viel van den steen, waarop hij stond, regelrecht naar beneden in
zee.
Verbazing, schrik, allerlei uitroepen! Maar de angst duurde niet lang.
De schipper reikte, vlug als een visschende meeuw over de reling, pakte
den jaskraag van den langen dokter en trok hem op uit het water,
druipnat, maar volkomen ongedeerd.
Natuurlijk waren allen hevig ontroerd door het schrikkelijk gezicht:
een man regelrecht in de levensgevaarlijke diepte te zien vallen.
Hoewel het gevaar voorbij was, konden zij niet meer in hun vorige
luchthartige stemming komen.
Dr. Lundström zelf stelde voor, dat het heele gezelschap aan land zou
gaan, zoodat hij naar Strömstad terug kon varen en zich verkleeden. Dat
was immers niet zoo ver, en wanneer zij maar wilden, kon de boot
terugkomen om hen te halen.
Maar dat wilden ze niet. Zij hadden genoeg van het grauwe eiland.
Niemand had lust op dien steilen steenen oever aan land te gaan, of
naar boven te klauteren langs dien dreigenden rotswand.
Men zeilde dus naar Strömstad terug, en allen zaten er over na te
denken of er toch iets van waar was—van die oude verhalen. Was dat niet
vreemd? Zij waren bijna op alle eilanden in de scheren bij Strömstad
geweest en alles was goed gegaan.
„Ik vond het griezelig, dat het kind begon te schreien,” zei een van de
dames Tobiaeson. „Toen begreep ik, dat er iets zou gebeuren.”
„Ja, wat zegt nu Luitenant Lagerlöf hiervan?” vroeg haar zuster en
wendde zich tot hem.
„Wat ik zeg?” antwoordde hij. „Ik zeg, dat het wel niet anders kon
gaan, toen we zoo’n schoolmeester aan land stuurden. Hij was geen man
voor de grijze Tita.”
„U meent,” zei juffrouw Tobiaeson, „dat als we een ander hadden
gestuurd—als u zelf aan land was gesprongen, dan zouden we beter
ontvangen zijn?”
„Ja, natuurlijk meen ik dat,” zei Luitenant Lagerlöf.
Lieve hemel, wat lachten zij! De sombere stemming in de boot was op
eens weg. Zij stelden zich de ontmoeting tusschen Luitenant Lagerlöf en
de grijze Tita voor.
Ja, ja—hij wist wel, dat hij onweerstaanbaar was.
Lieve hemel, wat lachten zij!