DE REIS NAAR KARLSTAD.

Back-Kajsa en haar beschermeling waren op reis. Ze zaten op den bok van

de groote koets naast den staljongen Magnus, die zóó onder den indruk

was van de verantwoording, die het rijden met drie paarden op den

bitter slechten weg naar Karlstad meêbracht, dat hij geen woord kon

zeggen.

Binnen in het rijtuig zat Mevrouw Louise Lagerlöf en Juffrouw Lovisa

Lagerlöf. Zij reden vooruit, en tegenover hen zaten Johan en Anna. ’t

Was oneindig prettiger op den bok te zitten en naar de paarden te

kijken, dan opgesloten te zitten op deze reis, en Johan had wel graag

naast den koetsier willen zitten, maar Mevrouw Lagerlöf had gezegd, dat

er heelemaal geen plaats was voor Back-Kajsa op de achterbank en Selma

moest natuurlijk bij Back-Kajsa zitten. Luitenant Lagerlöf ging ook meê

op reis; maar hij reed alleen voor de anderen uit in zijn kleine

kariool.

’t Was nu een jaar geleden, dat het been van het kleine meisje ziek

geworden was en zij kon er nog altijd niet op staan. Nu was het de

bedoeling een ernstige poging te doen voor haar herstel, door met haar

naar de Westkust te gaan. Zij was de eenige zieke in ’t reisgezelschap,

maar een zomer baden te nemen kon voor allen goed zijn.

Zij zelf had haar heele ziekte vergeten, toen zij daar op den bok zat.

Zij dacht aan niets anders, dan dat zij met Back-Kajsa samen wegreed en

dat het kleintje thuis bleef. En nu verwachtte ze, dat die gelukkige

dagen uit het verleden, die ze nooit vergeten had, weer terug zouden

komen.

Ze drukte zich dicht tegen Back-Kajsa aan, sloeg de armen om haar hals

en vroeg haar telkens of ze er niet blij om was, dat zij beiden nu

ongestoord samen zouden zijn.

Back-Kajsa antwoordde niet; maar daar lette ze niet op: Back-Kajsa zei

nooit heel veel.

De groote weg naar Karlstad was dien tijd, juist als nu bijzonder rijk

aan heuvels. Daar was de hoekige Bäviksheuvel en de Gunnar stadsheuvel,

die een halve mijl lang was en de heuvel naar den Sundgårdsberg, die

ontzettend steil was en daar was de Kleva, die de gevaarlijkste van

allen was, omdat die aan een afgrond lag; die was zóó hoog, dat ’t was

alsof men tusschen hemel en aarde reed. Luitenant Lagerlöf had drie

paarden voor den wagen laten zetten, opdat de tocht gemakkelijker zou

gaan; maar aan dezen maatregel waren de koetsier noch de paarden

gewend.

Als iets nog de vreugde van ’t kleine meisje, omdat ze Back-Kajsa nu

heelemaal alleen had, kon verhoogen, dan was het wel, dat ze met haar

op den bok mocht zitten, en naar de drie onstuimige paarden kijken, die

den zwaren wagen als speelgoed voorttrokken en zoo snel een hoek

omsloegen, dat het rijtuig op twee wielen stond. ’t Ging telkens weer

anders; nu eens stonden de paarden met stijve pooten en gleden op de

gewrichten aan de achterpooten den heuvel af, dan weer, als de helling

al te steil was, moest Magnus opstaan en de zweep fel over de paarden

leggen om er hen toe te brengen hard te loopen, zoodat ze den hoogen

wagen niet over zich heen zouden krijgen.

Midden op zulk een heerlijke helling wendde het kleine meisje zich weer

tot het kindermeisje: „Ben je niet blij, dat je met mij alleen ben,

Back-Kajsa? Ben je niet blij, dat het kleintje niet meeging?”

Ook nu kwam er geen antwoord, en toen ze verwonderd omkeek, zoodat ze

het kindermeisje kon aanzien, zag ze dat Back-Kajsa met strakke oogen

zat te staren, vaalbleek, de lippen op elkaar gedrukt en zich stijf aan

den bok vasthield.

„Ben je niet blij, Back-Kajsa?” zei het meisje. Maar ze zag op ’t

zelfde oogenblik, dat Back-Kajsa heelemaal niet blij was; en dat was

voor haar zoo’n teleurstelling, dat ze bijna begon te schreien.

Maar nu antwoordde Back-Kajsa eindelijk.

„Stil, Selma. Je moet niet praten, als je midden in zoo’n gevaar bent.

Nooit heb ik iets ergers beleefd; en als ’t niet om jou was zou ik al

lang uitgestapt zijn.”

’t Kleine meisje bleef stil over dit antwoord nadenken. Zij was nooit

bang, als ze bij Back-Kajsa was. Ze vond, dat Back-Kajsa ook niet bang

moest wezen, als ze bij haar was. ’t Was mooi van haar, dat ze niet

uitstapte en naar huis ging; maar ’t zou nog mooier zijn geweest, als

ze zóó blij geweest was, dat ze geen angst voelde.

Mårbacka(#76129) · 第 4 / 23 题