Ze woonden in een klein, klein huisje heel in ’t begin van de
Karlstraat, en zij voelden zich daar zoo thuis, dat Luitenant Lagerlöf
en de kinderen overeenkwamen het „klein Mårbacka” te noemen. Dat was
wel de hoogste eeretitel, die een huis in een vreemde stad ooit kon
krijgen.
Voor het huisje was een tuintje met een veld, ingesloten door een
rustiek hek, en onder de lommerrijke boomen op het veld ontbeten ze
gewoonlijk en gebruikten er het avondeten, dat thuis gebruikt werd.
Achter het huis was nog een stukje grond met een paar aardappelveldjes
en daar boven, dicht bij den steilen berg, lag een hutje, dat niet veel
grooter was dan de hut op de „Uddeholm”. In dat hutje woonde hun
gastvrouw, de vrouw van Kapitein Strömberg.
Zij hadden ontdekt, dat de kapteinsche ’s winters zelf in het groote
huis woonde, maar ’s zomers verhuurde zij het aan badgasten en
verhuisde zelf naar dat kleine kajuitje. Daar zat ze van den morgen tot
den avond, met groote bloeiende oleanders om zich heen, en alle tafels
en plankjes waren vol merkwaardige dingen uit vreemde landen, die
Kapitein Strömberg had meêgebracht.
Als Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw Lovisa op koffievisite gingen bij hun
vrienden, en Luitenant Lagerlöf uitgezeild was om makreel te vangen, en
Anna bij de dochters van den koekenbakker was, en Johan bij de krabben,
dan nam Back-Kajsa haar kleine meisje op den arm en ging naar Mevrouw
Strömberg in het kleine kajuitje.
Zij was een bijzonder goede vriendin van hen. ’t Was even gezellig bij
haar onder den oleander te zitten, als bij Grootmoeder op de sofa in
den hoek op Mårbacka. Mevrouw Strömberg kon geen verhalen vertellen,
maar zij had veel zonderlinge dingen om hen te laten zien. Groote
schelpen vol geluid, die gonsden, als je ze tegen de ooren hieldt,
porseleinen mannetjes met lange staartpruiken en lange knevels, die uit
China moesten gekomen zijn, en twee reuzengroote schalen, waarvan de
eene de dop van een struisvogelei was, en de andere die van een
kokosnoot.
Back-Kajsa en Mevrouw Strömberg spraken meestal over ernstige en
godsdienstige onderwerpen, die het kind niet begreep; maar nu en dan
kwam het gesprek op eenvoudiger dingen. Mevrouw Strömberg vertelde van
haar man en zijn reizen. Zij hoorden, dat hij een groot, mooi schip
had, dat „de Jakob” heette en dat hij nu juist een reis deed naar St.
Ybis in Portugal, om zout te halen.
Back-Kajsa verwonderde er zich over dat Mevrouw Strömberg een oogenblik
rust kon hebben, als ze wist, dat haar man ronddreef op die
verschrikkelijke zee. Maar Mevrouw Strömberg antwoordde, dat er Een
was, die haar man beschermde. Ze was niet meer bezorgd over hem, als
hij aan boord was van zijn schip, dan wanneer hij thuis in de straten
van Strömstad liep.
Dadelijk daarna wendde zich de vriendelijke Mevrouw Strömberg tot het
kleine meisje en zei, dat ze hoopte, dat haar man gauw thuis zou komen,
want er was iets op de Jakob wat zij zeker graag zou willen zien. Daar
was een paradijsvogel.
’t Kind was dadelijk vol belangstelling.
„Wat is dat?” vroeg zij.
„Dat is een vogel uit het Paradijs,” antwoordde Mevrouw Strömberg.
„Je hebt Grootmoeder toch wel van ’t Paradijs hooren vertellen?” zei
Back-Kajsa.
Ja zeker, nu herinnerde zij ’t zich. Grootmoeder had haar van het
Paradijs verteld en ze had zich voorgesteld, dat het er daar uitzag als
in den kleinen rozentuin aan den westkant van Mårbacka. Op eens werd
het haar duidelijk, dat het Paradijs iets met God te maken had, en hoe
dat nu kwam—zij kreeg den indruk, dat hij, die den man van Mevrouw
Strömberg beschermde, zoodat ze even gerust over hem was, wanneer hij
aan boord was van de Jakob als wanneer hij thuis in Strömstad
wandelde—de paradijsvogel moest zijn.
Ze zou werkelijk héél graag dien vogel willen zien. Die zou haar
misschien kunnen helpen. Alle menschen vonden het immers zoo jammer
voor haar papa en mama, dat ze niet beter werd. Zoo’n dure reis als zij
hadden gedaan om harentwil!
Ze had heel graag Back-Kajsa of Mevrouw Strömberg willen vragen of ze
geloofden, dat de paradijsvogel iets voor haar zou willen doen, maar ze
was te verlegen. Ze was bang, dat ze haar zouden uitlachen.
Maar dat gesprek vergat ze niet. Elken dag verlangde ze, dat de Jakob
toch maar kwam, zoodat de paradijsvogel naar land zou kunnen vliegen.
Een paar dagen later hoorde ze, dat de Jakob werkelijk gekomen was.
Dat was een groote vreugd, maar ze sprak er met niemand over. Voor haar
was er iets heel plechtigs over dit alles. Ze herinnerde zich hoe
ernstig Grootmoeder was geweest toen ze van Adam en Eva vertelde. Ze
wilde tegen Anna en Johan niet zeggen, dat er aan boord van de Jakob
een vogel uit het Paradijs was en dat ze van plan was hem te vragen
haar beenen beter te maken. Neen, niet eens tegen Back-Kajsa.
’t Was vreemd, dat de vogel zich niet vertoonde. Telkens als ze bij
Mevrouw Strömberg binnenkwamen verwachtte zij dat hij in een oleander
zou zitten zingen. Maar hij was er niet.
Ze vroeg Back-Kajsa naar den vogel, maar die dacht, dat hij nog aan
boord van de Jakob was.
„Maar je zult hem gauw zien,” zei ze. „De luitenant heeft gezegd, dat
we morgen allemaal aan boord van de Jakob zullen gaan.”
Back-Kajsa had werkelijk gelijk. Nauwelijks was Kapitein Strömberg een
dag thuis geweest of hij en Luitenant Lagerlöf waren goede vrienden
geworden. De luitenant was verscheiden keeren op de Jakob geweest en
vond het daar heerlijk. Nu moest de heele familie er heen, om te zien
hoe prettig het daar was.
Toen ze van huis gingen, had zeker niemand van hen er zich goed in
gedacht wat het zeggen wilde, aan boord van de Jakob te komen. ’t
Kleine zieke meisje meende ten minste, dat die aan den steiger lag,
zooals de groote stoombooten.
Maar dat was zoo niet. De Jakob lag ver in zee en ze moesten in een
boot er heen roeien. En wonderlijk was ’t om te zien: hoe dichter ze
bij ’t schip kwamen, hoe hooger het werd. Eindelijk lag het daar, zoo
hoog als een berg, en ’t scheen heelemaal onmogelijk, dat zij, die in
dat kleine roeibootje zaten, daar aan boord zouden kunnen klauteren.
Tante Lovisa verklaarde dan ook, dat als ze naar die hooge schuit
moesten, dan kon zij niet aan boord komen.
„Wacht nu maar even, Lovisa,” zei de luitenant. „Je zult wel zien, dat
het beter gaat dan ze denkt.”
Maar Juffrouw Lovisa verzekerde, dat ze even goed zou kunnen probeeren
in de vlagstang op Loholm te klimmen. Zij vond, dat het ’t beste was
dadelijk om te keeren.
Mevrouw Lagerlöf en Back-Kajsa gaven haar gelijk en stemden voor
omkeeren en naar huis gaan.
Maar Luitenant Lagerlöf was koppig en zette door. Ze zouden wel aan
boord komen; daar was geen zorg voor. ’t Was misschien de eenige keer
in hun leven, dat ze konden zien hoe ’t er op een koopvaardijschip
uitzag, en die gelegenheid moesten ze niet voorbij laten gaan.
„Ja, als we aan boord komen, kunnen wij er nooit meer af,” zei Tante
Lovisa.
Ongeveer op de helft van hun tocht kwamen ze een boot tegen, vol
geladen met zakken.
„Zie je die boot daar?” zei Luitenant Lagerlöf tegen zijn zuster. „Weet
je wat er in die zakken zit?”
„Neen, lieve Gustaaf, hoe zou ik dat weten?” zei Juffrouw Lagerlöf.
„Nu, dat zijn zoutzakken van de Jakob,” vertelde haar broer. „Ze hebben
geen armen of beenen, maar als zij uit de schuit konden komen, zul jij
’t toch ook wel kunnen.”
„Ja, jij moest maar eens krinoline en lange rokken aantrekken, dan zou
je ook wel raar worden,” zei Juffrouw Lovisa.
Zoo plaagden ze elkaar een beetje op de heele reis. ’t Kleine meisje,
dat zoo graag den paradijsvogel wou zien, hoopte van ganscher harte,
dat haar vader Tante Lovisa en de anderen zou kunnen bewegen om aan
boord te gaan; maar zij vond ook, dat het onmogelijk scheen.
Toch legden ze aan onder den zwaaienden valreep, en een paar matrozen
van de Jakob sprongen naar beneden in de boot om hen bij het opklimmen
te helpen. De eerste, die ze aanpakten, was de kleine zieke. Een van
hen gaf haar aan een van de kameraden, die hooger stond dan hij, en die
droeg haar de ladder op en zette haar neer op het dek van de Jakob.
Daar verliet hij haar om de andere gasten te helpen en zij bleef alleen
staan.
Ze was verschrikt, want ze had maar een smallen rand van ’t dek om op
te staan. Voor haar gaapte een groot, wijd gat en diep daar beneden lag
iets wat sneeuwwit was en in zakken gedaan werd.
Ze bleef daar vrij lang alleen staan. Er moest daar beneden in de boot
iets zijn, dat het aan boord komen bemoeilijkte. Niemand verscheen, en
toen ze wat georiënteerd was, begon ze natuurlijk rond te zien naar den
paradijsvogel.
Ze keek naar boven in de takels en touwen. Ze had zich voorgesteld, dat
hij minstens zoo groot moest zijn als een kalkoen, zoodat het niet
moeilijk was hem in ’t oog te krijgen.
Maar toen ze geen vogel zag, wendde ze zich tot den kajuitsjongen van
Kapitein Strömberg, die in haar buurt stond, en vroeg waar de
paradijsvogel was.
„Ga maar meê, dan kun je hem zien,” zei hij. Hij gaf haar een hand,
opdat ze niet in het ruim zou vallen. Toen ging hij achteruit de
kajuitstrap af en zij volgde.
Beneden in de kajuit was het zoo mooi: het blonk er van glanzend
mahoniehout, aan de wanden en aan de meubels en daar was werkelijk de
paradijsvogel!
Die was nog wonderbaarlijker dan ze had gedacht. Die was niet levend,
maar stond daar toch midden op een tafel, mooi en gaaf, met al zijn
veeren.
Ze klauterde op een stoel en van daar op de tafel. En daar ging ze
naast den paradijsvogel zitten en verdiepte zich in zijn schoonheid. De
kajuitsjongen stond naast de tafel en wees haar op de lange
neerhangende veeren. En toen merkte hij op: „Kijk, je kunt wel zien,
dat hij uit het Paradijs komt. Hij heeft geen pooten.”
Dat paste goed in haar voorstelling van het Paradijs, dat men daar niet
hoefde te loopen, maar genoeg had aan een paar vleugels, en ze bekeek
den vogel met groote aandacht. Ze vouwde de handen, zooals ze ’s avonds
deed voor haar avondgebed. Ze had graag willen weten of de
kajuitsjongen wist, dat de vogel Kapitein Strömberg beschermde, maar ze
durfde het hem niet vragen.
Ze had daar den heelen dag kunnen zitten in haar groote verwondering,
maar ze werd gestoord door luide kreten op het dek. Dat klonk alsof
men: „Selma! Selma!” riep.
Dadelijk daarna kwamen zij haastig en opgewonden naar beneden in de
kajuit: Luitenant Lagerlöf en Back-Kajsa, Mevrouw Lagerlöf en Juffrouw
Lovisa, Kapitein Strömberg en Johan en Anna. Er waren zooveel menschen
dat de heele kajuit vol was.
„Hoe ben je hier gekomen?” vroegen ze en zagen er heelemaal verwonderd
en verbaasd uit.
En toen opeens dacht ze er zelf aan, dat ze had geloopen op het dek,
geloopen de trap af, geloopen in de kajuit en dat niemand haar gedragen
had.
„Kom nu van de tafel af,” zeiden ze, „dan kunnen we zien of je loopen
kunt.”
Ze kroop van de tafel op den stoel en van den stoel op den grond—en
toen ze daar aankwam kon ze staan en loopen.
Hoe blij, hoe gelukkig waren ze! Nu was immers het doel van de reis
bereikt; die dure onderneming was niet te vergeefs geweest. Het kindje
zou geen hulpelooze ongelukkige misdeelde worden, maar een gewoon
mensch!
Ze stonden bijeen met tranen in de oogen en spraken er over, dat de
heerlijke baden in Strömstad de beterschap hadden gebracht. En ze
prezen de frissche lucht, en de zee, en de heele stad, en waren zoo
blij, dat ze daar gekomen waren.
’t Kleine meisje dacht er het hare van. Ze vroeg zich af of de
paradijsvogel haar werkelijk geholpen had. Was het dat kleine wonder
met de trillende vleugels die uit het land kwam, waar men geen voeten
noodig had, dat haar had leeren loopen hier op deze wereld, waar het
zoo hoog noodig was?