van het kussen te trekken[17], zoodra ik mijnen aanstaanden val zou hebben
voorzien; doch er zijn noch /vaders/, noch /kinderen/ in de Fransche
beschaving. Ik was de knecht en zij de meesters. Zij hebben gegeten,
gedronken, gespeeld, gedanst, totdat alles op was; dan zijn zij immer in
hunne ondeugd voortgegaan, hebben schuld gemaakt en alles verkocht, wat ik
liggen of roeren had, mij voor gek en dom uitmakende en mij bespottende,
wanneer ik waagde hen met goede of kwade woorden toe te spreken. Vóór eene
maand hebben zij de maat hunner boosheid gevuld..... Zij hebben mij
geslagen, Van Roosemael, geslagen, dat het bloed mij over het aangezicht
liep.--Ik ben ziek geworden, en zij hebben mij zonder zorg laten liggen,
alsof zij om mijnen dood wenschten.....»
Hier zweeg Spinael; zijne stem had bij de laatste woorden eenen doffen toon
verkregen, die genoeg deed hooren, hoe het vertellen dier daad hem de borst
beneep. De winkelier zweeg insgelijks; hij kon niet gelooven wat hij
hoorde.
«En nu,» hernam Spinael, «nu mijn huis ledig is, alsof nooit iemand er had
in gewoond,--nu alles door hen is weggedragen, tot het deksel van mijn bed
toe, nu zijn zij vertrokken. Mijne dochter, die ik zoo zeer beminde en nog
bemin, ondanks haar misdadig gedrag, mijne Theresia loopt te Brussel met
eenen komediant..... Mijn zoon Jan, uw ongelukkig petekind, is terug naar
Parijs. Wat mij betreft, vriend Van Roosemael, ik moet het land uit: alwien
ik ontmoet, is mijn schuldeischer en beticht mij van bedrog en
aftruggelarij. Met het ongeluk is mij het gevoel van eer teruggekomen: ik
kan zóó niet leven..... En wat kan ik er aan doen? Niemand geeft mij te
werken, men weigert bij andere schoenmakersbazen mij als knecht aan te
nemen; ik heb geen eten, geen deksel op mijn bed, geene kleederen; mijn
huis is aan andere personen verhuurd, ik moet het overmorgen verlaten. O,
Van Roosemael, ik heb hoog willen vliegen en ben, eilaas, diep gevallen,
gij ziet het!»
Van Roosemael had met aandacht en met vochtig oog op het verhaal zijns
vriends geluisterd; nu deze gedaan had met spreken, riep hij bijna in
gramschap:
«Maar, Spinael, ik weet niet, waarom gij mij wilt verbergen, wat ik verlang
te weten! Gij zegt, dat gij het land uit moet; dit is mij niet zonneklaar
bewezen. Een echt vriend kan veel doen, als hij wil. Laat hooren, tot
hoeveel beloopt uwe schuld?»
«Ik begrijp u,» riep Spinael met bewondering uit, «maar ik zal het niet
lijden. Genoeg gelukkig ben ik, te zien dat er nog een mensch is, die mij
zijner hulp waardig acht. Laat mij vertrekken, Van Roosemael, ik zal werken
als een slaaf; en, kan ik alles, wat ik schuldig ben, toch niet betalen,
voordat ik de wereld verlate, zoo zal de goede wil mij niet ontbroken
hebben. Geef mij de hand als een troostend vaarwel, en bid somtijds voor
mijne kinderen, vriend!»
Eensklaps scheen de winkelier van zijn voornemen af te zien en stond van
zijnen stoel op, zeggende:
«Wilt gij niet, ik kan er niet aan doen; maar gij zult toch met mij den
wijn der goede reis drinken: ik heb nog een puik fleschken van het jaar Elf
in mijnen kelder. Zit neer, Spinael, geen moed verloren: er loopt op een
jaar zooveel water door de Schelde; een ongeluk is gauw gekomen, maar een
geluk komt ook onverwachts. God weet, gij moogt niet wanhopen. Zit neer!»
Met deze woorden liep hij naar den kelder en kwam weinige oogenblikken
daarna terug; hij plaatste twee romers op de tafel, schonk ze vol tot aan
den boord en sprak:
«Kom, Spinael, als gij dan toch vertrekken wilt, op uwe welvaart en
gezondheid! Een goed glas, niet waar? Nu, vermits gij in alle geval mijne
hulp niet wilt aanvaarden, zeg mij dan tot hoeveel beloopt uwe schuld, en
hoe denkt gij ze te kunnen betalen: met werken wint men niet veel, als men
geenen handel drijft, dit weet gij wel.»
«Ja, ik weet het zekerlijk; dan, wat onmogelijk is, kan men niet doen; maar
voor de gerustheid van mijn eigen geweten zal ik het brood uit mijnen mond
sparen om jaarlijks iets van mijn schuld af te leggen, en, wie weet, indien
God mij een lang leven verleende, zou ik misschien nog wel geheel effeu
kunnen geraken; want zeshonderd guldens kunnen toch wel, stuiver voor
stuiver, op twintig jaren bijeengezameld worden.»
«Zeshonderd gulden, zegt gij? Hollandsche guldens?»
«Neen, Brabantsche. Ik ben veel meer schuldig geweest; maar toen mijn huis
verkocht werd, is ieder zoo al met een stuk er van gaan loopen.»
«Zeshonderd guldens Brabantsch,--zonder stuivers of deniers?»
«Zestien stuivers, zeven deniers. Gij ziet, dat ik mijne rekening van
buiten weet.»
«Laat ons nog eens drinken, Spinael,--Ja, het is zeker mogelijk die som in
te winnen; en uwe kinderen zullen ook wel beteren: iedereen is jong of is
jong geweest, Spinael; het verstand komt niet vóór de jaren, zegt het
spreekwoord. Ik zie, dat wij bij onzen wijn niets te brokkelen hebben. Een
oogenblik, ik ga wat krakelingen halen.»
Meester Van Roosemael bleef tamelijk lang weg, langer dan men tot het halen
van iets noodig heeft. Terugkomende, plaatste hij eenen schotel met
krakelingen op de tafel, en sprak op ernstigen toon tot den ontroerden
schoenmaker:
«Spinael, wij zijn te zamen opgevoed als gebuurkinderen; uw vader was de
beste vriend van mijnen vader; wij hebben te zamen gespeeld, en tot de
veertig jaar toe zijn wij als broeders onscheidbaar gebleven; gij zijt
nooit mijn vijand geweest, want anders zoudt gij mij uw ongeluk niet komen
vertellen; ik bleef altijd uw vriend, anders zou uwe smart mij de tranen
niet uit de oogen persen. Ergo, dus heb ik het recht om u in uwen nood bij
te staan en u ten minste wat geld te leenen om op reis te gaan; maar, alzoo
de goede rekeningen de beste vrienden maken, verlang ik, dat gij mij een
ontvangbewijs gevet van het geld, dat ik u leen. Ziehier een geschreven
bewijs; teeken het, zooals het gevouwen is, zonder de som te lezen; ik wil
niet, dat gij met vijf of tien gulden op reis gaat en gebrek lijdt: en, om
van uwentwege geene tegenspraak te veroorzaken, verzoek ik u als vriend:
doe mij het vermaak, teeken zonder zien.»
Spinael, die inderdaad geen oortje in zijn bezit had en misschien innerlijk
verblijd was over het zoo gelukkig vinden van eenen vriend, edelmoedig
genoeg om hem reisgeld te leenen, drukte de hand des winkeliers, nam de pen
en teekende.
Van Roosemael rukte de geteekende kwitantie van onder zijne hand, hief zijn
glas in de hoogte en riep:
«Dat gaat op uwe welvaart in ons dierbaar vaderland, vriend!--En op de
welvaart van uwen nieuwen winkel! Op! op! bescheid gedaan aan deze blijde
teug! Bezie mij zoo niet, vriend Spinael, gij zijt in het net. Gevangen!
gevangen! Hoera! hoera!»
«Ik versta niet wat gij zeggen wilt!» riep de verbaasde Spinael. «Gij lacht
zoo vroolijk, dat ik zelf mij er in verheug, maar wat is er toch gaande?»
«Wat er gaande is? Zie eens, voor hoeveel gij mij kwitantie hebt gegeven.»
Dit zeggende, toonde hij Spinael op eenen afstand het papier, en wees met
den vinger ter zijde, waar het getal 1000 met groote cijfers stond
uitgedrukt.
«Duizend gulden!» viel Spinael uit, terwijl hij naar het papier greep,
zonder het te kunnen vatten. «Duizend gulden!»
«Ja, duizend gulden wisselgeld!» riep Van Roosemael zegepralend uit,
terwijl hij eenige briefjes en eenen zak met geld op de tafel wierp. «En
daar ligt de som!»
«Ik wil niet! O, dwing mij niet tot het aanvaarden van dit geld!» smeekte
de schoenmaker, wiens tranen van ontsteltenis als beken begonnen te
stroomen. «O, denk niet, dat ik gekomen ben tot zulk einde.»
«Gij zult de gekheid toch niet begaan mij deze kwitantie te laten behouden
zonder het geld te nemen..... Maar luister, Spinael, de blijdschap vervoert
mij; laat ons ernstiger spreken. Ik ben rijk; mijn eenig kind Siska kan
geen gebrek lijden, indien zij het niet zoekt; onze winkel is jaarlijks
eenige duizenden waard: wij bezitten eigendommen en liggend gel. Wat zijn
die duizend guldens voor mij? Niets..... eenige maanden oplettendheid. En
zou ik mijnen eenigen vriend laten gaan dwalen en zwerven voor zulke
kleinigheid? Hoor, wat mijn voornemen is: gij gaat uwe schuldeischers
betalen,--zij zullen dan van vijand vriend worden;--ik heb hier achter den
hoek een huis ledig staan; daar gaat gij in wonen. Gij koopt leder en neemt
gasten; ik zal u bijstaan, totdat uw handel gaat; gij schrijft boven uwen
winkel niets anders dan /Jan Spinael, meester-schoenmaker/; gij levert goed
werk, in trouw en in rechtzinnigheid; ik zal u klanten genoeg aanbrengen,
en, alzoo er op uwe kwitantie geen betaaltijd is aangewezen, zult gij
allengskens het geleende geld wel kunnen teruggeven. Als uwe kinderen door
het ongeluk zullen geleerd zijn, zullen zij van zelf terugkomen en om uwe
vergiffenis bidden.--En nu, vriend Spinael, stel u maar gauw in uwen
vorigen staat; want Zondag, na het Lof, gaan wij te zamen naar de
Steenenbrug eene flesch dubbele seef drinken en een uurken op de ton
spelen. Ik geef u honderd vóór, zoo gij durft!»
«Zou ik dat van uw goed hart aannemen?» riep Spinael als verdwaald.
«Hier, in mijne armen!» antwoordde Van Roosemael. «Ik heb vandaag voor meer
dan tienduizend gulden geluk. In mijne armen, vriend Spinael, gauw!»
De twee vrienden omhelsden elkander met tranen van vreugde en bleven eenige
oogenblikken sprakeloos. Dan dronken zij, insgelijks zonder spreken, elk
eenen romer wijn tot op den bodem ledig.
Van Roosemael zeide eindelijk met verkalmd gemoed:
«Spinael, gij moogt aan mijne vrouw niets er van zeggen. De vrouwen zijn
ook wel edelmoedig, maar op hunne manier: zij willen zelden lijden, dat hun
man het zij. Betaal de huishuur aan haar en houd u, alsof gij van niets
wist. Pas nu maar op voor de Fransche jonkheid van zaliger memorie!»
«Het heeft geen nood, vriend. Een ezel stoot zich geene tweemaal tegen
denzelfden steen; de put is gevuld, het kalf kan er niet meer in. Ik ken de
vogels, zij hangen aaneen met treken en slenders, en ik ben er zoodanig op
gebeten, dat een paar schoenen, in het Fransch gevraagd, eene slechte
/recommandatie/ bij mij zal zijn.»
«Ho, ho, Spinael, zooverre moogt gij het ook niet drijven. De Franschen,
die hier als burgers in Antwerpen wonen en handel drijven, ken ik altemaal
voor eerlijke menschen, en ik tel er vele van mijne beste klanten onder;
maar die kale Ratten, die hier sedert het jaar Dertig als naar het
Luilekkerland komen geloopen, dat zijn de gauwkens, die gij in 't oog moet
houden. Kom, wij gaan naar uwe nieuwe woning zien: het is een schoon huis,
man. Steek dat geld en die briefkens weg.»
Eenige dagen later woonde Spinael in het huis, dat Van Roosemael hem had
geleend of verhuurd, de winkel was voorzien van schoenen en leder, twee
gasten zaten nevens Spinael te werken. In minder dan eenige maanden tijds
had hij vele klanten, deels door de deugd van het werk, dat hij leverde en
deels door de onophoudende aanbeveling van Van Roosemael. Elken Zondag
gingen de twee vrienden naar de Steenenbrug en speelden des avonds in de
eene of andere herberg hunnen smousjas: in één woord, zij hadden al hunne
vorige gewoonten hernomen; en, ware het niet het lot der kinderen van
Spinael geweest, zoo hadden de beide vrienden zich wellicht over al het
gebeurde verblijd.
[13] Knecht, ga zeggen aan M. Jules en Juffrouw Hortense, dat men hen
wacht om te vertrekken.
[14] Wilt gij mij aanmelden, onbeschaamde knecht?
[15] Ik zal u aframmelen, schurk.
[16] Spaarzaam zijn tot op de kleinste zaken.
[17] Uit het spel scheiden. Eene zaak verlaten.
IV
FRANSCHE PRONKERS, KALE JONKERS
De schandelijke levenswijs en het lot van Hortense Spinael had vader Van
Roosemael te baat genomen, om zijne vrouw tot het terugroepen van Siska
over te halen; dokter Pelkmans was hem hierin behulpzaam geweest. Eindelijk
nadat Siska drie volle jaren de Fransche opvoeding had genoten en dit
laatste jaar geweigerd had, den verloftijd bij hare ouders te komen
doorbrengen, stemde de moeder toe in de begeerte van haren man en van den
dokter. Er werd een brief geschreven om de meesteresse te bedanken, en men
meldde aan Siska, dat hare moeder op den 15^{den} der loopende maand, te
vier uren des namiddags, haar aan den ijzeren weg zou gaan afhalen.
Op dien dag was het helder en schoon weder. Omtrent een half uur vóór de
gestelde aankomst, stond er eene bijna oude vrouw eenzaam voor de bureelen
van den ijzeren weg: zij was zindelijk gekleed, met eene kostelijke kanten
trekmuts op het hoofd en eenen fijnen lakenschen mantel om het lichaam.
Genoegzaam nochtans kon men bemerken, dat het eene burgervrouw was, die
hare Zondagsche kleederen droeg, en daarom, zeker tegen alle gevaar van
slecht weder, een buitengewoon groot regenscherm of /parapluie/ met zich
genomen had.--Het hart van vrouw Van Roosemael, want zij was het, klopte
fel van moederlijke teederheid; zij ging hare lieve Siska omhelzen, dat
beminde kind in hare armen drukken, en nu zonder ophouden de belooning
smaken van al den twist, al het verdriet en al de moeilijkheden, die zij
had doorworsteld, om haar eene /luisterrijke opvoeding/ te doen geven. O,
wat vreugd zal dit haar zijn!
Ha, daar fluit het ijzeren gevaarte in de verte! Van alle zijden komen de
bedienden uit hoeken en kanten geloopen, uit magazijnen en barakken
gekropen. De metalen stem van den monsterwagen hertoovert de doodstille
statie in een woelig veld, en het is onder allerlei geroep en geschreeuw,
dat het gevaarte stilhoudt.
Nu jaagt de moederlijke boezem onstuimiger: het gelukkig oogenblik is
aanstaande! De oude vrouw plaatst zich bij den uitgang der statie en blikt
met nauwkeurigheid op het gelaat van al de vrouwen, die haar
voorbijsnellen. Weldra vliegen de huurrijtuigen beurtelings stedewaarts, de
zware /omnibussen/ sluiten den stoet, en in min dan eenige oogenblikken is
het ijzeren paard op stal gezet, de bedienden zijn in hunne holen
teruggekropen, de reizigers verdwenen en de statie is weder in hare vorige
stilte gedompeld. Moeder Van Roosemael ziet het hek toegaan; droefheid
beklemt haren boezem; een pijnlijke zucht ontsnapt hare borst..... Zij
heeft hare lieve Siska niet gezien! Nochtans blijft zij ter plaatse staan,
alsof zij door eene geheime kracht aan het hek vastgehecht ware, en
misschien zou zij nog lang in treurige gedachten gedoold hebben, hadde zij
niet van verre eene jonge vrouw bij eene /vigilante/ zien staan in de
houding van iemand, die wacht en rondziet.
Zou dat wel hare Siska zijn? Onmogelijk! het is eene rijke dame; haar
weerschijnend en kleurwisselend zijden kleed laat een groot gedeelte van
haren hals bloot! Het is waar, een wazen /fichu/ schijnt hem te willen
bedekken, doch verbergt hem niet; bij elke beweging, die zij doet, dansen
lange krullen rondom hare wangen, van haren kostelijken hoed waait een
winderig gepluimte: hare hand houdt een zeer klein parasolleken; vijftien
doozen van allerlei vorm en twee groote kisten liggen voor hare voeten.....
Het is Siska niet.
Dit zijn de aanmerkingen, die moeder Van Roosemael maakt, en de gedachten,
welke door haren ontstelden geest gaan. Eensklaps doet de jongedame een
teeken van ongeduld aan de oude vrouw, en laat daardoor hare wezenstrekken
beter zien. Hemel! het is hare Siska!..... Zie, de stramme moeder huppelt
vooruit als een jeugdig meisje, twee tranen schieten in hare oogen, een
blikkerende lach beglanst haar gelaat, zij opent de armen en roept met
roerende blijdschap:
«O, Siska, mijn kind!»
Het moet zijn, dat de naam Siska de jonge dame beschaamt; zij wordt rood!
Dan, die kleur vergaat spoedig, en zij doet twee stappen vooruit naar hare
moeder. Deze wil hare beide armen om den hals van haar kind slaan; maar
zie, de verfranschte dochter zal zich niet aan de omstanders ten tooneele
geven. Zij vat de hand harer moeder, houdt die sterk vast en belet de
omhelzing. Dan zegt zij:
«Goeden dag, mama. Hoe gaat het? En met papa?--Let op, gij trapt op mijne
doozen..... Ik sta hier al een half uur op u te wachten.»
[Illustration: Een uur later had Siska zich in hare kamer opgesloten
(Bladz. 56.)]
Waren deze woorden hard of onbetamelijk? In eene andere omstandigheid
zouden zij het misschien niet geweest zijn; maar nu doorsneden zij het hart
der liefderijke moeder als zoovele messen. Inderdaad, was dit de taal,
welke hare Siska voeren moest na een geheel jaar afwezigheid? Geen enkele
zoen, geen handdruk voor haar, die gedurende drie jaren in twist met haren
goeden man geleefd had om Siska te believen; voor haar, die al hare hoop
in de wederliefde van haar eenig kind gesteld had? Zij moest haar pijnlijk
zijn, de hartscheurende, de dorre ontmoeting; want de arme vrouw sloeg zich
de twee handen voor de oogen en begon snikkend en met overvloedige tranen
te weenen.
Zooverre was alle natuurlijk gevoel echter bij Siska nog niet uitgedoofd,
dat zij de smart harer moeder zonder medelijden kon aanzien; integendeel,
hare goede inborst nam de overhand. Zij bracht haren arm op den hals harer
moeder en zoende ze op beide wangen met eene drift, die zooveel te sterker
was, daar zij uit eene geweldsaandoening voortsproot. Getroost en
gelukzalig was de oude vrouw; zij hield haar kind tegen de borst gesloten
en staarde met zuigende blikken haar in de oogen. «O, Siska, mijne lieve
Siska!» herhaalde zij, bevend van ontsteltenis.
Niet waar, zulke oogenblikken zouden talrijk in het menschenleven moeten
zijn? Maar, o ramp, daar lacht iemand! Siska hoort het; zij ziet om en
bemerkt de spottende uitdrukking op het gelaat van een jong heerken, dat
als een schimpend aanschouwer op de betuigingen harer liefde schijnt te
letten. Het rood der schaamte kleurt de wangen der juffer; zij rukt zich
los uit de armen harer moeder en herneemt haar onverschillig gelaat.
Onderwijl waren de doozen in de vigilante gezet; het rijtuig was er
dusdanig mede opgevuld, dat twee personen onmogelijk er nog plaats in
konden vinden. Daar Siska zich oneindig veel gelegen liet aan al de
modegrillen, welke in de doozen gesloten waren, en bang was voor het
verkreuken en pletteren, gaf zij aan den koetsier, die in hare gebuurte
woonde, het bevel, om deze goederen naar huis te voeren, en besloot zelve
te voet de stad in te gaan. Zouden wij ons bedriegen met te zeggen, dat
hoogmoed en ijdelheid aan dit besluit niet vreemd waren, en dat de juffer
wel gaarne hare schoone kleederen aan hare bekenden van Antwerpen liet
zien?
Siska opende haar zonnescherm, nam eene losse houding aan en trok
stedewaarts, zonder hare moeder nog andere bewijzen van liefde te geven.
Door deze wreede koelheid was vrouw Van Roosemael pijnlijk aangedaan; zij
dorst haar kind niet van boosheid beschuldigen; maar wat de liefde in haar
hart voor haar ook pleitte, zij gevoelde toch wel, dat de dokter geen
geheel slecht raadsman was geweest. In hare droeve mijmering stapte zij
voort als eene dienstbode, die hare meesteresse volgt. Het stilzwijgen
duurde al eenigen tijd, en reeds waren de twee vrouwen binnen de stad, toen
Siska, hare moeder van hoofd tot voeten op eene zonderlinge wijze beziende,
tot haar sprak:
«Maar, mama, hoe zijt gij toch gekleed! Het is gelijk eene arme sloor, met
die leelijke trekmuts en dien mantel van den ouden tijd. Ik ben beschaamd
voor de menschen. Steek die pastoorsparapluie onder uwen mantel, want wij
zien er uit als boerinnen, die van hun dorp komen!»
Vrouw Van Roosemael antwoordde hierop met eene stille stem, die den stempel
harer hartsdroefheid droeg:
«Siska, mijn kind, gij moogt zoo vies niet zijn. Ik ben gekleed gelijk
mijne moeder zaliger gekleed was; en kan ik nu in mijne oude dagen gaan
veranderen? Zie daar niet naar, de menschen hebben er zich niet mede te
bemoeien; wij zijn immers niemand iets schuldig?»
Terwijl moeder Van Roosemael deze woorden sprak, hield Siska haar oog
gericht op de voorbijgaande lieden, om te zien of de bevalligheden van haar
persoon hun uitwerksel deden; zij was uitnemend blijde, wanneer een hoop
jonge losbollen lachend onder elkander van haar schenen te spreken en door
de uitdrukking huns gelaats schenen te zeggen: «Wat schoone juffer is dat!»
De arme moeder waagde het aan hare dochter te vragen, of zij zich in het
pensionaat niet verdroten had, of zij niet liever te huis bij hare ouders
was, en meer andere dingen; evenwel, wat pogingen zij ook deed om een
vertrouwend en troostend gesprek aan te knoopen, het was al om niet: de
dartele Siska had werks genoeg om aan haren gang den noodigen zwier te
geven en de loftuitingen in te zamelen, die zij op de wezenstrekken der
voorbijgaanden meende te lezen.
Op de Melkmarkt kwam een jong heerken recht op haar aan, met een lachend
aangezicht en met zulke gemeenzame uitdrukking, dat men wel zou hebben
kunnen denken, dat hij haar broeder was. Vrouw Van Roosemael opende de
oogen zoo wijd zij kon en poogde dezen jonkman te herkennen:--zij had hem
nooit gezien. Deze liet zich echter door de ondervragende blikken der
moeder niet ontstellen, plantte zich stoutelijk voor Siska en zeide met
genepene lippen in de Fransche taal:
«Ah, bonjour, mademoiselle Eudoxie! Gij hebt het pensionaat verlaten?
Antwerpen gaat het geluk genieten eene zoo betooverende juffer te
bezitten? Waarlijk, eene goede fortuin voor ons, arme jongelieden, die
zuchten over de zeldzaamheid van zoovele vereenigde schoonheden!»
Hierop antwoordde Siska, terwijl zij een verleidend lonkje van onder hare
wimpers uitschoot en een bedeesd gelaat aannam:
«Gij spot, Mijnheer Georges! Maar hoe gaat het met uwe zuster Clotilde?»
«Goed, zeer goed,» sprak de jonge heer onverschillig. Dan aan zijne
wezenstrekken eene half spottende uitdrukking gevende, vroeg hij, terwijl
hij de oude vrouw aanwees:
«Is dit uwe dienstmeid?»
Deze vraag deed Siska rood worden tot onder den hoed; zij was beschaamd
over hare goede moeder, de verfranschte juffer! Er liep eene zekere wijl
voorbij, vooraleer zij, nog blozend en als gedwongen, antwoordde:
«Neen, het is mijne moeder.»
«Ah! ah!» riep de jongeling; en zich tot de oude vrouw keerende, sprak hij
met eene gemaakte buiging: «Madame Van Rosmal[18], duld dat ik u mijnen
eerbied bewijze. Gij hebt eene bevallige dochter!»
De oude vrouw verstond hem niet; doch zij begreep genoeg wat er omging, en
hoe zij het voorwerp zijner schaamtelooze spotternij was. Niettemin, zij
knikte met het hoofd om hem zijne buiging weder te geven. De jongeling
verwijderde zich, zeggende tot Siska:
«Arme vrouw! zij heeft gelijk, dat zij u onder haren wijden mantel bewaart.
Er zijn er zoovelen onder ons, die u zouden willen stelen. Tot wederziens,
mademoiselle Eudoxie!»
Met diepen angst had de moeder dit alles nagezien, en zij ware ongetwijfeld
in grammoedige verwijten uitgevallen, hadde niet een smartelijk gevoel
haren boezem verkropt. Met eene merkbare spijt sprak zij:
«Die Fransche vliegenpikker, wie denkt hij, dat wij zijn? Hij neemt u zeker
voor eene andere, want hij heet u /Eudoxie/ en zegt tot mij /Madame Van
Rosmal/! Hoe kunt gij toch gediend zijn met den praat van zulk flauw
bescheid? Van een mensch, dien gij niet kent?»
Deze woorden vielen niet in den smaak van Siska; dit kon men genoeg
bemerken aan haar meesmuilend gelaat. Het was bijna met trotsch medelijden,
dat zij antwoordde:
«Gij denkt zeker, dat ik drie jaren lang op een Fransch pensionaat ben
geweest om onbeleefd en bot te blijven! Die jonge heer is een kennis van
mij; zijne zuster Clotilde was mijne vriendin, en hij kwam haar dikwijls
bezoeken.»
«Is het misschien Piet Van der Tangen?» vroeg de moeder.
«Ja, het is M. Van der Tangen.»
«Wel, wel, Siska! Zijt gij niet beschaamd om zooveel wisjewasjes te maken
met den zoon van uws vaders baardkrabber? Met dien kalen, luien bliksem,
die anders niet kan dan zijnen vader opeten en kasseien verslijten[19]?»
«Hoor eens, moeder, hij kan maar eene goede /educatie/ gehad hebben. Hij
heeft in Parijs gewoond en, al is hij slechts /coiffeur/, hij is toch
geleerd en hij kent zijne wereld.»
«Ha, dat heet gij zijne wereld kennen? Niets doen, altijd loopen en
oudersverdriet zijn? Welnu, ik zeg u, Siska, dat ik niet wil hebben, dat
gij met zulke onbeschaamde sprinkhanen kennis maakt, en wat uwen naam
aangaat: ik heet Siska, en gij heet ook Siska. God weet uit wat
geuzenalmanak gij dien belachelijken naam van Eudoxie hebt opgevischt.»
Siska was kwaad. Zij antwoordde met bijtende stem:
«Is het mijne schuld dat de demoisellen in het pensionaat mijnen gemeenen
naam veranderd hebben?--En toch, ik heet liever /Eudoxie Van Rosmal/, dan
mijne ooren altijd met het plat boerenvlaamsch /Francisca Van Roosemael/ te
moeten hooren verscheuren.»