Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
SISKA VAN ROOSEMAEL
Hendrik CONSCIENCE
Brussel.--Drukkerij J. Janssens, Marcqstraat, 16.
J. LEBÈGUE & C^{ie}, BOEKHANDELAARS-UITGEVERS
36, NIEUWSTRAAT, 36
1912
I
BURGERS VAN DEN OUDEN EED
KWAKZALVERS VAN DEN NIEUWEN STIJL
Het is weinige jaren geleden, dat er in eene der straten omtrent het Groen
kerkhof te Antwerpen een oude en befaamde kruidenierswinkel bestond, die,
van vader tot zoon overgezet, sedert meer dan driehonderd jaren bekend was
om zijne goede waren en geringe prijzen. De laatste eigenaar van dezen
winkel heette Jan Van Roosemael, zoon van Frans, zoon van Karel, zoon van
Kasper Van Roosemael, en was getrouwd met eene Siska Pot, afstammelinge
van den beruchten Peter Pot, wiens naam men in de twee Peter-Pot-straten
terugvindt[1].
Deze beide echtgenooten, van kindsbeen af tot een nuttig en arbeidzaam
leven opgevoed en nu gedurig bezig met hunnen kleinen koophandel, hadden
geenen ledigen tijd over gehad, om in den voortgang der hedendaagsche
beschaving deel te nemen, anders gezegd om zich te verfranschen. Hunne
kleederen, van sterk laken gemaakt, waren eenvoudig en veranderden bijna
nooit van vorm; alleenlijk onderscheidden zij deze in werkdaagsche, in
Zondagsche en in Paaschkleederen. Deze laatste kwamen nooit uit de kas dan
op hoogtijden, wanneer de Van Roosemaels ter Heilige Tafel gingen, of
wanneer zij een kind over de doopvonte houden moesten of getuigen waren bij
het huwelijk van eenen vriend. Genoegzaam is het te begrijpen, dat deze
burgers van de Vlaamsche wereld, alhoewel hun opschik een groot geld gekost
had, er slechts arm moesten uitzien nevens den eenen of anderen
voorbijgaanden pronker, die zich voor eenige franken in de hedendaagsche
papieren kleederen had laten steken en misschien met kleinachting op de Van
Roosemaels nederzag; maar zij stoorden zich daar niet in en dachten bij
zich zelven: «/Ieder wat in deze wereld, gij den wind en wij de
schijven!/»--Onwetend genoeg waren zij, om onbewust te zijn, dat een
treffelijk man op den middag niet mag eten, en zij hadden dus de /gemeene/
gewoonte van juist op klokslag van twaalf zich bij de tafel neder te
zetten; daarbij, zij vergaten nooit te bidden, en inderdaad, te bidden vóór
en na den maaltijd. Andere gebreken nog kon men hun ten laste leggen: onder
anderen zij verstonden geen woord Fransch en hadden nooit gevoeld, dat hun
die kennis noodig was;--zij waren godvruchtig, werkzaam, ootmoedig en
bovenal vredezoekend. Maar hunne grootste domheid bestond hierin, dat zij
in hunne Vlaamsche eenvoudigheid geloofden, dat het beter was alle dagen
eenen eerlijk gewonnen stuiver ter zijde te kunnen leggen, dan zich met
treken en met bedriegerij in twee of drie jaren zoo rijk te tooveren, dat
iedereen de oogen er van openspalkt en met verwondering uitroept: «Maar!
maar! Waar heeft die Rat[2] het toch gehaald?»--In één woord, zij waren
Vlaamsche burgers van den ouden eed.
Meester Jan Van Roosemael had eene jonge dochter, genaamd Siska, gelijk
hare moeder, van omtrent de vijftien jaren, tamelijk lang opgeschoten voor
haren ouderdom, fraai van gestalte en van gelaat, met blond haar en blauwe
oogen: een echt schoon Brabantsch kind.--Tot hiertoe had zij in de stad
naar eene gewone school van jonge meisjes gegaan en had er de moedertaal
bijna grondig geleerd, benevens de rekenkunde en al de handwerken, welke
eene goede burgervrouw moet kennen, al ware het slechts om meer van het
huishouden te weten dan hare dienstmeid. Eenvoudig was zij gelijk hare
ouders, godvruchtig, onderdanig, beminnend, niet dartel, niet lui, niet
eigenzinnig,--en waarlijk geschikt om met den man, die haar zou trouwen, in
deugd en eere het huis harer voorvaderen staande te houden en den befaamden
kruidenierswinkel voort te zetten.
Hoe komt het, dat de honderdjarige winkel nu gesloten is? Wat rampspoed
heeft onlangs de tonnekens, snuifpotten, flesschen en kannekens van Van
Roosemael naar de Vrijdagsche markt gevoerd? Deze geschiedenis zal u dit
verhalen.
Weet dan vooreerst, dat er in de gebuurte van onzen winkelier een
meester-schoenmaker woonde, die de beste vriend van meester Van Roosemael
was, met hem des Zondags naar de Steenenbrug[3] ging wandelen, des avonds
een smousjas met hem speelde, en verder als een broeder zonder hem geen
vermaak vond. Dit veranderde eensklaps om eene zonderlinge reden.
De schoenmaker, die te voren fraai aan zijn brood kwam en reeds door
spaarzaamheid zijn eigen huis bezat, deed op zekeren dag, terwijl Van
Roosemael met de koorts te bed lag, zijne twee vensters voor aan de straat
uitwerpen en een groot uitstekend winkelraam in de plaats stellen. Op de
ruiten liet hij in roode verf allerlei Fransche berichten schilderen. In
het midden stond: /A la botte sans couture. Magasin de bottes et souliers
de Paris/[4];--eene leugen, vermits hij voornemens was de schoenen en
laarzen zelf te maken. Wat lager pronkte er voor het glas eene print,
waarop men een persoon verbeeld had, die door de wederspiegeling der zon in
eene geblonkene laars aan beide oogen stekeblind wordt; en boven dit
meesterstuk van kwakzalverij kon men deze woorden lezen: /Véritable cirage
anglais/[5];--nog eene leugen, want het was altijd zijn oude blink, dien
hij zelf maakte. De klanten verloren daar toch niets bij; het verschil was,
dat hij zijnen blink nu viermaal duurder dan te voren deed betalen. Verder
op de hoekruiten stond: /Souliers en caoutchouc/, /Poudre de savon/,
/Semelles de liège/, enz.[6]
Toen meester Van Roosemael van de koorts genezen was en voor de eerste maal
met langzame stappen zijne straat doorwandelde, viel zijn gezicht op het
nieuwe vensterraam van den schoenmaker. Hij bleef plotseling staan, wreef
zijne oogen als iemand, die door den slaap bekropen wordt, en bezag al de
huizen één voor één en met verbaasdheid, gelijk een vreemdeling, die
verloren geloopen is.
«Wat is dat?» dacht hij in zich zelven. «Dat is toch de winkel van meester
Spinael niet. Zou hij verhuisd zijn, zonder dat ik het geweten hebbe?
Alweder eene Rat, die hier den Piro[7] komt uithangen en de menschen gaarne
wat zemelen in de oogen zou werpen, om des te beter bankroet te kunnen
spelen, als het schaap binnen is. Maar hij zal mij toch niet vangen.....»
Terwijl Van Roosemael dus in gepeinzen dwaalde, kwam er een heer van binnen
uit den schoenmakerswinkel op den dorpel staan. Deze was fraai gekleed, met
eene paletot van ruitengoed, eene chocolaadkleurige broek, een wit
ondervest en eenen zoogezegden gouden ketting voor de borst, waaraan een
uurwerk of een kijkglas moest gehecht zijn. Dikke bakkebaarden van blinkend
zwart haar omvingen zijn gansche aangezicht; zijn hoofd was kunstmatig
opgedaan en geleek wonderwel aan die wassen poppen, welke men voor de
vensters der paruikmakers ziet.
«Ha!» dacht Van Roosemael, «daar is de Rat. Het is zonde van zulken knappen
vent!»
Maar de nieuwe gebuur kwam rechtstreeks op hem aan, en op zijnen schouder
kloppende, sprak hij:
«Gij zijt genezen, vriend Roosemael?»
De verbaasde man herkende de stem van Spinael; hij ging twee stappen
achteruit, bezag zijnen vriend van hoofd tot voeten, en dan eerst zeide hij
eenvoudiglijk:
«Wat zijt gij schoon, eh!--Hebt gij den grooten prijs in de loterij van
Rusland gewonnen? Hebt gij misschien een erfdeel gedaan? Proficiat dan, ik
wensch u geluk..... Nu, ik heb immers mijn geheele leven lang gedacht, dat
gij ros haar hadt!»
Spinael glimlachte met eene soort van slim medelijden en antwoordde,
terwijl hij zich eenen zekeren lossen toon gaf, die gewoonlijk /Fransche
chique/ genoemd wordt:
«Van Roosemael, mijn vriend, gij zult nooit rijk worden, gij. De wereld is
veranderd, niemand laat zich tegenwoordig vangen zonder lokvinken of zonder
vogelteer. /Slechte waar, goed voorgezet, is half verkocht./ Wie van de
Vlaamsche burgers moet leven, slaaft tot zijne oude jaren, eer hij mag
zeggen: /ik ben binnen/! Zij zijn te houvast, vriend, en willen goed leder
en goed werk voor eenen nauwen prijs. Spreek mij van de Fransche jonkheid;
daar is vet op, alle maanden een paar laarzen, duur betaald en licht
gemaakt.»
De verstomde Van Roosemael wist niet, of hij waakte of sliep. Hij voelde
zijne ooren tuiten van die zonderlinge taal en was genoeg genegen om te
denken, dat Spinael zijne vijf zinnen niet meer bezat.
«Maar,» viel hij hem in de rede, «ik heb nog al hooren zeggen, dat die
Fransche windmakers dikwijls vergeten te betalen. Let gij maar op; daar
staan bij mij nog al eenigen van die overvliegers in het krijt, en scheer
dan al waar geene wol is. /Liever oordje zeker en het geweten zuiver./»
«Oude praat, vriend,» antwoordde de schoenmaker, «wij zullen elkander
binnen twee of drie jaren spreken, als het God belieft, en dan zullen wij
eens zien, wie het verste zijn zal. Mijn zoon Jules is naar Parijs om
zijnen stiel te leeren: daar verwacht ik veel van.»
«Wie is er naar Parijs, zegt gij? Jules? Ik dacht, dat ik de peter van uwen
eenigen zoon was, en dat hij Jan heette gelijk ik?»
«Welnu, ja, Jan is naar Parijs; maar hij heeft zijnen gemeenen naam
veranderd en heet nu Jules: dat is veel treffelijker, en mijne dochter, die
deze week uit het pensionaat gekomen is, noemt zich Hortense. Ik zeg u dit
slechts, omdat gij hen niet in tegenwoordigheid mijner klanten Jan en
Trees zoudt heeten.»
Meester Van Roosemael schudde het hoofd met twijfel, bezag beurtelings de
opschriften van het vensterraam en de verschillende kleedingstukken van
zijnen vriend, en sprak dan op half schertsenden toon:
«Ik geloof niet, dat gij het wel voor hebt, meester Spinael! Ik heb er al
zoovelen langs dien weg zien om zeep gaan[8] en die te voren nog al vast in
hunne schoenen liepen; dan, ieder is meester van te doen wat hij wil,--het
zijn mijne zaken niet, en daarmede is het uit!--Zeg, gij vergeet misschien,
dat het dezen morgen Kamer is van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw.
Gaat gij niet mede?»
«Broederschap van Onze Lieve Vrouw!» riep Spinael bijna spottend. «Ik ben
geen lid meer, vriend. Iemand, die voor het groote /Theater/ werkt, gelijk
ik, die mag met geene flambouw in de processie meer loopen. Waarlijk, het
zou niet staan.»
«Goeden dag dan!» morde Van Roosemael op droeven toon, en hij liet den
verfranschten schoenmaker voor zijne deur staan.
Eenigen tijd daarna kwam Spinael bij den winkelier, en, na veel gepocht en
gestoft te hebben over den schoonen gang zijner zaken, sprak hij van eene
groote partij leder, welke hij te koop wist bij eenen huidvetter, die
oogenblikkelijk geld noodig had. Hij heette het eene /brillante affaire/[9]
en deed zooveel met zijne nieuw aangeleerde treken, dat de eenvoudige man,
in gedachtenis hunner vriendschap, hem vijfhonderd gulden wisselgeld
leende, op drie maanden te betalen. Van Roosemael deed zich terzelfder tijd
de maat nemen voor een paar nieuwe schoenen. De schoenen borsten den
achtsten dag aan stukken, en in plaats van zijne vijfhonderd gulden kreeg
de winkelier wat schoonen praat en oneindig veel beloften.
Dit laatste punt verwekte eene stille vijandschap tusschen de twee geburen,
die voorts elkander niet meer aanspraken. Hunne beide kinderen deelden
echter niet in deze verwijdering en bleven elkander dagelijks bezoeken.
[1] Peter Pot, een edelman, stichtte te Antwerpen in het jaar 1433 het
klooster van St.-Salvator, dat men gemeenlijk /Peter-Pots-klooster/ noemde,
en dat in 1575 door de beeldenstormers tot den grond werd afgebrand. De
talrijke afstammelingen van dezen edelman, nu meest geringe burgers, heet
men de /Potten/.
[2] De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende in
België komen en daar door uitwendige pracht en ijdel gesnork willen doen
gelooven, dat zij /iets/ zijn, noemt men te Antwerpen met den zonderlingen
naam van /Ratten/; maar dewijl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het
Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaam nu uitsluijtelijk toe te
eigenen aan de leden eener enkele groote natie.
[3] Eene wandeling buiten Antwerpen.
[4] In de laars zonder naad.--Magazijn van laarzen en schoenen van Parijs.
[5] Waarachtige Engelsche blink.
[6] Ezelsooren-schoenen, Zeeppoeder, Kurken zolen, enz.
[7] Pierrot, een vastenavondzot, die met zemelen werpt.
[8] /Om zeep gaan/ beteekent tot armoede vervallen.
[9] Eene veelbelovende zaak.
II
GOEDE RAAD, SLECHT BESLUIT
Sedert de dochter van Spinael uit het pensionaat gekomen was, had Siska Van
Roosemael veel van hare zuivere eenvoudigheid verloren. Zij had reeds veel
te dikwijls bij den toog van het schoenenmagazijn gezien, hoe de
verfranschte jonkheid met lossen zwier hare vriendin liefkoosde, en hoe
zij, met lonken en pinken, daarop wist te antwoorden /in de schoone en
lieftallige Fransche taal/. Onnoozel nog, en niet wetende wat vuile
wulpschheid onder zulke geveinsde liefdewoorden verborgen ligt, werd zij
meer dan eens rood van schaamte, wanneer de eene of andere windmaker haar
in gebroken Fransch aansprak en dat zij niet als hare vriendin kon
antwoorden. Hierom vroeg zij dagelijks aan hare moeder om ook naar het
pensionaat te mogen gaan. Vrouw Van Roosemael, die hare dochter met
verblindheid beminde, had insgelijks met nijd gezien, dat Hortense, of
liever Trees Spinael, alhoewel bijna leelijk zijnde, al de oogen tot zich
trok, en dat hare arme Siska er verschrikkelijk gemeen uitzag nevens de
opgepronkte dochter van den meester-schoenmaker. In haren moederlijken
hoogmoed dacht zij, dat het niet betaamde haar kind langer te laten
achteruitstaan voor eene, die minder was dan zij. Na eenige maanden
hierover aan de ooren van haren man gezaagd te hebben, werd er besloten,
dat Siska naar het pensionaat zou gaan, maar dat men eerst den ouden
Pelkmans over dit gewichtig punt zou raadplegen.
Deze Pelkmans was de dokter of geneesheer van het huisgezin, gelijk zijn
vader de dokter der vorige Van Roosemaels geweest was. Dikwijls had hij
door zijnen wijzen raad den winkelier in moeilijke zaken bijgestaan; maar
wat hem het meest door de beide ouders deed beminnen, was, dat hij Siska
tweemaal in ontstekende ziekten, en laatst nog tijdens den cholera-morbus
van eenen gewissen dood gered had. Zij hadden in hunne dankbaarheid
begrepen, dat de dokter hierdoor eenig recht op het leven en op de toekomst
hunner dochter gewonnen had, en beslisten nooit iets, dat haar aanging,
zonder zijnen raad te vragen. Dan, daarin deden zij zeer wel; want de oude
Pelkmans was een wijs en geleerd man, die den loop der wereld goed kende en
alles met Vlaamsche bezadigdheid in stilte naspeurde en doorgrondde.
Op den gestelden dag zat de dokter, met vader en moeder Van Roosemael, in
eene kamer achter den winkel, en het gesprek werd door meester Van
Roosemael dus begonnen:
«Dokter Pelkmans, mijne vrouw wil volstrekt hebben, dat Siska naar een
Fransch pensionaat gezonden worde. Wat mij betreft, ik ben er al lang tegen
geweest, maar de tranen van Siska hebben mij eindelijk van gedachte doen
veranderen.»
«Naar eene Fransche kostschool?» vroeg de dokter verwonderd. «Naar een
Fransch pensionaat? Er zijn immers goede scholen genoeg in de stad, en zoo
kan men ten minste dagelijks zien, of het schaap niet verloren loopt.»
«Och, och!» riep de moeder lachend en met eene soort van misprijzen. «Wat
is er op de scholen in de stad te leeren? Breien, naaien, lijnwaad
teekenen, hemden snijden, cijferen--en Vlaamsch, dat ieder toch kent! Zie
de dochter van Spinael eens: dat gaat /blok/ weg en komt /juffrouw/ terug;
dat spreekt Fransch, dat is beleefd, dat wordt van alle deftige lieden
aangehaald..... Zij heeft maar te kiezen met wien zij wil fortuin doen.»
De dokter trok de schouders op en schudde het hoofd met nadenken. Hij
antwoordde:
«Gij bedroeft mij, vrouw Van Roosemael; ik begrijp niet, wat kwade geest u
aanblaast en uw gezond oordeel eensklaps heeft vernietigd; de deftige
lieden, waarvan gij spreekt, zijn wat kleermakers, wat komedianten en wat
magere klerken, die naar den schoenmakerswinkel komen, gelijk de vliegen
naar eenen kop broodsuiker. Ik ken Hortense Spinael, en ik mag u zeggen,
dat ik de helft van mijn goed zou willen verliezen, om te beletten dat
Siska haar ooit gelijke. Zult gij dat eenvoudig, dat schoon en zuiver kind
laten bederven; haar van godsdienst, van goede zeden en van Vlaamsche
rechtzinnigheid aftrekken, om er eene lichte en wulpsche /coquette/[10]
van te maken? Pas op! Misschien zal mijn raad hier onmachtig zijn; maar dan
zult gij u de ooren krabben, indien wij het geluk hebben nog wat te leven.»
De twee ouders waren door de strenge woorden des dokters verschillend
getroffen; beiden glimlachten: de vader van vreugd, omdat hij voorzag, dat
de dokter overwinnen zou; de moeder van spijt. Zij gaf niet ten onderen en
riep:
«Dokter, dokter, gij snijdt er te sterk door! Ik weet wel, dat gij eenen
haat hebt tegen al wat Fransch is; maar wij zijn van de oude wereld, man.
Het gaat er nu zoo niet meer.....»
«Vrouw Van Roosemael,» viel de dokter in, «gij wilt mij niet verstaan. Het
is mijne gedachte niet, iemand te beletten vreemde talen te leeren, en dit
kunt gij genoeg bemerken aan mijnen zoon Lodewijk, die op de Hoogeschool
is. Kan hij geen Fransch? Ja, en wat beter, hoop ik, dan de jonge
weetnieten, die het hoofd van Hortense Spinael op den hol helpen en u de
oogen uitsteken, vrouw Van Roosemael. Gij moet mij zoo niet bezien:
weetnieten, ja! Wat kennen zij? Wat straatfransch, dat zij dikwijls nog
onbarmhartig martelen; hunne moedertaal kennen zij ook niet, en wat de
nuttigste wetenschappen aangaat, daarvan zijn de namen zelfs hun onbekend.
Al hunne geleerdheid bestaat in Franschen wind, in woorden en gezegden, die
zij hier en daar uit gazetten of uit romans opvisschen. Daarvan spinnen zij
een hol en ijdel gerammel aaneen en verkoopen dit aan onkundige menschen
voor Fransche geleerdheid! Maar gij maakt mij gram: wij geraken van ons
onderwerp. Laat ons elkander beter verstaan. Ik zeg u dan, en luistert wel
op mijne woorden: er zijn goede kostscholen, maar oneindig meer slechte
zijn er. De goede zijn die, waar de meesteressen, hunne heilige zending
verstaande, een nuttiger doel hebben dan dat van eene dochter met een
wereldsch vernis te beglanzen ten koste harer godsvrucht en harer
eerbaarheid; waar de meesteressen samenspannen en altijd en overal waken om
het vreemde vergif af te weren, de ijdelheid te bestrijden en de dartelheid
te bevechten;--waar men weet, wat goede hoedanigheden in de Vlaamsche
inborst hunne wortelen hebben, en hoe gevaarlijk het is dien zuiveren grond
te verfranschen; in één woord, waar men zich niet voorstelt, modische
juffers, maar wel nuttige en waardige huismoeders te maken..... Is het nu
naar zulk eene kostschool, dat gij Siska zenden wilt, zoo heb ik er niets
tegen: verre van daar, ik zal er blijde om zijn. Alles hangt af van de
keus, die gij gaat doen. Ik weet het: meest al de Fransche pensionaten zijn
nesten van bederf en van zedenverlies; nogtans de goede zijn licht te
vinden, als men ze maar zoeken wil. Indien gij het verlangt, ik zal er u
een aanwijzen. De kostschool van X..... bij voorbeeld?»
«Ja, het pensionaat van X.....!» riep de moeder, «ik dacht het wel. Neen,
dan kan Siska ook wel te huis blijven. Zie Anna Van Straten eens. Zij is op
die kostschool geweest: na drie jaren is zij teruggekomen, gelijk zij er
naar toe gegaan was. Zij is wel braaf en zedig, ik hoor wel zeggen, dat zij
geleerd is en alles kent, wat een goed huishouden aangaat; maar dat kan men
immers overal leeren? Daarom moet men naar geene kostschool gaan!»
«En waarom moet men er dan naar toe gaan, moeder Van Roosemael? Ik versta u
genoegzaam: om verfranscht te worden, niet waar? Om gelijk Hortense
Spinael, te leeren dartelen en zedeloos te worden; om zich boven zijnen
staat te leeren kleeden en, tot verergernis van iedereen, de modepop en de
lichtvink te kunnen uithangen?»
«Maar, dokter,» bemerkte vader Van Roosemael, «indien de meeste pensionaten
de kinderen bederven, hoe komt het dan, dat alle rijke menschen, die toch
ook niet dom zijn, hunne dochters er naar toe zenden?»
«Verstaat mij wel, mijne vrienden,» hernam de oude Pelkmans met verkalmd
gemoed, «elke stand der samenleving heeft zijne wijze van denken en zijne
zeden. Hetgeen goed, eerbaar en nuttig is voor een edelmanskind, is
dikwijls slecht, oneerlijk en schadelijk voor het kind van eenen winkelier.
Het kwaad der opvoeding, welke men in zulke pensionaten aan de meisjes
geeft, ligt bovenal hierin, dat men er de dochter van eenen schoenmaker of
van eenen beenhouwer, van eenen edelman of van eenen rentenier dezelfde
gedachten inboezemt,--en aan die, welke bestemd zijn om te werken, eene
zelfde opvoeding geeft met degenen, welke nimmer iets anders zullen moeten
doen dan hun verstand gebruiken om zich in de weelde niet te verdrieten.
Zoo bederft men de maatschappij in haar gronden: ieder meisje wil juffrouw
zijn, en met de pracht komen luiheid, geldverkwisting, zedeloosheid en nog
erger. Men maakt Fransche /coquetten/ met den hoop, maar Vlaamsche
arbeidzame huisvrouwen? Geen enkele!»
Nu stond vader Van Roosemael eensklaps van zijnen zetel op en sprak met
besluit:
«Toe, toe! Gij zijt veel te goed, dokter, om zoolang daarover te willen
redeneeren. Gij hebt gelijk, en Siska zal naar het pensionaat van X.....
gaan, of zij zal te huis blijven, indien het waar is, dat ik hier meester
ben. Die vrouw met haar Fransch! Zoudt ge niet zeggen, dat wij gebrek
hebben geleden en achteruit zijn geboerd, omdat wij onze moedertaal
spreken? Ik zeg: goed is goed, en wie goed beter wil maken, zie ik voor een
botten ezel aan.--En, om het kort te maken, Siska blijft te huis!»
Maar de brave man had zonder zijnen waard, of liever zonder zijne vrouw
gerekend. Deze riep met gramschap:
«Hola, zoo gauw niet, Van Roosemael! Het schijnt dat gij vandaag wat vele
noten op uwen zang hebt. Zit maar neder en maak u geen kwaad bloed, man.
Dokter, zeg mij eens, wat groote zonde zou het nu zijn, dat onze Siska zoo
beleefd was en zoo goed Fransch kende als een edelmanskind? Of zou zij daar
een haar slechter om zijn?»
Op deze vraag verstond de dokter, dat hij tegen een genomen besluit en
tegen de vrouwelijke koppigheid te worstelen had; daarom veranderde hij van
toon, gaf aan zijne stem meer ernstigheid en antwoordde:
«Neen, indien zij in het pensionaat, dat gij bedoelt, beleefdheid en
nuttige kennis alleen kon verkrijgen; maar gij weet niet, moeder, wat de
meisjes in zulk pensionaat van hunne meesteressen, doch bovenal van
elkander leeren. Wil ik het u zeggen? Luister dan, het zijn droeve
waarheden:--men leert er Fransch ja; maar met de Fransche taal leert men er
ook Fransche treken. Bij voorbeeld: hoe men oogkens en gezichtjes zal
trekken en zijn mondje zal toenijpen om bevallig en beminnelijk te
schijnen; hoe men ten voordeele eener romantische, dat wil zeggen geheime
liefde, zijne ouders bedriegen zal; hoe men zich het hoofd vol geest- en
lichaamuitputtende minnebeelden zal steken: hoe men zich met pommades van
allerlei reuken zal bestrijken; hoe men het haar /à la neige/, /en
tire-bouchons/ of /à la chinoise/ zal krullen[11]; hoe men zich kleeden zal
/en négligé/, /en robe de ville/ of /en costume de bal/[12]; hoe men buigen
en neigen zal volgens den staat der menschen: diep voor eenen rijke, bijna
niet voor eenen burger en in het geheel niet voor een gering mensch.--Men
leert er zotte Fransche liedekens, die, onder den naam van romancen, de
driften te vroeg doen ontgloeien en aan een onwetend kind woorden en dingen
leeren, die het niet weten mag;--in één woord, liederen, die onder een
gulden bekleedsel voor jonge meisjes niets zijn dan zedenbederf, vergif en
vuiligheid..... Is dit kennis, die een Christenmeisje, die eene
burgerdochter betaamt?»
De dokter zag op dit oogenblik met blijdschap, dat zijne woorden indruk op
zijne beide aanhoorders deden, en inderdaad, zij hielden hunne oogen strak
in de zijne gevestigd en schenen beweegloos, alsof de zware stem van den
ouden redenaar hen had verpletterd; willende het kind, dat hij beminde,
geheel van de verderving bevrijden, ging hij voort op nog meer
nadrukkelijken toon:
«En door het overdrijven van een onnatuurlijk en onverzadelijk
liefdegevoel, wordt het hart dier jonge dochters dor en ledig; hunne ouders
worden knorrepotten van de andere eeuw, oortjesdood! Hunne echtgenooten,
die zij droogzakken en vijanden van het vermaak noemen, gelijken niet aan
hunne ingebeelde jonkers en ridders; zij kunnen nimmer hunnen man oprecht
beminnen; zij breken hunne trouw en spotten met al de wetten der
eerbaarheid. Kendet gij het nest, waaruit al deze schoone zaken gesproten
zijn! Wist gij, wat modderpoel van goddeloosheid en zedenbederf dat Parijs
is, welks levenswijs gij uwe dochter wilt doen aanleeren! Beziet Hortense
Spinael! Wat is zij anders dan eene wulpsche /coquette/, die met vijftig
onkuische jongelingen te gelijk liefdewoorden spreekt, zich de ooren vol
ijdelen klap laat blazen en dagelijks dingen hoort, die mijn berimpeld
voorhoofd onder mijne grijze haren zouden doen rood worden, eene Dante, die
nu reeds hare goede faam verloren heeft. Wat zal er van haar geworden?
Fortuin doen? Neen, neen; zij zal zoolang met het vuur spelen, totdat zij
zich brandt, en dan is het dartelen gedaan..... Van iedereen veracht en
verfoeid, zal zij dan in tranen het overige van haar leven slijten en te
laat eene eerbaarheid betreuren, die onwederroepelijk geschonden
blijft.--O, mijne vrienden, is dit het lot, dat gij uw eenig kind, uwe
goede Siska, wilt doen ondergaan? Zult gij voor God durven verschijnen,
wanneer gij de zaligheid van uwe dochter met hare zeden zult hebben
verspeeld, om anderen in de Fransche boosheid na te apen? Wilt gij ze
verwijzen tot een leven van berouw en van wroeging, tot het storten van
bloedtranen over hare geschondene eerbaarheid? O, zegt mij neen, ik bid u!»
Hier borst vader Van Roosemael in tranen los; hij wilde spreken, doch kon
in het eerst niet, zoozeer verkropte hem de angst, dien het voorgeschetst
lot van Siska hem had ingeboezemd. Hij stond op, vatte de hand van den
dokter en riep eindelijk:
«Dank, dank, vriend. Uw wijze raad zal hier gevolgd worden; ik versta wel,
dat mijne vrouw onze Siska naar het pensionaat van Hortense Spinael wil
zenden; maar dat men er niet meer van spreke, hoort gij, vrouw, of ik zal u
laten zien, dat uwe koppigheid slechts zoolang duren kan, als ik het wil
verdragen!»
De vrouw begreep aan de klemmende stem van haren man, dat hij ditmaal de
zaak ernstig meende; zij antwoordde koelbloediglijk:
«Nu, nu, zwijg er maar van. Gij moet daarom niet weenen. Dat Siska dan al
te huis blijve, en zie, dat gij zelf er iets van maakt!»
Deze woorden bedroefden den dokter; hij begreep genoegzaam, dat moeder Van
Roosemael niet bekeerd was, en bracht nog vele en verschillende redenen in
tegen haar gevaarlijk voornemen. Eindelijk begon hij te gelooven, dat hij
had gezegepraald en nam zijn afscheid, half vergenoegd en half droef.
Omtrent drie maanden later zag de dokter eens van verre meester Van
Roosemael hem te gemoet komen. De man zag er ongemeen treurig uit en ging,
tegen zijne gewoonte, zeer langzaam voort, alsof hij uit eene zware ziekte
ware opgestaan. De oude Pelkmans, hem genaderd zijnde, vatte hem bij den
pols en sprak;
«Niet ziek, hoop ik? Er scheelt toch iets aan; uw pols slaat zoo langzaam.
Wat hebt gij, vriend?»
De goede Van Roosemael sloeg zijne oogen op, en terwijl twee tranen op
zijne wangen vielen, zuchtte hij:
«Siska is naar het pensionaat!.....»
«Dit is niet erg,» bemerkte de dokter, «maar naar welke kostschool is zij?»
«Naar het pensionaat van Hortense Spinael! Word niet boos op mij, vriend
Pelkmans; het is mijne schuld niet. De duivel heeft mijn huishouden twee
maanden lang overhoop gezet, eer ik heb toegestemd; maar den zaag, den
twist en het weenen van moeder en dochter kon ik niet langer uitstaan; ik
ben er zuiver mager van geworden.»
Een gevoel van droefheid kwam het hart des dokters vervullen; dan, hij had
medelijden met zijnen vriend en antwoordde glimlachend:
«Meester Van Roosemael, de oude Grieken schrijven van eenen wonderbaren
held, dien zij /Hercules/ noemen. Deze heeft vele reuzenwerken uitgevoerd:
rotsgebergten gekloofd, stroomen verdraaid, wilde stieren den nek
omgewrongen, slangen platgenepen, ja, zelfs eenen draak met zeven hoofden
den hals gebroken; maar dat hij in zijn geheele leven een vrouwenhoofd zou
gebroken hebben, dit heeft men niet durven schrijven. Waarom zouden wij
het dan kunnen?--Troost u toch, ik heb alles ten ergste opgegeven; het zal
er waarschijnlijk zoo slecht niet gaan als wij denken, en in alle geval,
Siska komt toch alle jaren tweemaal naar huis: dan zullen wij het kwaad al
vroeg kunnen tegenhouden, indien wij het bemerken.»
De vader glimlachte troostvol en blij: hij drukte met dankbaarheid de hand
des dokters en vervorderde zijnen weg met versnelde stappen.
[10] Door het woord /coquette/ verstaan de Franschen eene mannenzottin, die
zich met niets bezig houdt dan met modekleederen, pommades, blanketsel,
geveinsden liefdezang, Fransche complimenten en anderen wind;--die,
getrouwd of ongetrouwd, Jan en alleman tot vrijers zou willen hebben, en in
de wereld niets veroorzaakt dan ergernis, huistwist en zedenbederf.
Voortijds was dit soort van vrouwen in de Vlaamsche landen onbekend; ook
bestaat er in onze moedertaal geen woord, dat met /coquette/ overeenkomt.
Wij hebben wel /Lichtvink/, /Dante/ en nog een ander zeer bekend woord, dat
ik niet zeggen wil; maar deze benamingen worden niet toegepast dan op
/coquetten/ der geringste klasse. Te Antwerpen zegt men nog wel, sprekende
van eene juffer, wier goede faam niet zwaar weegt: het is een /haantje/!
Zou dit het woord /coquette/ niet zijn?
[11] Verschillende wijzen van het haar op te doen: op zijn sneeuwsch, op
zijn kurketrekkersch, op zijn Chineesch.
[12] Verschillende wijzen van kleeden: een morgenkleed, een wandelkleed,
een balkleed.
III
HOOG VLIEGEN, DIEP VALLEN
Siska was met nette burgerkleederen en eene welvoorziene kist vol nieuw
lijnwaad naar de kostschool vertrokken; maar niet lang bevond zij zich
daar, of zij begon onder allerlei voorwendsels en met schoone woorden om
geld te schrijven. Haar eerste brief ving in dezer voege aan:
«Lieve en welbeminde Mama,
Ik ben het slechts gekleed van het geheele pensionaat; de andere
mammezellen lachen mij uit en zeggen, dat ik eene boerin ben. Ik doe niets
dan krijschen en ik heb veel verdriet en ik zal ziek worden, allerbeste
mama, als gij geene /compassie/ met uwe ongelukkige Siska hebt. De dochter
van den coiffeur, die papa komt scheren, is hier ook op het pensionaat, en
die is wel gekleed in het satijn en in de zijde gelijk de anderen; ik
alleen loop met een licht katoenen kleêken en heb geenen hoed of geene
bottinnen, dat ik heel krom geworden ben van schaamte en van met mijne
oogen naar den grond te gaan. Ik word bleek en mager, en ik zal zeker ziek
worden, lieve mama, als ik nog langer de verstootelinge van het pensionaat
moet zijn.--Ik ben al in den /Télémaque/, en ik kan al zoo schoon dansen,
dat de andere mammezellen er jaloersch over zijn.
De complimenten aan papa.
Uwe getrouwe dochter tot in den dood,
Eudoxie van Roosemael.»
De moeder durfde dezen brief aan haren man niet toonen. Zij gevoelde wel,
dat daarin de voorteekenen lagen van het kwaad, dat dokter Pelkmans had
aangewezen: er heerschte reeds een toon van lichtvaardigheid in; het einde
scheen haar uit een minnebrief ontleend te zijn, en met droefheid poogde
zij de uitlegging te vinden van het woord /Eudoxie/, dat zij eindelijk
aanzag als de vertaling van den voornaam /Siska/. Uit medelijden tot hare
dochter zond zij haar tweemaal zooveel geld als deze zou hebben durven
verwachten. Dit geschiedde meer dan eens: Siska bezat nu alreeds de kunst
om zoogezegde onnoozele leugens aaneen te knoopen, en de liefde harer
moeder uit te persen als eene spons. Men zou zich kunnen verwonderen over
deze spoedige verandering;--maar was zij dan alleen? Had zij in hare
gezellinnen niet meer dan honderd leermeesteressen, die haar door woorden
en voorbeelden in al de aardige en grillige ondeugden der luiheid en der
wulpschheid onderwezen? O, dit deel harer Fransche opvoeding was
onmiddellijk voltrokken. De eerste maand had zij een zijden kleed met
gewatteerde borst: het was de mode; de tweede maand eenen satijnen hoed
met bloemen; de derde een zonnescherm of /parasol/; de vierde een kleed met
ontblooten hals; de vijfde gebruikte zij pommade en amandelmelk, en had
ergens een zeer klein doosken verborgen, waarin zij van tijd tot tijd den
vinger eens stak en dan hare blozende wangen met een schaamloos rood
bestreek, alleenlijk maar om eens te beproeven, hoe zij er dan zou uitzien.
Was dit geene zeer eerzame opvoeding, zooals de burgerdochters er eene
moeten ontvangen?
Ja, maar de zesde maand nadert met snelle stappen, en het zal verloftijd of
/vacantie/ zijn. Wat zal de dokter zeggen, als hij Siska zal zien met
wulpsche kleederen, met een welriekend voorhoofd, met een genepen mondje en
een altijd lachend gezichtje? Zal hij dat vrouwelijk hart kunnen
doorgronden en zien, wat zaden van bederf er in ontkiemen? Voorzeker, dit
zou hij hebben kunnen zien; maar op het oogenblik dat Siska gereedstond om
naar het pensionaat te vertrekken, had hare moeder geheimelijk gezegd:
«Let op, Siska, dat gij nu wijs zijt,--en als gij met schoolverlof komt,
wees dan niet te wild of te hoovaardig; want zoo dokter Pelkmans dit
bemerkt, zal uw vader u niet meer laten teruggaan.»
Deze woorden waren niet in het oor van een doove gesproken. Siska had met
hare gezellinnen dikwijls er om gelachen en geraadpleegd, hoe men /dokter
moeial/ zou bedriegen.
Zij kwam dan op eenen namiddag met hare moeder, die haar was gaan afhalen,
aan de deur van den winkel afgestapt. Is dat wel de Siska, die wij kennen?
Zie, wij misgrepen ons: zij draagt een zedig burgerkleed; het haar
platgestreken, zonder krullen, geenen hoed, geene pommade en met het hoofd
gebogen en de oogen nedergeslagen! Men zou zeggen: het is /Truiken roert
mij niet/. De dokter ondervraagt haar; zij antwoordt zoo eenvoudiglijk, zij
is zoo stil en zoo weinig van spreken, dat hij zich verloren geeft..... En
Siska mag naar het pensionaat wederkeeren.
* * * * *
Terwijl de dochter van meester Van Roosemael de verfranschte opvoeding
genoot, ging het niet zeer wel met den winkel en het huisgezin van meester
Spinael. De Fransche jonkheid betaalde zeer zelden, en bij het einde van
elk tooneeljaar lichtten al de komedianten den voet, welvoorzien van
onbetaalde laarzen en schoenen. Hortense bracht er ook al een aardig
geldeken door in kleederen en snoeperijen; misschien gaf zij somtijds wel
iets weg aan hare kale vrijers. Kort gezegd: meester Spinael stak in de
schuld tot over de ooren; zijn huis was reeds belast met eene zware rente.
In dezen droeven toestand begonnen de oogen van den schoenmaker open te
gaan; de plakkaart, waarop de glans eener laars den aanschouwer verblindt,
lag reeds lang gescheurd op den zolder, en er stond slechts nog een
opschrift op het vensterraam: /Magasin de souliers/, en daaronder
/Schoenenmagazijn/. Maar de Vlaamsche klanten hadden den weg tot zijnen
kwakzalverswinkel vergeten; de te vroeg geborsten schoenen lagen hun nog in
het geheugen..... En meester Spinael met zijne paletot, zijne
chocoladekleurige broek en zijnen spinsbekken ketting, wist niet meer van
wat hout pijlen te maken: hij was er doorgetobd, de vent!
De ondeugd is door hare natuur alleenheerschend; wanneer zij eens de baan
tot het hart gevonden heeft en daar met vriendschap wordt ontvangen, wil
zij het geheel alleen bezitten en rukt, tot den laatsten toe, al de
wortelen der ingeboren deugden uit. Niets weerstaat aan hare onophoudende
bevechting; alle gevoelens van rechtvaardigheid en plicht werpt zij uit
hare woning, en zij neemt bezit van den mensch als van eenen slaaf. Dit
ondervond meester Spinael op eene verschrikkelijke wijze. Hij was nu in
zijne zaken tot het uiterste punt geraakt: overladen met schulden, arm en
lijdend, betreurde hij zijne onvoorzichtigheid en poogde in de deelneming
zijner dochter eenen troost te zoeken; maar van haar kreeg hij niets dan
schandelijke verwijten, en ondanks het gebrek, waarin hij leefde, ging de
ondeugende Hortense voort in allerlei verkwistingen en in schuld te maken
om hare wulpschheid te voeden.
Weinig tijds daarna kwam Jan Spinael, of liever Jules, zoo hij zich noemde,
van Parijs terug; doch in stede van bij den schoenmakersdrieprikkel neder
te zitten en zijnen ongelukkigen vader voort te helpen, had de jongen
nergens trek naar dan naar schoone kleederen, koffiehuizen afloopen,
biljart spelen, sigaren rooken en Franschen wind verkoopen. Hij ging met
zijne zuster eene vloekbare samenspanning aan tegen den onmachtigen vader:
zij deden hem zijn huis verkoopen en begonnen onder zijne oogen schoon
weder te spelen met het weinige, dat er, na het afleggen der renten,
overschoot. Allengs verviel meester Spinael tot dat punt van armoede, dat
de kleederen en het gelaat deze komen verraden; zijne ellebogen staken door
zijne mouwen; hij was vuil en onzindelijk, daar hij zelfs den moed niet
meer had om pogingen tot het verbergen zijner ellende te doen. Zijne
kinderen waren desniettemin schoon gekleed en leefden, met verachtelijke
onbeschaamdheid, in weelde onder het oog huns vaders. Ongetwijfeld hadden
zij van het geld een deel verborgen, om tot hunne dartelheid te gebruiken,
en zij weigerden nu, doemelingen als zij waren, hunnen vader er deel in te
geven.
Op eenen Zondag, dat meester Spinael, uit schaamte voor zijne gescheurde
kleederen, zelfs niet ter kerk had durven gaan, en dat hij, met de tranen
in de oogen en met het hoofd gebogen, zijnen levensloop en de boosheid
zijner kinderen overdacht, kwam er een jonge heer (/kleermaker of edelman,
het was in zijnen persoon niet te onderscheiden/) naar Jules en Hortense
Spinael vragen. Hij zag den droeven man voor den knecht des huizes aan en
sprak in gebroken Fransch tot hem:
«Garçon, va dire à M. Jules et à M^{lle} Hortense, qu'on les attend pour
partir[13].»
En alzoo de verbaasde Spinael den jonker roerloos, aanzag, viel deze
onbeschoft tegen hem uit:
«Ah ça, veux-tu bien m'annoncer, insolent valet[14]?»
(/Deze woorden had hij geleerd uit de laatste VAUDEVILLE, die men op het
THEATER had gespeeld./)
Eensklaps werd Spinael ongemeen bleek en beefde schrikkelijk; zijne oogen
schoten stralen vuurs op den jonker; maar deze, hierover vergramd, hief
zijnen gaanstok in de hoogte en riep dreigend:
«Maraud, je te rosserai[15]!»
Een schreeuw van woede ontsnapte de borst van Spinael; hij stond op, vatte
eenen spanriem van den grond, sloeg den jonker er mede in het aangezicht en
wierp hem op de straat, eer hij den tijd had om een woord te spreken. Dan,
nog bevende, sloot hij zijne deur toe en klom de trap op, om zijne kinderen
te gaan vinden. Sedert lang had Spinael den moed niet gevonden om hun de
minste verwijting toe te sturen: doch nu de woede hem bezielde, durfde hij
het wagen, hun al de schandelijkheid van hun gedrag onder het oog te
leggen. Hij vond hen in groot /toilet/, met /parasol/ en gaanstok in de
hand, gereed om, volgens dat zij zeiden, met een gezelschap naar Brussel
een speelreisje te gaan doen. De verwijten des vaders waren streng en
drukkend, maar het misprijzen, waarmede deze godvergeten kinderen ze
ontvingen, was oneindig. Hoe meer de gramschap des vaders klom, hoe
onbeschaamder de kinderen werden, en nadat zij hem eenige oogenblikken
hadden uitgelachen, wenschten zij hem spottend goeden dag en meenden uit te
gaan.
De vader, door zooveel boosheid in blinde razernij ontstoken, sprong voor
de deur om hun den uitgang te beletten, en riep:
«O, gij slangen, het is u niet genoeg mij tot den bedelzak gebracht te
hebben, nog zoudt gij mij gaarne doen sterven door uwe spotternij! Niet
genoeg is het, dat gij in schandelijke weelde de vruchten van mijn zweet
verkwist, terwijl ik, als een bedelaar, zonder kleederen en zonder het
noodige voedsel leven moet; niet genoeg, dat een schaamtelooze modejonker
mij voor den knecht mijner kinderen aanziet en mij in het aangezicht spuwt,
dat hij mij als eenen knecht zal slaan; niet genoeg, dat ik hier honger
lijd en bittere tranen stort, terwijl gij in losbandige vermaken zwemt;--ik
moet sterven als een hond, niet waar? Van iedereen veracht en door u
verfoeid, in het graf zinken, zonder dat mijn dood een enkel gevoel van
droefheid of van medelijden doe ontstaan! Maar het is gedaan: de maat is
vol! Gij zult niet uitgaan; en zoo gij niet oogenblikkelijk deze
weeldekleederen afwerpt, zal ik u onder mijn voeten verpletteren gelijk
ongedierte, dat gij zijt!»
[Illustration: En bezag den inkomende met stijve aandacht. (Bladz. 35.)]
Een schaterende lach begroette des vaders toorn, en hij zag genoegzaam, dat
zijne bedorvene kinderen noch aan zijne macht, noch aan zijnen wil geloof
gaven. De zoon naderde stoutelijk tot bij de deur en poogde zijnen vader
met geweld er van weg te rukken.....
Hier volgde nu een tooneel van onnoemelijke boosheid, welks beschrijving
ons walgt.
Eenige oogenblikken later gingen Jules en Hortense Spinael de huisdeur uit;
aan de roode kleur, die hunne aangezichten deed gloeien, en aan de moeite,
welke zij aanwendden om hunne verkrookte kleederen te schikken, kon men
genoeg bemerken, dat zij uit eene hevige worsteling kwamen; niettemin, zij
lachten spottend als menschen die over eenen misprijsbaren vijand
gezegepraald hadden, en namen weldra hunnen gang om het reisgezelschap te
gaan vinden en in de hoofdstad zich aan dwaze vermaken te gaan overleveren.
In tusschentijd was de ongelukkige vader bezig met het bloed te stelpen,
dat hem van het aangezicht leekte.
* * * * *
Eene maand later, op eenen Zaterdag, zat vader Van Roosemael in zijne
achterkamer rekeningen uit een groot boek te schrijven; sedert meer dan een
uur zocht hij met hardnekkigheid naar de drie /deniers/, die hem bij elke
optelling ontsnapten. Zijn voorhoofd glom met het vuur der drift, en zijne
hersens waren reeds duizelig geworden, toen hij met wanhoop uitriep:
«Wel, wel, is dat zoeken! Al die posten, op de vingeren geteld, maken toch
vijf en zestig guldens, acht stuivers en vijf deniers; en op dit
schelmachtig papier kan ik slechts twee deniers krijgen! Ik kon de drie
deniers wel laten schieten en ze verliezen, maar dit is de zaak niet; het
moet uitkomen: ieder 't zijne, dan heeft de duivel niets! Nog eens
gerekend!»
Op dit oogenblik, dat Van Roosemael inderdaad opnieuw zijne drie deniers
begon na te jagen, ging de deur der kamer open, en een man trad vreesachtig
binnen; de winkelier sprong met verbaasdheid van zijnen stoel op en bezag
den inkomende met stijve aandacht, doch zonder spreken. De man, die slechts
twee stappen in de kamer waagde, was tot het uiterste punt van ellende
vervallen: mager, bleek, met verward haar, gescheurde kleederen en gapende
schoenen, stond hij daar als iemand, die om eene aalmoes komt bidden. Van
Roosemael herkende hem in het eerst niet en zag hem met vragende blikken
aan; onder zijn gezicht ontstelde zich de man, en twee tranen schoten hem
blinkend onder de oogleden.
«Meester Spinael, wat wilt gij van mij?» vroeg eindelijk de winkelier met
mistrouwen. «Indien gij weder hier komt om mij geld te ontleenen, kunt gij
gerust vertrekken, want ik ben niet te huis voor zulke zaken.»
Tranen sprongen bij deze woorden in overvloed uit de oogen van Spinael.
«Meester Van Roosemael,» zuchtte hij, «ik kom hier niet om u geld te
ontleenen of te vragen. Wist gij, hoe ongelukkig ik ben, gij zoudt mij niet
verstooten: iedereen veracht mij, en ik heb zelfs den troost niet meer om
aan iemand van mijne ellende te kunnen spreken. Ik heb u bedrogen, Van
Roosemael, maar gij zijt eens mijn vriend geweest; weiger mij nu ook ten
minste uw medelijden niet!»
Met verbaasdheid luisterde de winkelier op de smeekende stem van Spinael;
hij begreep oogenblikkelijk, dat men van hem geen bedrog meer te vreezen
had, en dat eene ongeveinsde en diepe ellende den man had getroffen, die
lang zijn boezemvriend en zijn broeder was geweest. De ingeborene
edelmoedigheid nam in zijn hart de overhand; zijne oogen begonnen
insgelijks door de toevloeiing van eenen bedwongen traan te blikkeren; hij
vatte de hand van Spinael, trok eenen stoel bij en sprak:
«Gij zijt ongelukkig, vriend, ik zie het. Welaan, alles is vergeten. Zit
neer en zeg mij, wat kan ik voor u doen? Vrees niet, ik zal u behulpzaam
zijn, kost wat kost!»
«De eenige weldaad, die ik van u vragen durf, is, dat gij mij toelaat u
mijn lijden te vertellen en mijne smart uit te storten in het hart van den
eenigen oprechten vriend, dien ik heb gehad. Lange jaren heb ik u gevlucht,
Van Roosemael; niet omdat ik u niet achtte en beminde, maar omdat ik mij
schuldig gevoelde en onder de oogen van een rechtzinnig man niet
verschijnen durfde. Nu is het met mij zooverre gekomen, dat ik mijn
vaderland verlaten moet en, als een zwerver, mijne schaamte en mijn lijden
in eene vreemde streek moet gaan verbergen. Ik ben stout genoeg, Van
Roosemael, om te denken, dat gij mij uwe vergiffenis schenken zult, voordat
ik vertrekke, om nooit de plaats mijner geboorte weder te zien.»
Deze woorden, op den toon van diepe smart gesproken, ontroerden den
winkelier zeer; hij greep de hand van Spinael met diepe belangstelling en
sprak:
«Ongelukkig zijt gij, ik twijfel er niet aan; maar uw vaderland verlaten,
Spinael? Neen, neen, wanhoop niet. Ik speel wel voor oortjedood[16] in
mijnen handel, omdat er moet gezorgd worden; maar dit kan mij niet beletten
den eenigen vriend, dien ik heb gehad, uit den nood te redden, al moest ik
zelfs daartoe een groot gat in mijn goed maken. Dus spreek, Spinael, spreek
stoutelijk, gij zult mij verheugen; want ik wil u helpen.»
Een dankbare glimlach kwam het vermagerd gelaat van Spinael beglanzen,
terwijl tranen over zijne wangen rolden; hij sprak met ontroerde stem:
«Ik zegen den goeden God, dat Hij mij inboezemde bij u mijnen laatsten
troost te zoeken, Van Roosemael. Sedert een jaar is dit mijn eerste
oogenblik van vreugde: dank moet gij daarvoor hebben! maar luister op mijne
woorden, en gij zult zelf begrijpen, dat het onmogelijk is, mij eene andere
hulp dan die van een vriendelijk medelijden te schenken..... Gij weet, wat
dwaze gedachte mij aandreef tot het navolgen der Fransche lichtzinnigheid;
ik heb de vaderlijke zeden en de Vlaamsche eerlijkheid afgezworen om in
bedriegerij mijn geluk te zoeken, en ik waagde in dat gevaarlijk spel de
vruchten van mijn vorig zwoegen tegen valschen schijn. Het spreekwoord zegt
de waarheid, vriend: beter één vogel in de hand dan zeven in de lucht.
Hadde ik dit begrepen! Maar tot mijn verderf heb ik niet alleen mij zelven
aan de valschheid overgegeven, ik heb ook gewild, dat mijne kinderen aan
den vergifkelk der Fransche beschaving dronken. Dit is de bitterheid mijner
ellende; hadde ik mijne dochter Theresia nooit naar een Fransch pensionaat
gedaan, zoo ware ik meester Spinael..... Maar gij wordt bleek, Van
Roosemael, gij beeft?»
«Het is niets, ga voort. Ik dacht aan onze Siska, die ook in een Fransch
pensionaat is.»
«Doe ze terugkomen, Van Roosemael,--ik bezweer u, doe ze terugkomen!--Reeds
zult gij ze niet meer herkennen!»
«Gij hebt misschien gelijk, vriend; maar ga voort, ik wil weten of ik u
niet helpen kan.»