Ongelukkige moeder, zij dacht op dat oogenblik aan het gedrag van Hortense

Spinael, en beefde van angst in al hare ledematen. Voorzeker zou zij

scherpere woorden tot hare dochter gesproken hebben: maar nu stonden zij

voor den dorpel van den winkel en stapten binnen. Niemand bevond zich

alsdan daarin, dan meester Van Roosemael, die bezig was met koffie te

malen. Het kostte Siska nu geen geweld om haren vader te omhelzen, daar

geen vreemd oog haar kon beschamen. De goede man gaf zich in dit eerste

oogenblik gansch aan zijne vaderlijke teederheid over en zoende het

opgesmukte kind met blijdschap. Deze liefdesbetuiging werd echter alweder

spoedig door Siska afgebroken, en haar ontviel onmiddellijk de Fransche

roep:

«/Maman, ma chambre?/ Zeg, waar is mijne kamer? Kan ik deze doozen nu in

den winkel laten staan? Koetsier, help mij dit eens boven dragen!»

Een uur later had Siska zich in hare kamer opgesloten en was bezig met hare

menigerlei hoeden en kleederen uit te pakken, hare pommadepotten en

balsemfleschkens te schikken en hare krullen met de vingeren wat zwieriger

dooreen te fladderen. Men hoorde hare stem tot in den winkel: zij zong het

eeuwig Fransch referein van /ô ma belle, sois moins cruelle/, en zoo voorts

van hetzelfde staaltje[20].

Meester Van Roosemael stond als bedwelmd achter zijnen toog; zijne eene

hand rustte nog zwaar op den arm van den koffiemolen, en met de andere

krabde hij achter zijne ooren als een radeloos mensch. Zijn oog blikte

stijf en beweegloos vooruit in den winkel; eene diepe, eene pijnlijke

overweging had hem weggerukt: hij ook dacht aan Hortense Spinael en

mompelde van tijd tot tijd:

«Beest dat ik ben! Hadde ik liever mijne koppige vrouw armen en beenen

gebroken. Dokter Pelkmans mocht het wel zeggen, dat ik mijne ooren zou

krabben; maar dat klagen helpt er nu wat aan! Eene schoone pleister voor

den dood!»

Meer angst, meer benauwdheid en bovenal bittere wroeging des gewetens

folterden de arme moeder. In hare halfduistere keuken zat zij in eenen hoek

aan de innigste smart overgeleverd, en weende bij poozen met min of meer

tranen, naar mate der angstigheid harer overdenkingen.

Ongelukkiglijk hielp het weenen en klagen zoo min als de vermaningen en

gebeden: het was al boter tegen den galg gekletst[21]. Siska bleef haren

wil doen. Allengskens nochtans nam het moederlijk gevoel van vrouw Van

Roosemael toch weder de overhand, en door het geweld, dat zij doen moest om

Siska bij haren vergramden vader te verschoonen, eindigde zij zelfs met

niets, dat waarlijk slecht was, in haar te zien: wel wat grillen en wat

eigenzinnigheden, maar toch zonder erg. Het kind is nog jong; dat zal wel

veranderen!--Door deze toegevendheid verkreeg de moeder meer

liefdesbetuigingen van hare dochter, en zij troostte zich met aan de

klanten te kunnen zeggen:

«Onze Siska is geleerd, man. Zij kent haar Fransch beter dan haar Vlaamsch.

Zij is eene perel van eene vrouw!»

Even gelijk alle burgerdochters, die in een Fransch pensionaat zijn

opgevoed, bezat Siska eene zeer aardige geleerdheid. Van de Fransche taal

kende zij hetgene noodig is om ijdele woorden te wisselen, en te spreken

van /amour/ en /toilette/. In die gesprekken zelve trok zij het Fransch

schrikkelijk bij het haar; doch hare stoutheid en hare losse wending deden

deze feilen lichtelijk over het hoofd zien. De rekenkunde kende zij niet:

dit is eene veel te moeilijke wetenschap voor zulke teere jufferkens; ook

kon Siska geene optelling maken, alhoewel zij genoeg in het cijferen

geleerd was, om te weten, dat, wanneer men drie vrijers te gelijk heeft,

men er dan al eenen kan verliezen zonder daarom geheel verlaten te zijn.

Van de aardrijkskunde had zij onthouden dat Parijs de schoonste stad der

wereld is, het Luilekkerland der jonge meisjes, waar men altijd malt en

danst, waar tienmaal meer komedies dan kerken zijn, waar de modes en de

pommades uitgevonden worden, enz.; de schoonste dingen verzwijgen wij. De

fabelkunde of /mythologie/ had haar anders niet geleerd dan dat de godin

der liefde Venus heet en dat de kleine Cupido haar zoon is. Verder wist zij

de Fransche benamingen van alle soorten van kleederen en stoffen, van alle

haartooisels, van alle pommades, reuken en stanken, van alle pasteikens en

bankettaartjes..... Zie, daarin bestond de geleerdheid van Siska. Was zij

eene parel van eene vrouw of eene verfranschte windblaas?

Vader Van Roosemael zou op deze vraag niet gunstig geantwoord hebben,

zooals genoeg blijkt uit de volgende woorden, welke hij omtrent dien tijd

tot dokter Pelkmans sprak:

«Hadden wij uwen raad gevolgd, dokter, dan zou onze Siska nu vergenoegd en

eenvoudig achter haren toog staan. Zij zou ons beminnen, en wij zouden met

vermaak werken om haar een goed erfdeel en eenen welgekalandeerden winkel

na te laten; maar wat is het nu? Zij zit achter den toog met eenen zijden

voorschoot en gekruld haar, zonder muts; zij klapt en babbelt den ganschen

dag met jonge melkbaarden en kale Ratten, die, onder voorwendsel van

sigaren te koopen, mijn huis afloopen en de burgers er uitjagen. De helft

mijner klanten ben ik reeds kwijt. Vriend Pelkmans, als ik dood ben, zal de

vaderlijke winkel ook te niet gaan; want Siska zal nooit willen trouwen met

een jongen van haren staat; en zeg mij eens, waar zijn die papieren jonkers

goed toe? Gij hadt gelijk, dokter: eene grondige Vlaamsche opvoeding zou

van mijne Siska eene bekwame en spaarzame huisvrouw gemaakt hebben; meer

nuttige dingen zou zij kennen dan zij nu kent; zij zou godvruchtig en zedig

gebleven zijn; maar neen, zij moest naar een pensionaat gaan en Fransch

leeren.--Zie, het is mogelijk, doch ik kan niet gelooven, dat zulke

opvoeding een edelmanskind betaamt. Dan, wat ik het best weet, is, dat zij

een burgermeisje in den grond bederft. Maar wat is het, dokter? Als het

kalf verdronken is, vult men den put, en men krabt zijne ooren, gelijk zij

zegt.»

[18] De naam Van Roosemael op zijn Fransch uitgesproken.

[19] Altijd op de straat zijn en dus de kasseien en steenen verslijten.

[20] Wij zeggen van hetzelfde staaltje, en bedoelen hierdoor van die

kinderachtige Fransche liedekens, waarvan de rijmen altijd en

onveranderlijk de volgende zijn:

amour douleur jolie

retour. c[oe]ur. ravie.

charmes tendresse ta vue

alarmes. allégresse. âme émue.

belle âme revoir

cruelle. flamme. desespoir, etc.

[21] Nuttelooze moeite.

V

BETER LAAT BEROUW DAN GEEN

Van den eersten dag harer terugkomst in het vaderlijk huis, had Siska alles

daar begonnen te beschimpen. Niets konden de goede ouders doen, of het was

gemeen, slecht of onbetamelijk; en daar de verfranschte juffer doorleerd

was in velerlei grillige gauwigheden, boog en plooide zij den wil harer

ouders als warm was.

Och! vóór drie uren kon zij niet eten: zij had geene boerenmaag! Bij het

hooren dezer nieuwigheid werd de vader gram, de moeder bedroefd; beiden,

omdat zij nu hun geheele leven lang op hetzelfde uur het middagmaal genomen

hadden en schrikten van zulke grondige verandering, die al hunne andere

bezigheden moest overhoop werpen; maar Siska begon te moffelen en zuur te

zien,--het hielp toch niet, alhoewel de moeder haar ditmaal uit medelijden

bijstond. Dan viel Siska in onmacht; zij kreeg leelijke stuiptrekkingen en

ging te werk als iemand, die zijn pak maakt om naar de andere wereld te

verhuizen. Een verfranscht dokter, ervaren in de eigenzinnige ziekten der

welopgevoede juffers, kwam zoovele ijselijke dingen van de zenuwen der

vrouwen vertellen, dat de ouders Van Roosemael uit benauwdheid besloten om

drie uren het middagmaal te nemen. Hoe dikwijls nochtans scheurden zij van

honger, daar zij altijd van vier of vijf uren des morgens opstonden en

zoolang moesten vasten, terwijl de dartele Siska nooit vóór negen uren

beneden kwam.

En de keuken dan? Wat arme keuken! Altijd aardappelen, koolen of savooien,

en ossenvleesch, gezoden of gebraden; het is altijd hetzelfde; Siska is van

tijd tot tijd zoo slap en zoo flauw!--Zij zal een duifken of wat vinkskens

eten..... dat zal haar beter smaken en haar deugd doen.--Hare zakken steken

altijd vol pepermunt en citroenpastilen, en niet zonder reden; want het

ongelukkige kind heeft allerlei kwalen: pijn aan de maag, pijn aan het

hart, pijn in het hoofd, pijn op de zenuwen, pijn overal..... Och arme!

Met hare moeder naar de mis van zes uren gaan, zal zij niet doen: in den

Winter is het te koud, en in den Zomer wil zij tusschen al dat gemeen volk

niet zitten; zij zou wel kwalijk vallen. De hoogmis duurt veel te lang; zij

krijgt koude voeten op die blauwe steenen. Maar de kwartjesmis[22], dit is

hare zaak; daar ziet zij schoone /toiletten/ om die na te apen. En dan kan

zij nog eens over het Groen kerkhof wandelen en hare nieuwe mantille laten

zien aan de jonkheid van /bon ton/. (Nota bene. Vele kleermakers,

sigarenrollers en heerenknechts).

Ziet, zij heeft hare oude moeder gedwongen, hare kanten trekmuts tegen

eenen zijden hoed te verwisselen en bottinnen aan hare voeten te rijgen,

anders zou zij met haar niet meer willen uitgaan. Maar hoe ongelukkig ziet

moeder Van Roosemael er uit onder haar kartonnen dak! Zij krabt gedurig aan

hare ooren, want die zijn het pletteren nog niet gewoon, en zij kan

nauwelijks drie stappen doen, of zij beweegt hare voeten gelijk iemand, die

in eene oude mat of in eenen vuilnishoop verward is: de nestels der

bottinnen kunnen met hare beenen maar geen kennis maken. Arme vrouw! de

geburen lachen haar uit, terwijl zij parelen zweet en wel door de steenen

zou willen zinken van schaamte.... Dan, vergeet niet, dat zij dit alles

voor hare dochter lijdt, en het dus geen wonder is, dat zij zonder klagen

hare smart verkropt. Wat vader Van Roosemael betreft, die werd nog het

meest door de grillige Siska gepijnigd; hij was altijd meester in zijn huis

geweest en had zijne zaken zoo voorzichtig aangelegd, dat deze op geen

oogenblik van zijn leven achteruit waren gegaan. Nu voorzag hij, dat er

wargaren ging ontstaan; doch hij had bijna niets meer te zeggen. Wat hij

goedvond, keurde zijne dochter af, en niet zelden dorst zij te kennen

geven, dat hij bekrompene gedachten had. Werd de man dan boos, zoo geraakte

het huis in rep en roer: hij aan de eene zijde en Siska met hare moeder aan

de andere. Men weet het: zoo haast het op snauwen en twisten uitkomt, is de

man een onmachtig kind in vergelijking der vrouw; hij maakt zich eenige

kannen zwart bloed, slaat wat op de tafel en bijt wat op de tanden; maar

heeft hij ooit het laatste woord gehad?

Dokter Pelkmans had men het insgelijks zoo moede gemaakt, dat hij eene walg

van het huis gekregen had en er schuw was van geworden.

Vader Van Roosemael was niet tusschen twisten en kijven opgevoed; vrede en

stille vriendschap achtte hij het grootste geluk op aarde; ook liet hij

eindelijk vele zaken tegen zijnen dank geschieden, om in geenen nutteloozen

woordenstrijd te vallen. Niettemin, deze eeuwige dwang en de plotselinge

verandering van zijn huishouden benevelden zijnen geest met diepe

droefheid, en niet zelden begroette hem de eene of andere bekende met deze

woorden: «Maar, Van Roosemael, wat zij gij mager geworden! Zijt gij ziek

geweest?»

In eene enkele zaak was het den goeden man gelukt, tot hiertoe te

overwinnen, namelijk in de aanvallen, welke Siska tegen den winkel zelven

richtte. O, die zou en die moest veranderd worden! Dan, dit kostte meer

moeite en meer listen.--Achter dien toog was vader Van Roosemael opgevoed;

de stoel, waarop zijne moeder zaliger hem gezoogd had, stond er nog; die

tonnekens en kinnekens had hij toegelachen, eer hij spreken kon; geen

barstje, geen teeken, of het was hem eene zalige herinnering: ter oorzake

van den geblutsten pot, die daar staat, had zijn vader, den dag vóór zijnen

dood, hem eene zoo treffende vermaning over de spaarzaamheid gegeven, dat

hij ze nu onuitwischbaar in zijnen geest geprent hield; de zware vlekken,

op dat groen tonneken, waren vlekken, die hij, kind zijnde, met zijne

handekens gemaakt had, omdat zijne goede moeder hem somtijds daaruit een

stuk suiker langde, en hij het tonneken dikwijls poogde open te streelen;

op dien houten bak staan twee letters ingesneden: J.-S..... Zij beteekenen

Jan-Siska en zijn een gedenkstuk zijner eerste en innige liefde.--In één

woord, deze winkel was zijn vaderland, zijne wereld; alles, wat er zich in

bevond, maakte deel van zijn bestaan en van zijn leven.

Ook, wie zal zeggen wat vloed van tranen Siska gestort heeft, hoe dikwijls

zij flauwgevallen is, hoevele dagen zij geweigerd heeft te eten, hoevele

stuipen en zenuwtrekkingen zij gehad heeft om den onverbiddelijken wil

haars vaders te breken en den winkel te mogen verfranschen?--Ja, dit heeft

een jaar lang geduurd: twaalf maanden van twist, van huisverdriet zijn er

voorbijgegaan, eer de oude Van Roosemael, als een overwonnen soldaat, het

hoofd liet vallen en met tranen in de oogen zeide: «Doet al aan!»

Maar dit woord, dat als zijn eigen vonnis hem door het harte sneed, knakte

terzelfder tijd zijn gemoed en zijn lichaam ter neder; hij begon te

kwijnen, werd bleek en zwak, en scheen met eene geheime kwaal naar het graf

te wandelen. Niet zelden beefde Siska als een riet, wanneer het glinsterend

oog van haren grijzen vader eenen beschuldigenden blik in haar oog schoot;

maar hij sprak niet, de moedelooze man,--en staarde in stom verdriet op de

werklieden, die bezig waren met zijnen winkel overhoop te zetten. Hij zag

al zijne dierbare herinneringen vernietigen; en, naarmate er eene van deze

onder den borstel des schilders of onder den beitel des timmermans

verdween, werden zijn adem en zijn leven korter.

[Illustration: Eene jonge vrouw geheel in eenen zwarten mantel gedoken.

(Bladz. 70.)]

Welhaast was de eenvoudige burgerwinkel herschapen in een prachtig

magazijn. Alles blonk er van koper; de toog was beschilderd met engeltjes,

die koffie maalden, sigaren rookten of tabak wogen; de vensterglazen waren

zoo groot als spiegels en overdekt met Fransche opschriften. Het gas

verlichtte dit alles; eene meid en een knecht stonden achter den toog met

de armen overeen geslagen, en Siska of mademoiselle Eudoxie Van Rosmal zat

tegen het venster, op eene hoogte, eenen Franschen roman te lezen.

Die staat van zaken duurde langen tijd, tot het groote verdriet van den

moedeloozen vader. Zooverre was hij nu geraakt, dat hij aan alles

onverschillig scheen, tot zelfs aan de vriendschap van Spinael. Deze had,

op aanrading van Van Roosemael, den koophandel in huiden en leder begonnen

en had in korten tijd veel gelds gewonnen, zoodat hij in staat ware geweest

om de ontleende duizend gulden af te leggen, hadde Van Roosemael ze niet

blijven weigeren. Van zijne kinderen had hij nog niets vernomen.

Terwijl alles in den winkel verwardelijk toeging en de geldkas ledig

geraakte, lag vader Van Roosemael ziek te bed; maar, vermits hij nooit

klaagde van pijn of ongemak, dacht men of wilde men denken, dat het eene

gewone onpasselijkheid was, en men vergenoegde zich met hem wel zorglijk te

dienen.

Op eenen morgen nochtans verzocht hij, dat men M. Pelkmans en Spinael zou

gaan roepen.

De laatste was juist voor handelszaken naar Keulen gereisd.

De dokter kwam onmiddellijk en bleef lang alleen met den zieke. Wat er

tusschen hen beiden omging of wat zij zeiden, weten wij niet. Dan, na een

uur tijds hoorde men iemand de trappen afkomen,--en de dokter verscheen in

den winkel. Zijn gelaat was bleek als dat van eenen doode en loste ijselijk

uit op den kraag van zijnen zwarten mantel; de oogen stonden hem fonkelend

in het hoofd, en zijne wangen beefden krampachtig als die van een woedend

mensch: door de opening van zijnen mantel kon men zien, hoe zijne geslotene

vuist zich nijdig toeneep. Van het oogenblik zijner verschijning in den

winkel had hij zijne vlammende oogen als pijlen in die van Siska gericht,

en ging nu als een spook achter den toog tot haar. Zij, vol angst en

benauwdheid, stak hare twee handen vooruit, alsof zij deze akelige

verschijning van zich wilde weren; maar de dokter ontsloot zijne vuist,

sloeg zijne hand aan haren pols, neep dien te pletten en sprak met eene

ijselijke stem:

«Uw vader gaat sterven, misdadig kind!--Gij hebt hem vermoord!»

Dan liet hij haar in onmacht op haren stoel nedervallen, ging ten huize uit

om eenen geestelijke te halen, en kwam kort daarna met de Berechting terug.

Nadat de zieke Van Roosemael de laatste hulp der Kerk ontvangen had en de

priester weg was, zuchtte hij:

«Mijn kind, mijne Siska wil ik zien, dokter..... Maar vergiffenis voor

haar!--o, pijnig ze niet door strenge woorden!»

«Ik ga ze halen; maar zij moet gestraft, zij moet gebroken worden.

Misschien zult gij dan uit den hemel op een deugdzaam en berouwend kind

kunnen nederzien.»

Met deze woorden opende de dokter de deur der kamer en ging beneden in de

keuken. Dáár zaten moeder en dochter met de handen voor de oogen te weenen;

Siska ging te werk, dat zij een steenen hart zou hebben vermorzeld:

zuchten, kermen en akelige klachten welden op uit haren boezem. O, ditmaal

was hare wanhoop niet geveinsd! De pletterende woorden, welke de dokter als

de vervloeking van den vergramden God in hare ooren had doen klinken,

hadden haar den blinddoek met geweld afgerukt. De naam van vadermoordster,

die nu gedurig voor hare oogen in vlammende letteren stond te lezen,

brandde op haren geest als eene sprankel van het helsche vuur, dat haar

wachtte. De zware stap des dokters deed haar met schrik opzien..... Ho!

daar staat hij weder voor haar, de wraakengel des Heeren! Zijn stekend oog

dringt tot in hare ziel; onder zijnen machtigen blik voelt zij hare

krachten verminderen; eene koude ijzing stolt het bloed in hare aderen.....

Maar zij rukt zich los van onder dit toovergeweld;--zij springt op, ploft

neder op hare knieën voor hem, heft de armen in de hoogte en roept:

«Uwe gramschap is rechtvaardig! Ik ben een misdadig en verfoeilijk

schepsel...... maar, in den naam van mijnen stervenden vader, o, genade,

genade voor mij!»

Twee tranen rolden blinkend over de wangen des dokters; zijn gelaat verloor

eensklaps de uitdrukking van toorn, om alleen nog de kenmerken der diepste

droefheid te behouden. Hij naderde tot het smeekende meisje, nam haar bij

de hand en sprak, zonder haar van den grond op te lichten:

«Siska, ongelukkig kind, gij hebt schrikkelijk tegen God misdaan, want Hij

heeft gezegd: bemint uwen vader en uwe moeder,--en gij, wat hebt gij

gedaan?..... Neen, neen, vrees niet, ik zal het ijselijk woord niet meer

herhalen.--Herkoop uwe misdaad, Siska; er is nog één middel om u met God en

met uwen vader te verzoenen. Ga tot hem, hij roept u stervende,--maar geef

acht! Indien hij deze wereld verlaat zonder de overtuiging van uw berouw en

uwe bekeering, indien hij den geest geeft zonder troost, zonder vrede en

zonder hoop voor u..... o, dan zal de vloek des Heeren u vervolgen tot na

dit leven!»

Hoe bitter, hoe hartverscheurend deze woorden ook waren, scheen Siska

daaruit meer moed te putten; zij zoende de handen van den dokter met drift

en riep, terwijl zij opsprong en naar de kamer haars vaders vloog:

«Dank! dank!»

* * * * *

..... Zou ik nu het plechtig stervensuur des vaders en de wanhoop der

dochter afschilderen? Zou ik u Siska toonen, waar zij huilend en met

hangende haren door de plassen harer gestorte tranen kruipt? Zou ik u

zeggen, hoe zij haar hoofd tot bloedens toe tegen het doodbed haars vaders

knotst; hoe zij hare schoonheid poogt te vernietigen en met hare nagels

door hare wangen ploegt; hoe zij al de teekens harer wulpschheid scheurt,

vertrapt en verbrijzelt?--O, neen, dit tooneel ware te wreed en te

pijnlijk!

Ziet, de vader gaat sterven; maar eene uitdrukking van gelukzaligheid maakt

zijn aangezicht gelijk aan dat van eenen heilige. Zijne brekende oogen zijn

met een troostvol gevoel voor het bed gericht. Dáár zit Siska geknield; zij

houdt hare moeder in beide armen omsloten, zoent ze met teederheid en

smeekt om vergiffenis; de dokter staat bij haar en stort tranen van

ontroering.--Dit tafereel ziet de stervende..... hij laat zijne slappe hand

over de bedsponde rijzen en op het hoofd van zijn kind nedervallen. Dan

zegt hij, terwijl zijne ziel hare vleugelen ontplooit en van de aarde

hemelwaarts opschiet:

«Gezegend, gezegend, o Siska, mijn kind!»

* * * * *

De honderdjarige winkel van Van Roosemael is nu gesloten. Moeder en dochter

leiden een eenzaam en boetvaardig leven; zij herinneren zich met afschrik

de oorzaak hunner rampen en voegen in hunne litanieën dit beteekenend

gebed: /Van het Fransche zedenbederf bevrijd ons, Heer!/

Heer Lezer, ik heb eenige hoop, dat deze ware geschiedenis uwe toegevende

aandacht zal gevestigd hebben, en dan zult gij wellicht ook nieuwsgierig

zijn om Siska te zien. Welnu, indien gij inderdaad die begeerte hebt, ga

dan des Vrijdags, omtrent zes uren des morgens, of wat later, naar de

Predikheerenkerk; doe de deur ter rechterhand open en stap voort over het

oude kerkhof, tot onder den Kalvarieberg en in de spelonk van het Vagevuur.

Hier zult gij eene jonge vrouw geknield zien zitten, geheel in eenen

zwarten mantel gedoken en met de kap over het aangezicht. Indien gij scherp

luistert, zult gij de parelen van eenen rozenkrans tusschen hare vingeren

hooren glijden, en van tijd tot tijd zal van onder hare kap een zucht

opgaan als die van eene der lijdende zielen. Zij echter zal zich niet

roeren, en in de halve duisternis zal zij u voorkomen als een biddend

beeld, dat daar gesteld is. Indien gij dan ziet, dat zij, opstaande, eenen

langen kus op de hand der smeekende ziel plaatst en traaglijk de spelonk

verlaat, zonder u schijnbaar te hebben bemerkt, zeg dan stoutelijk: ik heb

Siska Van Roosemael gezien!

De dochter van Spinael zal ik u niet wijzen: er zijn plaatsen, die men niet

noemen mag. Wat haren broeder betreft, er zijn gevangenissen genoeg in

Frankrijk, om gauwdieven en schelmen op te sluiten.

EINDE VAN SISKA VAN ROOSEMAEL

[22] In de hoofdkerk te Antwerpen wordt er des Zondags, te twaalf uren,

eene misse gelezen, die men de /kwartjesmis/ noemt, omdat zij gewoonlijk

slechts een kwartier duurt. Wie laat opstaat of schoone kleederen te toonen

heeft, gaat naar deze mis.

Transcriber's notes

* This novella was combined into one printed volume with another novella

called "Hoe men schilder wordt," which will also appear at Project

Gutenberg in due time. References such as a table of contents that

point to the other novella have been left out of this e-text.

* A footnote is missing on page 57 of the print version. Also, the

numbering of footnote references on that page is in the wrong order.

This has been corrected in the e-text.

* Page 9: inserted full stop after "Semelles de liège, enz".

* Page 10: inserted closing quotes after "toch niet vangen.....".

* Page 19: capitalized "ik" at the beginning of a sentence: "Ik versta

u genoegzaam".

* Corrected: "et hare moeder" to "met hare moeder" on page 62.

* Corrected comma to full stop after "in hare aderen...." on page 68.

* Corrected "gescheurt" to "gescheurd" in "reeds lang gescheurt" on

page 29.

* OE ligatures have been transcribed as "[oe]" in the TXT version.

* The HTML version contains invisible page numbers that refer to the

page numbers of the original print edition.

End of Project Gutenberg's Siska van Roosemael, by Hendrik Conscience

Siska van Roosemael · 第 3 / 3 段