VIERDE TOONEEL.

Belmont. Een kamer in Portia's woning.

Portia, Nerissa, Lorenzo, Jessica en Balthazar komen op.

LORENZO. Mejonkvrouw, laat mij 't in uw bijzijn zeggen:

Gij toont een edel, echt en fijn gevoel,

Dat vriendschap godd'lijk is, en dit blinkt uit,

Door zoo het afzijn van uw gâ te dragen.

Maar wist ge, aan wien ge zulk een eer bewijst,

Wat echten edelman gij hulpe zendt,

Aan welk een waren vriend van uw gemaal,

Dan zoudt ge trotscher zijn op wat ge deedt,

Dan 't hart, gewoon om wel te doen, u dringt.

PORTIA. Nooit heeft mij nog een goede daad berouwd,

En deez' zal 't ook niet doen; want trouwe makkers,

Die samen immer leven en verkeeren,

Wier zielen saam één juk van vriendschap dragen,

Gelijk verdeeld, die moeten wel gelijk zijn

In wezenstrekken, geest en wijs van doen;

Dit doet mij denken, dat Antonio,

De boezemvriend van mijn gemaal, geheel

Als mijn gemaal moet zijn; en is dit zoo,

Hoe luttel zijn dan de offers, die ik bracht,

Om uit den greep van helsche wreedheid 't beeld,

Het spiegelbeeld te slaken van mijn ziele!

Maar dit begint naar eigen lof te zweemen;

En dus genoeg hiervan; hoor nu iets anders.--

Lorenzo, aan uw hand vertrouw ik toe

't Beheer en de bezorging van mijn huis,

Totdat mijn gâ terugkomt; want ikzelf

Deed aan den hemel een gelofte, dat

Ik in bespieg'ling en gebed zou leven,

Slechts door Nerissa vergezeld, totdat

Onze echtgenooten zijn teruggekeerd;

Ik neem met haar mijn intrek in een klooster,

Twee mijlen hier van daan. Ik bid u thans,

Dat gij deze opdracht aanneemt, die vertrouwen

Op uwe vriendschap, en noodzaak'lijkheid

Mij geven doen.

LORENZO. Van ganscher hart, mejonkvrouw,

Gehoorzaam ik uw vriendelijk bevel.

PORTIA. Ik heb de mijnen reeds er van verwittigd;

Zij zullen u en Jessica erkennen

Als plaatsvervangers van mijn gade en mij.

Zoo vaart dan wel, tot spoedig wederzien.

LORENZO. Dat u een blij gemoed en heil verzellen!

JESSICA. Ik wensch u, jonkvrouw, iedre vreugd des harten.

PORTIA. Ik dank u voor uw bede, en wensch volgaarne

Hetzelfde aan u; vaarwel dus, Jessica.

(Jessica en Lorenzo af.)

Nu, Balthazar,

Ik vond u immer nauwgezet en trouw;

Betoon u thans opnieuw zoo; neem deez' brief,

En ijl zoo snel maar menschen moog'lijk is,

Naar Padua; en stel hem zelf aan doctor

Bellario ter hand, mijn eed'len neef;

En, hoor! wat hij van kleed'ren of papieren

U geeft, breng dat met allen denkb'ren spoed

Naar 't veer, waarmeê men van het vaste land

Venetië bereikt; verlies geen tijd

Met vragen, ga; ik ben daar nog vóór u.

BALTHAZAR. Mejonkvrouw, 'k ga met de' aanbevolen spoed.

(Balthazar af.)

PORTIA. Nerissa, kom; ik heb een plan in 't hoofd,

Waarvan gij wel niet droomt, dat we onze mannen,

En vóór ze 't denken, zien.

NERISSA. En zij ons ook?

PORTIA. Dat ook, Nerissa, maar in zulk een kleeding,

Dat zij ons voor verheev'ner wezens achten,

Dan vrouwen zijn. Ik wed om wat ge wilt,

Dat, zijn we als jonge mannen uitgedoscht,

Ik wel de knapste van ons tweeën ben,

En ook mijn degen met meer gratie draag,

En als een knaap, die man wordt, spreek, als stak

De baard mij in de keel; twee trippelpassen

In één stap samenneem; van mijn duëls

Gewaag, als een jong pocher; leugens zwets,

Hoe eedle vrouwen naar mijn liefde dongen,

En, daar ik koel bleef, zich verkniezend, stierven;

Ik kon 't niet helpen,--maar heb toch berouw,

En wensch, dat ik ze in 't leven weêr kon roepen;--

Wel twintig zulke leugens zal ik zwetsen,

Dat ieder zweert: ik ben al wel een jaar

De school ontloopen;--duizend stukjes heb ik

Van zulke bluffers in mijn hoofd en breng ze

Wel aan den man.

NERISSA. Zóó mannen na te gaan!

PORTIA. O foei! wat zegt ge daar?

Als dat een looze woordverdraaier hoorde!--

Maar kom, hen nagereden! Heel mijn plan

Vertel ik u wel in mijn koets; die wacht

Reeds aan de poort. Wij gaan in allerijl

En vord'ren, hoop ik, heden twintig mijl.

(Beiden af.)

De Koopman van Venetië · 第 24 / 33 题