Venetië. Een straat.
Shylock, Solanio, Antonio en een Stokkeknecht komen op.
SHYLOCK. Bewaker, let op hem; neen, geen genade!--
Dit is de zotskap, die geen rente nam!
Bewaker, let op hem!
ANTONIO. Shylock, een woord!
SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wraak mijn schuldbrief niet;
Ik eisch,--en zwoer een eed er voor,--mijn schuldbrief.
Gij hebt me een hond genoemd, en hadt geen reden;
Mijd thans, als ik een hond ben, mijn gebit.--
De doge staat mijn recht mij toe.--Waarom,
Onzinnige bewaker, toch die goedheid,
Op zijn verlangen met hem uit te gaan?
ANTONIO. Ik bid u, hoor een woord!
SHYLOCK. Ik wil mijn schuldbrief; wil van u geen woord.
Ik wil mijn schuldbrief; spaar daarom uw woorden.
Gij maakt mij nooit tot zwakken, blinden zot,
Die 't hoofd schudt, zucht, betreurt, en eindlijk toegeeft
Aan christ'nen, die wat plooien. Volg maar niet,
Ik wil geen woorden; 'k wil alleen mijn schuldbrief.
(Shylock af.)
SOLANIO. Dit is een hond, zoo wreed en onvermurwbaar,
Als ooit met menschen huisde!
ANTONIO. Laat hem; nimmer
Zal 'k weer een ijdle bede tot hem richten.
Mijn leven zoekt hij, en ik weet waarom;
Vaak heb ik schuld'naars, die hun nood mij klaagden
En redd'loos schenen, uit zijn greep gered;
Van daar zijn haat.
SOLANIO. Voorwaar, de doge zal
Hem nooit het innen van de boete toestaan.
ANTONIO. De doge kan den loop van 't recht niet stuiten;
Want, als hij dit mocht wagen, zou 't vertrouwen
Van vreemden op de onkreukbre wet en 't recht
Van onzen staat geschokt zijn; en bedenk,
Dat hier op 't vrij verkeer van alle volken
De handel rust en welvaart. Ga dus nu;
Mijn rampen en mijn hartzeer doen mij kwijnen,
Zoodat mij nauwlijks een pond vleesch meer rest,
Om morgen hem zijn bloedige' eisch te geven.--
Bewaker, kom!--God geve, dat Bassanio
Zijn schuld mij kwijten zie, dan is 't mij goed.
(Allen af.)