VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. Een tuin.

Lancelot en Jessica komen op.

LANCELOT. Ja, waarlijk! want ziet ge, de zonden des vaders worden

bezocht aan de kinderen; daarom, ik verzeker u, ben ik bang voor u. Ik

ben altijd ronduit tegen u geweest, en zoo zeg ik nu ook mijn kompinie

over de zaak; daarom, wees gerust, want waarachtig, ik geloof, dat gij

verdoemd zijt. Daar is nog maar ééne hoop, die u wat goed kan doen;

en dat is maar een soort van basterdhoop.

JESSICA. En wat is dat dan voor een hoop, zeg?

LANCELOT. Wel, ge kunt eenigermate hopen, dat ge uws vaders kind niet

zijt, dat gij de dochter niet zijt van den jood.

JESSICA. Dat zou wezenlijk een soort van basterdhoop zijn; want dan

zouden de zonden van mijn moeder ook aan mij bezocht worden.

LANCELOT. Waarachtig, dan vrees ik, dat gij verdoemd zijt, zoowel van

vaders- als van moederskant, want als ik zoo Scylla uw vader ontwijk,

verval ik op Charybdis uwe moeder; en zoo zijt ge op alle manieren weg.

JESSICA. Ik zal behouden worden door mijn man; die heeft me

gechristend.

LANCELOT. Daar is hij waarachtig niet beter om; er zijn er al genoeg

van ons christenen; net maar zooveel als er met elkaâr het leven

kunnen hebben. Dat tot christenen maken zal de varkens duurder maken;

als wij allemaal varkensvleesch-eters worden, zullen wij binnenkort

voor nog zooveel geld geen reepje spek meer hebben in de pan.

JESSICA. Ik zal mijn man eens vertellen, Lancelot, wat je zegt;

daar komt hij.

(Lorenzo komt op.)

LORENZO. Zoo, Lancelot, ik zal gauw jaloersch op je worden, als je

met mijn vrouw zoo apartjes hebt.

JESSICA. Nu, je hoeft om ons niet bang te wezen, Lorenzo; 't is

heelemaal mis tusschen Lancelot en mij; hij zegt me ronduit, dat ik

in den hemel op geen genade heb te hopen, omdat ik de dochter van een

jood ben; en hij zegt, dat jij geen goed burger van den staat bent;

want als je joden tot christenen bekeert, drijf je den prijs van het

varkensvleesch in de hoogte.

LORENZO. Ik zal dat beter bij den staat kunnen verantwoorden, dan jij,

dat jij je zoo met de morin hebt afgegeven; van die smet kun je je

niet blank wasschen, Lancelot.

LANCELOT. Ze heeft niet zwart afgegeven, heer, maar zij heeft al wel

iets blanks van mij gekregen en is al meer geworden dan zij was.

LORENZO. Wat kan toch ieder dwaas een woordspeling maken! Het zal,

denk ik, niet lang meer duren, of verstand en geest komen het best

uit door stil te zwijgen, en spraakzaamheid is nog alleen bij de

papegaaien lofwaardig. Ga naar binnen, knaap, en zeg, dat alles klaar

moet zijn voor het eten.

LANCELOT. Dat is in orde, heer; ze hebben allen een maag.

LORENZO. Hemelsche goedheid, wat wil je geestig zijn! zeg, dat het

eten klaar moet zijn.

LANCELOT. Dat is ook in orde, heer; er moet nog maar gedekt worden,

dat is de zaak.

LORENZO. Wil je dan maar dekken, knaap?

LANCELOT. Dekken, heer? Zeker niet, ik weet wel, wat me past, heer.

LORENZO. Nu, het vervolg een anderen keer! Wil je je heelen schat van

geestigheden in eens uitkramen? Ik verzoek je, versta nu eenvoudige

taal op eenvoudige manier. Ga naar je kameraden, laten ze de tafel

dekken, het eten opdoen en wij zullen komen voor het maal.

LANCELOT. De tafel, heer, die zal opgedaan, en het eten, dat zal

gedekt worden, en uw komst voor het maal, heer, die zal gebeuren,

zooals uw lust en luim het zullen verkiezen.

(Lancelot af.)

LORENZO. O heil'ge rede, wat gezocht vernuft!

Wat kent de dwaas woordspelingen bij hoopen

Van buiten! Och, ik ken wel meen'gen dwaas

In hoogren stand, maar even bont van geest,

Die ook de hoofdzaak prijs zou geven voor

Een geestigheid.--Wel, Jessica, hoe is 't?

Mijn hartedief, kom, zeg me uw oordeel eens,

Hoe vindt ge wel Bassanio's gemalin?

JESSICA. Bewondrenswaard, meer dan ik zeggen kan;

Bassanio mag wel onberisp'lijk zijn

In heel zijn wandel; zulk een zegen is ze,

Dat hij op aarde 't heil des hemels smaakt,

En weet hij 't hier beneden niet te schatten,

Geen toegang tot den hemel ooit verdient.

Ja, hadden ooit twee goden in den hemel

Een weddingschap, en om twee aardsche vrouwen,

En Portia was de een', dan moest bij de ander'

Een toegift zijn, want de arme woeste wereld

Heeft haars gelijke niet.

LORENZO. Juist zulk een man

Hebt gij in mij, als hij in haar een vrouw.

JESSICA. Neen, vraag dan eerst, wat ik er wel van denk.

LORENZO. Terstond, maar laat ons eerst aan tafel gaan.

JESSICA. Neen, laat mij thans u schatten, nu ik trek heb.

LORENZO. Neen, 'k bid u, spaar het voor gesprek bij 't maal,

Ik zal 't dan, wat ge ook zegt, met andre dingen

Wel slikken.

JESSICA. Nu, je krijgt wat op je brood!

(Beiden af.)

De Koopman van Venetië · 第 25 / 33 题