LIED.

EERSTE STEM.

Zegt, van waar de wufte min?

Sluipt zij 't hart of 't hoofd ons in?

Zegt me, wat is haar begin?

Antwoord, antwoord!

TWEEDE STEM.

't Oog is 't, dat haar 't leven schenkt,

't Leven door het zien verlengt,

En haar ook tot sterven wenkt.

Luid haar uit, gij klokgebrom!

Ik begin het: bim, bam, bom!

KOOR. Bim, bam, bom!

BASSANIO. Hoe vaak is 't uiterlijk aan 't wezen vreemd;

Steeds wordt de wereld door vertoon bedrogen.

In 't recht, wat zaak is ooit zoo voos en valsch,

Die niet, door schrandre en gladde tong verfraaid,

Den schijn van 't kwaad bemantelt? In den godsdienst,

Wat vloekb're dwaling, die door vroomheidsschijn

Niet wordt geheiligd, met een tekst gesteund,

En de' onzin niet door schoon vertoon verbergt?

Geen boosheid, die de slimheid mist, om zich

Met de' uiterlijken schijn van deugd te sieren.

Hoe menig lafaard, aan een trap van zand

Gelijk in vastheid, draagt niet om de kin

Den baard van Hercules of fellen Mars,

Al bergt de lever zelfs geen druppel gal?

Hij kiest dit als een merk van dapperheid

Alleen om barsch te schijnen. Ziet, de schoonheid;

Gij vindt die mede bij 't gewicht gekocht;

En bij die 't doet, bewerkt natuur een wonder:

Die weegt het minst, wie 't meeste zich bezwaart;

Die gulden lokken, zich als slangen kronklend,

Die dartlen bij het suizen van den wind

Om wat men schoon gelooft, wie kent ze niet,

Dat er natuur een ander hoofd mee sierde?

De schedel, waar ze op groeiden, rust in 't graf.

Zoo is dan sieraad slechts 't bedrieglijk strand

Van zeeën vol gevaars, de schoone sluier,

Een spookgestalte omhullend, in één woord,

Schijnwaarheid, tooisel van den sluwen tijd,

Om wijzen te verschrikken.--Pronkrig goud,

Gij harde Midaskost, u wil ik niet;

Noch u, gij bleeke, lage slaaf, gereed

Tot iedren dienst; maar u, gij glansloos lood,

Die eerder dreigend spreekt dan iets belooft,

Geen glans of opschrift trekt mij aan als gij;

U kies ik;--dat mijn keuze vreugde zij!

PORTIA. O, hoe elke andre hartstocht nu in lucht

Verdwijnt, beklemdheid, bange twijfelzucht,

En wanhoop en verbeten jaloezie!

O, liefde! matig uw vervoering en gebiê

Dien stroom van vreugde kalmte; boven 't peil

Verheft zij zich, ik voel 't; o, minder 't heil

Of de overmaat is doodlijk!

BASSANIO (het looden kastje openend). Wat is dit?

Het beeld van Portia? Wat halfgod kwam

Het scheppen zoo nabij? Beweegt dit oog?

Of schijnt het door het trillen van de mijne

Bewogen? Zie, de lippen oop'nen zich

Voor nectar-adem, die er doorgaat: lieflijk

Moet wezen, wat zoo lieve zusters scheidt!

En 't haar! De schilder weefde, een spin gelijk,

Een gulden net, dat mannenharten vangt,

Als muggen in een spinweb. Maar die oogen,

Kon hij ze zien en schild'ren? Had hij 't een

Gemaald, dan moest het, dunkt mij, beî de zijne

Hem rooven en dus eenig blijven. Maar,

Wat spreek ik? Al mijn lof blijft even ver

Beneden deze schim, als deze schim

De waarheid achterna hinkt.--O, ziehier

't Geschrift, dat kort begrip van mijn geluk!

(Hij leest.)

"Gij, die, niet door schijn verblind,

Alles waagt en 't ware vindt!

Daar ge deze maagd bemint,

Dat ze u nu voor 't leven bind';

Is haar "ja" u 't zoetst geluid,

Waar uw hoogste heil uit spruit,

Neem haar, ze is uw lieve bruid,

En een kusje zij 't besluit!"

Wat heerlijk woord!--Vergun, mijn lief, mijn leven,--

Dit machtigt mij te ontvangen en te geven.

(Hij kust haar.)

Maar toch, als een, die in een strijd een prijs

Beoogt, en in het volksgejuich 't bewijs

Te ontvangen meent, dat hij verwinnaar is,

Doch duiz'lend staart en vraagt: "is 't wel gewis?

Geldt mij die kreet, of is dit zinsbedrog?"

Zoo, driewerf schoone jonkvrouw, ziet ge nog

Mij nu onzeker, of 't geluk mij wenkt,

Totdat ge uw liefde, uw woord, uw ring mij schenkt.

PORTIA. Gij ziet, Bassanio, thans mijn heer, mij voor u,

Zooals ik ben; en schoon ik voor mijzelf

Niet zoo eergierig ben in mijnen wensch,

Dat ik mij veelmaal beter wensch, zou 'k thans

Wel honderdmaal verdubbeld willen zijn,

Wel duizendmaal zoo schoon, tienduizendmaal zoo rijk;

Alleen om in uw schatting hoog te staan,

Wilde ik in deugden, schoonheid, rijkdom, vrienden,

Onschatbaar wezen; maar al wat ik ben,

Is bijna niets; of, om 't in 't kort te zeggen,

Een meisje, zonder kennis of ervaring,

Die zich gelukkig rekent, dat zij niet

Voor leeren te oud is; nog gelukkiger,

Dat zij voor 't leeren niet te stomp zich acht;

Maar meest gelukkig, dat zij geest en hart

Geheel en gaarne uw leiding toevertrouwt,

Als aan haar gâ, haar meester en haar vorst.

Ikzelf en al het mijne is thans uw deel,

Geheel het uwe; 'k was tot nu gebiedster

In huis en hof, meestresse van mijn dienaars,

Vorstinne van mijzelf; en nu, mijn heer,

Dit huis, deez' dienaars en ditzelfde zelf

Zijn de uwe; 'k geef ze u met deez' ring; en zoo

Gij hem verliest of wegschenkt, er van scheidt,

Dan is 't me een teeken, dat uw min vervloog,

En geeft ge mij het recht tot luid beklag.

BASSANIO. Mejonkvrouw, spraakloos moet ik voor u staan;

Het bloed, dat in mijn aders zwelt, moog' spreken;

Verwarring heerscht in mijn ontroerd gemoed,

Gelijk zich, als een aangebeden vorst

Door schoone taal de schare heeft geboeid,

Een blij gemurmel onder 't volk doet hooren,

Waar iedre klank en elk gebaar, schoon niets,

Tot de uiting samensmelt van loutre vreugd,

Welsprekend zonder spraak;--verlaat deez' ring

Deez' vinger ooit, o dan verliet mij 't leven,

O, zeg dan vrij, Bassanio is niet meer.

NERISSA. Nu, edel heer en vrouwe, is 't ònze tijd,

Daar wij ons aller wensch zoo schoon vervuld zien,

Te roepen: heil, heil, onze heer en vrouwe!

GRATIANO. Mijn vriend Bassanio, en gij, schoone jonkvrouw,

Ik wensch u al de vreugd, die gij kunt wenschen,

Want zeker wenscht ge er geene van mij weg;

En is 't bepaald, wanneer uw edelheden

Den echtknoop leggen willen, dan vraag ik,

Dat ik terzelfder tijd mijn huw'lijk sluite.

BASSANIO. Zorg voor een bruid, en dan van harte gaarne.

GRATIANO. Ik dank u, heer, gij hebt me een bruid bezorgd.

Mijn oog ziet even vlug als 't uwe rond;

Gij zaagt de jonkvrouw, ik de dienares;

Gij zwoert haar liefde, ik ook, want noodloos uitstel

Vlijt mij al even weinig, heer, als u.

Heel ùw geluk hing van die kastjes af,

Maar ook het mijn', zooals het bleek; want toen

Ik op haar aanhield, buiten adem schier,

En liefde zwoer en zwoer, totdat mijn stem

Er rauw en heesch van werd, werd ik in 't eind

Geloofd, gelaafd door 't jawoord van deez' schoone,

Maar slechts met dit beding, dat uw geluk

Haar jonkvrouw zou veroov'ren.

PORTIA. Zoo, Nerissa?

NERISSA. Ja, jonkvrouw, als 't uw bijval mag verwerven.

BASSANIO. En, Gratiano! kunt gij ernstig zijn?

GRATIANO. Ja, heer, ik meen 't in ernst.

BASSANIO. Uw echt verhoog' den luister van ons feest!

GRATIANO (tot Nerissa). Nu, wij willen met hen om den eersten jongen

wedden, om duizend dukaten.

NERISSA. En leggen wij dat daad'lijk neer?

GRATIANO. Neen, neen, daar mogen we eerst ons op beslapen, op mijn

eer.--

Maar wat! Lorenzo met zijn lief heidinneke?

En dan, mijn oude vriend Solanio?

(Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.)

BASSANIO. Lorenzo en Solanio, welkom hier;

Wanneer mijn aanzien hier, zoo jeugdig nog,

U welkom heeten màg.--'t Zij mij vergund,

Dat ik mijn landgenooten, oude vrienden,

Hier, Portia, welkom heet.

PORTIA. Ik doe 't met u,

Zij zijn mij hartlijk welkom.

LORENZO. Ik dank uwe edelheid.--Wat mij betreft,

't Was, heer, mijn doel niet, u hier op te zoeken,

Maar 'k heb op reis Solanio ontmoet,

Die dwong mij zoo, om met hem mee te gaan,

Dat ik niet weigren kon.

SOLANIO. Zoo deed ik, heer,

En 'k had er reden toe. Signore Antonio

Zendt u zijn groete.

(Hij geeft Bassanio een brief.)

BASSANIO. Eer ik den brief ontsluit,

Vertel mij, is hij wèl, mijn waarde vriend?

SOLANIO. Niet krank, heer, als hij 't in 't gemoed niet is;

Niet wel, als zijne ziele lijdt; zijn brief

Doet u zijn toestand kennen.

(Bassanio leest den brief.)

GRATIANO. Breng gij die vreemdlinge ook uw groet, Nerissa,

En heet haar welkom.--Wel, Solanio,

Wat nieuws brengt gij ons van Venetië? Is

Die koopman-vorst, Antonio, welvarend?

O, wis verheugt hij zich in ons geluk;

Wij wonnen hier, als Jasons, 't gulden vlies.

SOLANIO. O, hadt gij 't vlies, dat hij geteekend heeft!

PORTIA. Een kwade tijding brengt dat stuk papier,

Daar 't aan Bassanio's wang de kleur ontrooft;

Een dierbre vriend is dood, want om iets anders

Zou toch een man, een man van moed, niet zóó

Ontstellen. Wat? 't wordt erger nog en erger?--

Bassanio, vriend, ik ben uw wederhelft,

En mij behoort de helft van alles, wat

Die brief u brengt.

BASSANIO. O, dierbre Portia,

't Zijn enk'le woorden slechts, maar grievender,

Dan ooit papier bevlekten! Lieve vrouw,

Toen ik het eerst mijn liefde heb beleden,

Zeide ik ronduit, dat heel mijn rijkdom mij

In de aad'ren stroomde: ik was een edelman;

En waarheid sprak ik toen; maar, dierbre vrouw,

Al schatte ik mij op niets, toch blijkt u thans,

Hoe ik een pocher was; want toen ik zeide,

Dat al mijn have niets was, had ik beter

Die minder nog dan niets genoemd; want, waarlijk,

Mijzelf verpandde ik aan een dierbren vriend,

Mijn vriend verpandde ik aan zijn ergsten vijand,

Voor dezen tocht. Zie, jonkvrouw, dezen brief;

't Papier is als het lichaam van mijn vriend,

En ieder woord is als een open wond,

Waar 't leven uitstroomt.--Doch is 't waar, Solanio,

Is alles dan mislukt, is niets gelukt?

Van Tripoli, van Mexico, van England,

Van Lissabon, van Barbarije en Indië?

Ontging geen schip de klippen, die zoo vaak

Den hand'laar dood'lijk zijn?

SOLANIO. Geen enkel, heer;

En erger, 't schijnt zelfs, dat, al had hij thans

Het geld in kas tot delging van de schuld

De jood het niet zou willen. 'k Zag nog nooit

Een schepsel, van gedaante toch een mensch,

Zoo wreed, zoo fel op andermans verderf.

Hij vraagt den doge dag en nacht gehoor;

't Is met de vrijheid van den staat gedaan,

Als hem zijn recht ontzegd wordt. Twintig hand'laars,

De doge zelf, de leden van den raad,

Zij hebben hun welsprekendheid beproefd,

Maar niemand brengt hem af van zijnen eisch;

De schuldbrief spreekt, hij wil zijn recht, de boete.

JESSICA. Ik hoorde, toen 'k nog bij hem was, hem zweren,

Aan Tubal en aan Chus, zijn landgenooten,

Dat hij Antonio's vleesch nog liever had,

Dan twintigmaal 't bedrag der som, die hij

Te vordren heeft; en, heer, ik weet te goed,

Als wet, gezag en macht het niet verbieden,

Dan heeft Antonio het ergst te duchten.

PORTIA. Is 't u een dierbre vriend, die zoo in nood is?

BASSANIO. De dierbaarste, dien 'k heb, de beste mensch,

Een eedle geest, trouwhartig, onvermoeibaar

In 't weldoen, meer dan iemand; en een man,

Wien meer de deugden van Oud-Rome sieren,

Dan eenig man, die in Italië leeft.

PORTIA. En hoeveel heeft de jood te vordren?

BASSANIO. Drieduizend stuks dukaten.

PORTIA. Wat! niet meer?

Geef hem zesduizend, en verscheur den schuldbrief;

Verdubbel dat en verdriedubbel dit,

Eer aan een vriend van zulk een stempel ooit

Een haar gekrenkt wordt door Bassanio's schuld.

Nu eerst onze' echtknoop in de kerk gelegd;

En ijl dan naar Venetië tot uw vriend;

Geen rustig leven aan mijn zijde, aleer

Deze onrust uit uw ziel geweken is.

Ik geef u goud, wel twintigmaal zooveel

Als deze kleine schuld; betaal ze en breng

Uw trouwen vriend hier met u meê. Nerissa

En ik, wij zullen hier als vroeger leven,

Als onbestorven weeuwtjes tevens. Ja,

Ik drijf u op uw huw'lijksdag van hier;

Maar toch een blij gelaat, heet allen welkom,

En neem uw plaats als heer des huizes in;

Koop ik u duur, te duurzamer mijn min.

Doch laat den brief van uwen vriend mij hooren.

BASSANIO (leest). "Waarde Bassanio, mijn

schepen zijn alle verongelukt; mijn schuldeischers

worden onbarmhartig; mijn vermogen

is geheel versmolten; mijn schuldbrief aan den

jood is vervallen; en daar de betaling er van

mij het leven zal kosten, zoo zijn alle schulden

tusschen u en mij afgedaan, als ik u bij mijn

sterven mag zien; ondertusschen, handel hierin,

zooals gijzelf verkiest; als uwe vriendschap u

niet van zelve tot mij drijft, laat dan ook mijn

brief het niet doen".

PORTIA. O, liefste, spoed gemaakt en ijlings heen!

BASSANIO. Ja, ijlen wil ik, daar uw goedheid mij

Tot handlen machtigt; maar, totdat ik keer,

Zal mij geen slaap vertragen; want ik vlij

Vóór ons terugzien niet ter rust mij neer.

(Allen af.)

De Koopman van Venetië · 第 22 / 33 题