TWEEDE TOONEEL.

Belmont. Een zaal in Portia's woning.

Bassanio, Portia, Gratiano, Nerissa en Gevolg komen op. De kastjes

staan gereed.

PORTIA. Ik bid u, wacht nog; toef een dag of twee,

Aleer gij 't waagt; kiest gij verkeerd, dan moet

Ik ook uw bijzijn derven; stel 't nog uit,

Een stem spreekt in mij,--neen, het is geen liefde,--

Dat ik u niet wil missen, en gij weet

Het zelf wel, dat geen haat deez' raad u geeft;

Maar hoor;--ik wensch, dat gij mij goed begrijpt,--

Een maagd mag enkel met gedachten spreken,--

Zoo gaarne hield ik u een maand of twee

Terug, aleer gij 't waagt. Ik kon u wijzen

Welk kastje 't is, maar dan ware ik meineedig,--

Dat word ik nooit! En zoo kunt gij mij missen,

Doch doet gij dit, dan wekt ge een boozen wensch,

Dat ik meineedig waar geweest. Uw oogen,--

O, toovermacht!--zij hebben mij gedeeld,

En de eene helft is de uwe, de andre de uwe,--

De mijne, meende ik, maar het mijne is 't uwe,

En zoo is alles 't uwe. O! booze tijd,

Die eig'naars van hun recht versteekt, en zoo

Is 't uwe niet het uwe.--Faalt uw keus,

Fortuin verdient dan eeuw'ge pijn, niet ik.

Ik spreek te lang, maar 't is slechts om den tijd

Te rekken; 'k win nog tijd en houd u af

Van uwe keus.

BASSANIO. Laat tot de keus mij toe,

Want thans is 't mij, als lag ik op de pijnbank.

PORTIA. Wat! op de pijnbank? O, beken mij dan,

Wat hoogverraad zich in uw liefde mengt.

BASSANIO. Verraad? geen ander dan vreesachtigheid,

Wantrouwen op 't verwerven van uw liefde;

Want eerder leefden vuur en sneeuw in vreê,

Dan dat verraad zich aan mijn liefde paarde.

PORTIA. Thans ducht ik, dat ge als op de pijnbank spreekt,

Want dan zegt ieder alles wat verlangd wordt.

BASSANIO. Beloof mij 't leven, en ik zal bekennen.

PORTIA. Beken en leef.

BASSANIO. 'k Beken, ik heb u lief;

Ziedaar, wat mijn bekent'nis wezen kan.

O, zaal'ge foltring, als de folteraar

Mij zelve 't antwoord leert voor mijn bevrijding!

Maar thans 't geluk beproefd, de keus gewaagd!

PORTIA. Welnu dan, 't zij; ik ben in een der kastjes;

Hebt gij mij lief, dan kiest gij 't rechte wel,--

Nerissa en gij andren, gaat terug.--

Maar dat muziek bij 't doen der keuze klink';

Want mist hij 't doel, dan groete, als bij een zwaan,

Muziek zijn stervensstonde; ja, dit beeld

Is waar en juist; mijn oog is dan de stroom,

Zijn vochtig doodsbed. Maar hij kan ook winnen;

En wat is dan muziek? Dan is muziek

Als 't juub'len, waar een opgetogen volk

Zijn pasgekroonden vorst meê groet, of als

De zoete tonen van den morgenstond,

Die in des bruîgoms droomend oor weerklinken,

En hem ten huw'lijk roepen. Ziet, hij treedt,

Niet minder fier, maar liefd'rijker van hart

Dan jonge Alcides, toen hij de eed'le maagd,

Door 't snikkend Troje 't monster toegewijd,

Van zeek'ren dood ging redden; ik ben 't offer;

Die andren ginds zijn de Dardaansche vrouwen,

Ontdaan en weenend saamgestroomd, om de' uitslag

Van 't heldenfeit te zien.--Ga, Hercules!

Leeft gij, dan leef ik;--o, hoe klopt mij 't hart;

Veel meer dan u, die moedig 't noodlot tart.

(Muziek, terwijl Bassanio bij de kastjes met zichzelf te rade gaat.)

De Koopman van Venetië · 第 21 / 33 题