EERSTE TOONEEL.

Venetië. Een straat.

Solanio en Salarino komen op.

SOLANIO. Nu, wat nieuws is er op den Rialto?

SALARINO. Ja, het wordt nog maar niet tegengesproken, dat Antonio

een schip met rijke lading in die nauwe doorvaart verloren heeft. De

Goodwins, geloof ik, heet de plaats, een gevaarlijke zandbank en

als noodlottig bekend; er moeten vrij wat wrakken van groote schepen

begraven liggen, als moei Gerucht een eerlijk wijf is, waar men op

aan kan.

SOLANIO. Ik wou, dat ze in dit geval zoo'n leugenachtige klappei

bleek, als er ooit één gember geknauwd heeft of haar buren heeft

wijsgemaakt, dat ze treurde om den dood van haar derden man. Maar

het is waar,--zonder in wijdloopigheid te vervallen en van den effen

grooten weg van het gesprek af te wijken,--dat de goede Antonio,

die rechtschapen Antonio,--o, had ik een benaming, goed genoeg om

zijn naam gezelschap te houden!--

SALARINO. Kom, besluit!

SOLANIO. Ach, wat zegt gij?--Nu, het eind van 't lied is, hij heeft

een schip verloren.

SALARINO. Ik wou, dat het zeker ook het eind was van zijn verliezen.

SOLANIO. Laat ik bijtijds hier "amen" op zeggen, eer de duivel mijn

gebed in den weg loopt, want daar komt hij aan, in de gedaante van

een jood.

(Shylock komt op.)

Wel, Shylock, wat nieuws onder de koopluî?

SHYLOCK. Gij wist, niemand zoo goed, niemand zoo goed als gij, van

de vlucht van mijn dochter.

SALARINO. Dat is waar; ik van mijn kant wist van den man, die haar

de vleugels voor het wegvliegen gemaakt heeft.

SOLANIO. En Shylock, van zijn kant, wist dat het vogeltje al wel

vlug was; en dan ligt het bij allen in den aard, dat zij het nest

ontvluchten.

SHYLOCK. Zij zal er verdoemd voor zijn.

SALARINO. Ja zeker, als de duivel haar rechter mag wezen.

SHYLOCK. Mijn eigen vleesch en bloed in opstand!

SALARINO. O foei, oude kreng, in opstand op jouw jaren!

SHYLOCK. Ik zeg, mijn dochter in mijn vleesch en bloed.

SALARINO. Er is meer verschil tusschen jouw vleesch en het hare, dan

tusschen git en ivoor, meer tusschen je beider bloed, dan tusschen

rooden wijn en Rijnschen;--maar zeg ons, heb je ook gehoord, of

Antonio op zee het een of ander verlies heeft geleden of niet.

SHYLOCK. Dat is ook al weer een kwade zaak voor me; een bankroetier,

een verkwister, die te nauwernood zijn gezicht op den Rialto durft

laten kijken;--een bedelaar, die altijd als een groot heer op de

markt kwam,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij noemde mij

altoos een woekeraar,--laat hem denken aan zijn schuldbrief; hij

leende altijd geld uit christelijke liefelijkheid,--laat hem denken

aan zijn schuldbrief!

SOLANIO. Nu, je zult natuurlijk, als hij in gebreke mocht blijven,

zijn vleesch niet nemen; waar kan dat voor dienen?

SHYLOCK. Om er visch mee te vangen; en als niets anders er mee

gediend is, dan is mijn wraak er mee gediend. Hij heeft mij

beschimpt, mij benadeeld voor een half millioen, gelachen bij

mijn verliezen, gegrijnsd bij mijn winsten, mijn volk gesmaad,

mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden koud, mijn vijanden warm

gemaakt; en waarom toch, waarom?--Omdat ik een jood ben. Heeft een

jood dan geen oogen? Heeft een jood geen handen, geen armen, geen

beenen, geen gevoel, geen begeerten, geen hartstochten? wordt hij

niet gevoed door 'tzelfde voedsel, verwond door dezelfde wapens,

bezocht door dezelfde ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm

en koud door denzelfden winter en zomer, als een christen? Als gij

ons een messteek geeft, bloeden wij dan niet? als gij ons vergiftigt,

sterven wij dan niet? en als gij ons beleedigt, zullen wij dan geen

wraak nemen? Als wij in het overige zijn als gij, willen wij ook

daarin u gelijken. Als een christen door een jood beleedigd wordt,

wat is dan zijn deemoedigheid?--wraakzucht. Als een jood door een

christen beleedigd wordt, wat moet, naar christenvoorbeeld, zijn

lijdzaamheid wezen? wel, wraakzucht. Het booze, dat gijlieden mij

leert, dat wil ik doen,--en het zou mij tegenvallen, als ik het niet

nog beter deed dan mijn meesters.

(Een Bediende komt op.)

BEDIENDE. Edele Heeren, Antonio, mijn meester, is tehuis en verlangt

u beiden te spreken.

SALARINO. Wij hebben hem al overal gezocht.

(Tubal komt op.)

SOLANIO. Daar komt een ander van dat gebroedsel; een derde is er wel

niet bij te passen, of de duivel zelf moest jood worden.

(Salarino, Solanio en Bediende af.)

SHYLOCK. Zoo Tubal, wat voor tijdingen uit Genua? hebt gij mijn

dochter gevonden?

TUBAL. Ik ben verscheiden keeren geweest, waar van haar gesproken werd,

maar haarzelf heb ik niet kunnen vinden.

SHYLOCK. Och, och, och, och! Een diamant weg! heeft me toch tweeduizend

dukaten gekost te Frankfort! De vloek is nu pas over ons volk gekomen;

ik heb hem nog nooit gevoeld dan nu; tweeduizend dukaten met dat eene

en dan nog andere kostelijke, kostelijke juweelen! Ik wou, dat mijn

dochter dood voor mij lag en de juweelen in haar oor! ik wou, dat ze

gekist lag aan mijn voeten en de dukaten in haar kist! Geen tijding

van hen?--O, o! en dat zoeken heeft me al ik weet niet hoeveel gekost;

och, schâ op schâ! De dief met zóóveel weg, en dan zóóveel om den dief

te vinden, en geen voldoening nog, geen wraak! en geen ongeluk gebeurt

er, dat niet op mijn hoofd neerkomt, geen zuchten dan die ik slaak,

geen tranen dan die ik vergiet!

TUBAL. Toch, andere menschen hebben ook ongelukken; Antonio, zooals

ik in Genua hoorde,--

SHYLOCK. Wat, wat, wat? ongelukken? ongelukken?

TUBAL.--heeft een galjoen verloren, dat van Tripoli kwam.

SHYLOCK. Goddank, Goddank!--Is het waar? is het waar?

TUBAL. Ik heb eenige matrozen gesproken, die uit de schipbreuk

gered zijn.

SHYLOCK. Ik dank u, goede Tubal,--goede tijding, goede tijding;

ha! ha!--Waar? In Genua?

TUBAL. Uw dochter heeft in Genua, naar ik hoorde, op één avond tachtig

dukaten verdaan.

SHYLOCK. Ge boort een dolk in mijn hart!--nooit zie ik mijn geld terug;

tachtig dukaten zoo in eens! tachtig dukaten!

TUBAL. Verscheiden schuldeischers van Antonio zijn met me naar Venetië

gereisd; die zeggen, dat het niet anders kan, of hij moet over den

kop gaan.

SHYLOCK. Dat doet me goed; ik zal hem pijnigen, ik zal hem folteren;

dat doet me goed.

TUBAL. Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw dochter

gekregen had voor een aap.

SHYLOCK. O, mijn vloek op haar! ge martelt me, Tubal; het was mijn

turkoois; ik heb hem van Lea gekregen, toen we nog niet getrouwd waren;

ik had hem niet gegeven voor een bosch vol apen.

TUBAL. Maar met Antonio is het zeker mis.

SHYLOCK. Ja, dat 's waar, dat 's zeker waar; ga, Tubal, huur een

gerechtsdienaar voor me; bespreek hem een veertien daag vooruit; ik

zal zijn hart hebben, als hij in gebreke blijft; want als hij Venetië

uit is, kan ik zaken doen, zooveel ik verkies; ga, ga, Tubal; we vinden

elkaar weêr in onze synagoge; ga, goede Tubal; in onze synagoge, Tubal!

(Beiden af.)

De Koopman van Venetië · 第 20 / 33 题