Belmont. Een zaal in Portia's huis.
Trompetgeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op, beiden
met Gevolg.
PORTIA. Goed, schuif den voorhang open en onthul
De kastjes alle voor deez' eed'len prins;--
(Tot den Prins.) Doe thans uw keus.
MAROCCO. Van goud het eerste, dat tot opschrift heeft:
"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert".
Van zilver 't tweede, dat ons dit belooft:
"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient".
Dit derde, zwaar, van lood, met plomp vermaan:
"Die mij verkiest, die wage en geve al wat hij heeft".
Hoe weet ik nu, of ik het rechte kies?
PORTIA. Slechts één er van bevat mijn beelt'nis, prins;
En kiest ge dat, dan ben ikzelf ook de uwe.
MAROCCO. Een God bestuur' mijn oordeel dan! Laat zien;
Nog eens wil ik die spreuken overlezen.
Wat zegt dit looden kastje?
"Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft".
Die geev'--voor wat? voor lood? hij waag' voor lood?
't Is taal, die dreigt. En zij, die alles wagen,
Doen dit op hoop van kostelijk gewin;
Een gouden geest bukt niet naar schuim van erts;
En ìk geef niets en waag ook niets, voor lood.
Wat zegt het zilver, met zijn maagdeglans?
"Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient".
Zooveel als hij verdient!--Denk na, Marocco,
En weeg uw eigen waarde op de juiste hand;
Waardeert men u, zooals ge uzelven schat,
Genoeg is uw verdienste; schoon, genoeg
Kan ontoereikend wezen voor de jonkvrouw.
Doch, angst te koestren over mijn verdienste,
Waar' zwak, onwaardig twijflen aan mijzelf.
Zooveel als ik verdien!--Nu, 't is de jonkvrouw;
'k Verdien haar door geboorte en door mijn goed'ren,
Door gaven der natuur en door beschaving,
Maar bovenal verdien ik haar door liefde.
Als ik niet verder ging, en dit verkoos?--
Maar toch, die spreuk van 't goud nog overwogen!
"Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert".
Nu, dat 's de jonkvrouw; iedereen begeert haar,
En iedre hoek der aard brengt pelgrims aan,
Om 't sterflijk, aad'mend heiligbeeld te kussen.
Hyrcanië's wouden, de onafzienbre vlakten
Van 't woest Arabië zijn gebaande wegen
Voor vorsten thans, tot schoone Portia;
Het rijk der waatren, dat met fiere kruinen
Den hemel in 't gelaat spuwt, keert ze niet,
Die zoo vermeet'le vreemden; neen, ze komen,
Als door een beek, tot schoone Portia.--
Eén van deez' drie omsluit haar hemelsch beeld.
Is 't denkbaar, dat haar lood omsluit?--'t Waar' lastring,
Zoo iets te denken; 't lood is te verachtlijk
Om zelfs in 't donkre graf haar wâ te ompants'ren.--
Of is 't te denken, dat ze in zilver huist,
Wel tienmaal minder waard dan 't loutre goud?
O zondig denkbeeld! zulk een rijk juweel
Wordt steeds in goud gevat. In Eng'land is
Een munt, van goud, gestempeld met een engel,
Maar daar is 't beeld eens engels bovenop;
Hier ligt een engel, door een gulden bed
Geheel omsloten.--Geef den sleutel mij;
Dit is mijn keus; geluk, wees aan mijn zij!
PORTIA. Daar, neem hem, prins; en is mijn beeld hierin,
Dan ben ik de uwe.
(Bij ontsluit het gouden kastje.)
MAROCCO. O, hel, wat vind ik hier?
Een grijnzend doodshoofd, en in de oogkas ligt
Een opgerold geschrift?--Ik wil het lezen.
"Al wat blinkt, is nog geen goud,
Wis is dit u vaak ontvouwd;
Menig heeft den schijn vertrouwd,
Maar te laat zijn doen berouwd.
Gulden graven zijn gebouwd,
Waar de worm toch huis in houdt.
Waart gij even wijs als stout,
Jong van leên, van oordeel oud,
't Afscheid hadt ge niet aanschouwd:
Al uw gloed laat Portia koud."
Koud voorwaar en moeite om niet;
Welkom, koude; en gloed, ontvlied!--
Leef, Portia, wel! Het vonnis doet mij pijn;
'k Verloor; zoo moog' dan kort het afscheid zijn!
(Marocco af, met zijn Gevolg.)
PORTIA. O heuglijk eind!--Trek weer den voorhang toe;--
Dat elk, die hem gelijkt, die keuze doe.
(Allen af.)