ACHTSTE TOONEEL.

Venetië. Een straat.

Salarino en Solanio komen op.

SALARINO. Ja, vriend, ik zag Bassanio onder zeil;

Gratiano heeft zich met hem ingescheept,

Maar zeker is Lorenzo niet op 't schip.

SOLANIO. De jood, die hondsvot, tierde, tot de doge

Met hem Bassanio's schip ging onderzoeken.

SALARINO. Hij kwam te laat; het was reeds onder zeil.

Toen echter kwam den doge dra ter oore,

Dat men Lorenzo en zijn Jessica

Gezien had in een gondel; bovendien

Gaf ook Antonio de verzeek'ring, dat

Zij niet Bassanio op zijn schip verzelden.

SOLANIO. Nooit hoorde ik zulk een teugellooze woede,

Zoo vreemd, zoo heftig, zoo van 't een op 't ander,

Als van dien jood, dien hond, daar op de straat:

"Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!--

En met een christen!--O, mijn christ'lijke dukaten!--

O recht en wet! mijn dochter! mijn dukaten!

Eén zak, twee zak, verzegeld, vol dukaten!

Dubb'le dukaten;--en mijn dochter stal ze!

Juweelen ook, twee steenen, kostbre steenen!

Mijn dochter stal ze!--Rakkers, zoekt die deern!

Mijn steenen heeft ze bij zich, mijn dukaten!"

SALARINO. De straatjeugd van Venetië schreeuwt hem na:--

"Zijn steenen, zijn dukaten en zijn dochter!"

SOLANIO. Als nu Antonio maar op tijd betaalt,

Want anders zal hij 't boeten.

SALARINO. Ja, zeer juist.

'k Was gistren met een Franschman aan het praten;

Die zeide mij, dat in de nauwe zee,

Die Frankrijk scheidt van Eng'land, er een schip

Vergaan was, rijk bevracht, en hier van daan.

'k Dacht daad'lijk aan Antonio, toen hij 't zeide,

En wenschte in stilte: "zij dat niet van hem!"

SOLANIO. Gij moet hem toch vertellen, wat ge hoort;

Maar niet te plotsling, want het mocht hem leed doen.

SALARINO. Er is geen trouwer hart op aard; ik zag

Bassanio's afscheid van Antonio.

Bassanio zeide, dat hij spoed zou maken

Om weêr te keeren; "Doe dat niet", was 't antwoord,

"Verbroddel niet om mij uw zaak, Bassanio.

Neen, laat de tijd haar rijpen. Wat den schuldbrief

Betreft, dien ik den jood geteekend heb,

Die rijz' niet voor uw geest naast uwe liefde;

Wees opgeruimd en wijd al uw gedachten

Aan hoflijkheid en de uiting uwer liefde,

Aan al wat ginds u 't beste passen zal."

Toen reikte hij,--zijn oog schoot vol van tranen,--

Met afgewend gelaat zijn vriend de hand,

En schudde, met een wonderdiepe ontroering,

Met kracht Bassanio's hand. Zoo scheidden zij.

SOLANIO. 'k Geloof, is hem de wereld nog iets waard,

Dan is 't om hem. Kom, zoeken wij hem op,

En zij door scherts of boert die somberheid,

Die hem beving, verjaagd.

SALARINO. Ja, doen wij dat!

(Beiden af.)

De Koopman van Venetië · 第 17 / 33 题