Aldaar.
Gratiano en Salarino komen op, gemaskerd.
GRATIANO. Dit is het afdak, waar Lorenzo ons
Verzocht te wachten.
SALARINO. 't Uur is haast voorbij.
GRATIANO. En 't is een wonder, dat hij 't uur verzuimt;
Verliefden zijn meestal de klok vooruit.
SALARINO. O, tienmaal sneller vliegen Venus' duiven
Om nieuwe liefdebanden te bezeeg'len,
Dan om gezworen trouw gestand te doen.
GRATIANO. Ja, dat gaat door: wie staat ooit van een feest
Met zooveel eetlust op, als hij ging zitten?
Waar is het paard, dat op zijn lange baan
Terugdraaft met hetzelfde ondoofbre vuur,
Waarmee het steig'rend wegstoof? Ieder ding
Wordt met meer vuur begeerd dan wel genoten.
Ziet, hoe, gelijk een jong en kwistig zwakhoofd,
Het nieuwe jacht daar zee kiest, vlag in top,
Door dartel windgestreel gekust, geliefkoosd!
Hoe keert het weer als de verloren zoon,
De spanten bloot en met gescheurde zeilen,
Verarmd en naakt door 't dartel windgestreel!
(Lorenzo komt op.)
SALARINO. Daar komt Lorenzo;--later dus 't vervolg.
LORENZO. Verschoont mij, lieve vrienden, dat ik toefde;
'k Had veel te doen; dat draag' de schuld, niet ik.
Maar is 't ùw beurt eens om een vrouw te stelen,
Dan wacht ik even lang op u.--Komt hier;
Hier woont mijn jodenvader.--Wie is thuis?
(Jessica verschijnt aan 't venster, in jongensgewaad.)
JESSICA. Wie is daar? Zeg 't voor alle zekerheid,
Hoewel ik zweren zou de stem te kennen.
LORENZO. Lorenzo, en uw liefste.
JESSICA. Lorenzo, zeker; en mijn liefste, ja;
Want wien heb ik zoo lief? Maar wie, Lorenzo,
Staat voor u in, dat ik u 't liefste ben?
LORENZO. De hemel en uw hart zijn mijn getuigen.
JESSICA. Hier, vang dit mandje; 't is de moeite waard.
Goed, dat het nacht is, en ge mij niet ziet;
Want ik ben erg beschaamd in deez' verkleeding;
Maar liefde is blind; verliefden kunnen niet
De vreemde streken zien, die zij bedrijven;
Maar konden zij 't, Cupido zelf zou blozen,
Als hij mij zoo als jongen zag verkleed.
LORENZO. Kom af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.
JESSICA. Wat! moet ik 't licht doen vallen op mijn schande?
Die is, voorwaar, van zelf reeds veel te licht.
Dit is een post, mijn lief, die openbaart,
En 'k moet verborgen zijn.
LORENZO. Dat blijft gij, liefste,
Als u 't bevallig pagekleed omhult.
Maar haast u thans;
Of de ons bevriende nacht gaat vluchtling spelen,
En men verwacht ons bij Bassanio's feest.
JESSICA. Ik ga de kasten sluiten en verguld mij
Met meer dukaten nog, en kom dan fluks.
(Zij gaat weg van 't venster.)
GRATIANO. Ze is, bij mijn kap, Godinne, geen Jodinne.
LORENZO. God straff' me, zoo 'k haar niet oprecht bemin;
Verstandig is ze, als ik er iets van weet;
En schoon is ze, als mijn oog mij niet bedriegt;
En trouw is ze ook, dat heeft ze reeds getoond.
En, zooals ze is, verstandig, schoon en trouw,
Wordt zij mijn teêr en trouw beminde vrouw.
(Jessica komt op, beneden.)
LORENZO. Zoo, zijt ge er reeds?--Dan, heeren, voort, met spoed;
Ginds wacht ons al sinds lang de maskerstoet.
(Hij gaat heen, met Jessica en Salarino.)
(Antonio komt op.)
ANTONIO. Wie daar?
GRATIANO. Signore Antonio?
ANTONIO. Gratiano, foei! En waar zijn nu al de andren?
't Is negen uur; de vrienden wachten u.--
Geen maskerade thans; de wind is om;
Bassanio wil op 't oogenblik aan boord;
Ik zond wel twintig man om u te zoeken.
GRATIANO. Zeer gaarne, ja; want niets staat meer mij aan,
Dan nog van avond scheep en weg te gaan.
(Beiden af.)