XIII.

Het was reeds stikdonker, en alleen de wachtvuren wierpen een mat

schijnsel op het kamp, toen ik, nadat mijn dienst afgeloopen was, bij

mijn manschappen terugkwam. Een groote boomstam gloeide onder de asch.

Er omheen zaten drie man, Antonoff, die op den ketel lette, waarin de

_riabko_[22] kookte, verder Shdanoff, die peinzend met een stokje in

de asch zat te roeren, en eindelijk Tschikine, met zijn kort pijpje,

dat nooit aan wilde.

[22] Soldatenkost: geweekte beschuit in reuzel gekookt.

De anderen sliepen reeds, sommigen onder de kruitwagens, anderen op

bossen hooi of langs het vuur. Bij het zwakke schijnsel der gloeiende

kolen onderscheidde ik ruggen, beenen en hoofden, die ik herkende.

Onder den hoop was ook de jonge recruut, die bij het vuur lag en reeds

scheen te slapen.

Antonoff maakte plaats voor mij. Ik ging bij hem zitten en stak een

sigaret aan. De reuk van den nevel en van den walmenden rook, die van

het vochtige hout opsteeg, verspreidde zich in de lucht en deed pijn

aan de oogen; uit den diepzwarten hemel viel nog altijd een motregen.

Rondom ons hoorden wij het regelmatig gesnurk, het geknetter van

takken in het vuur, het gemompel van stemmen en soms het gekletter

van de geweren der infanterie. De wachtvuren vlamden in de rondte en

verlichtte op een kleinen afstand in het rond de zwarte gestalten

der soldaten. Niet ver van mij bemerkte ik, in een van die verlichte

ruimten, silhouetten van naakte soldaten, die hun hemden boven het

vuur uitschudden.

Velen sliepen nog niet. Zij liepen te praten, op die ruimte van

dertig meter in het vierkant. Maar de donkere, sombere nacht gaf

iets geheimzinnigs aan alles wat daar bewoog, alsof ieder onzer die

droefgeestige stilte op zich voelde drukken en bevreesd was die

rustige harmonie storen.

Als ik begon te spreken, gevoelde ik dat mijne stem haar gewonen klank

niet had. Op de gezichten van al de soldaten las ik dezelfde stemming.

Ik dacht eerst, dat zij tot aan mijne komst over hunne gewonde

kameraden gesproken hadden.

Volstrekt niet. Tschikine vertelde, dat er militaire bagage te Tiflis

was gekomen, en verder den een of anderen streek van scholieren uit

die stad.

Overal en altijd, maar vooral in den Kaukasus, heb ik opgemerkt dat

onze soldaten veel takt hebben om gedurende het gevaar, gesprekken te

vermijden, die den moed aan het wankelen zouden brengen. Bij de Russen

is de moed geheel iets anders dan bij de volken van het Zuiden, wier

geestdrift even snel uitbarst en weer uitdooft; de Russische moed

is even moeilijk op te wekken als uit te dooven. Hij heeft geen

effectmiddel noodig, geen redevoeringen, oorlogskreten, liederen of

trommelslag; integendeel, hij behoeft kalmte, orde en ongedwongenheid.

Een echt Russisch soldaat zal nooit pochen en snoeven; hij voelt nooit

behoefte zich op te winden en te verhitten gedurende het gevaar.

Integendeel: omzichtigheid, eenvoud en gave om in het gevaar iets

anders te zien dan het gevaar, dat zijn de hoofdkenmerken van zijn

karakter.

Ik heb een soldaat aan het been zien getroffen worden, en hij maakte

het eerst een beweging van spijt, dat er een gat was in zijn nieuwe

pels. Een cavalerist, wiens paard onder hem was doodgeschoten, maakte

zijn voeten los uit de stijgbeugels, maar nam ook het zadel mee, om

dat niet verloren te laten gaan. Overbekend is een voorval uit het

beleg van Gergebel: in de werkplaats raakte de lont van een reeds

gevulde bom aan het branden, en de vuurwerker beval aan twee helpers,

de bom op te nemen en in de gracht te gooien; bij de gracht stond de

tent van den kolonel, en de soldaten, vreezende de officieren, die in

de tent sliepen, wakker te maken, wilden de bom een eind verder

dragen; zij werden beiden in stukken geslagen.

Ik herinner mij nog uit de expeditie van 1852 hoe een der jonge

soldaten onder het gevecht tot de anderen zei: dat ze wel allen op de

plaats zouden blijven, waarop al zijn kameraden hem met verwijten

overstelpten over zijn dom geklets, dat zij zelfs niet wilden

herhalen. En nu, op dit oogenblik, nu ieder slechts aan Welentschuk

had moeten denken, terwijl de Tartaren ons ieder oogenblik onverhoeds

op het lijf konden vallen, luisterden allen naar de vroolijke

verhalen van Tschikine, en niemand sprak een woord over het gevecht

van dien dag, noch over het dreigend gevaar, noch over den gewonde,

alsof dat alles reeds God weet hoe lang was geleden of in het geheel

niet was gebeurd. Het scheen mij echter toe, dat hun gezichten

droefgeestiger stonden dan gewoonlijk. Zij wijdden niet veel aandacht

aan den verteller, die zelf wel bemerkte dat men niet naar hem

luisterde, maar toch rustig door sprak.

Maximoff naderde het vuur en ging naast mij zitten, Tschikine was

opgestaan om voor hem plaats te maken, hield met praten op en begon

weer snelle halen aan zijn pijpje te doen.

--De infanteristen hebben vodka laten halen in het kamp, zeide

Maximoff na eene lange stilte. De uitgezonden manschappen zijn juist

terug.

Hij spuwde in het vuur. Den onderofficier heeft gezegd, dat hij onzen

gewonde gezien heeft.

--Leeft hij nog? vroeg Antonoff, terwijl hij den ketel omroerde.

--Neen, hij is dood.

De jonge recruut hief eensklaps zijn hoofd, met het roode mutsje, op,

keek Maximoff strak aan, daarna mij, ging toen weer liggen en wikkelde

zich in zijn mantel.

--Ziet gij wel? Hij heeft niet ongestraft den dood naast zich gezien,

toen ik hem wakker maakte in het park, zeide Antonoff.

--Onzin, zeide Shdanoff en keerde den glimmenden boomstam om.

Allen zwegen.

Te midden der algemeene stilte hoorde men achter ons, in de richting

van het kamp, een schot. Onze tamboers meldden zich en sloegen een

roffel. Toen het laatste geroffel was weggestorven, stond Shdanoff het

eerst op en nam zijne muts af. Wij volgden allen zijn voorbeeld.

In de onpeilbare duisternis van den nacht steeg een harmonieus koor

van mannenstemmen op: »Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam

worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den

hemel als ook op de aarde; geef ons heden ons dagelijksch brood, en

vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren,

en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Amen!"

* * * * *

--Op dezelfde manier werd bij ons, in 1845, een der onzen verminkt,

zeide Antonoff, toen wij, na onze mutsen weer opgezet te hebben,

opnieuw om het vuur gingen liggen. Wij namen hem toen mee op een van

onze stukken. Herinnert gij u, 't was Schefftschenko, Shdanoff? Wij

lieten hem eindelijk onder een boom liggen.

Op dit oogenblik kwam een infanterist, met groote bakkebaarden en een

langen knevel, het geweer op schouder en den ransel op den rug, naar

ons vuur toestappen.

--Met uw verlof, landsman. Een beetje vuur om mijn pijp aan te steken,

zeide hij.

--Ga uw gang; aan vuur mankeert het hier niet, merkte Tschikine op.

--Gij spraakt zeker van Dargi? vroeg de soldaat aan Antonoff.

--Van den veldtocht van 1845, bij Dargi, antwoordde Antonoff.

De soldaat schudde het hoofd, kneep zijn oogen dicht en hurkte naast

ons neer.

--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd, zeide hij.

--En waarom liet gij hem liggen? vroeg ik aan Antonoff.

--Het deed hem te zeer in zijn buik. Zoolang wij stilhielden, ging het

nog, maar wij waren nauwelijks op weg, of hij begon te schreeuwen.

Hij smeekte ons, hem in Godsnaam daar te laten, maar wij hadden toch

medelijden met hem. En dan, _hij_ zat ons te nauw op de hielen; alleen

van ons stuk schoot _hij_ drie man en een officier dood; we konden

onze batterij niet dan met de grootste moeite redden. Alles kwam ook

op eens. Wij waren bang, dat wij het stuk zouden verliezen. En een

modder!

--De ergste plaats, merkte de soldaat op, was aan den voet van den

Indischen Berg.

--Welnu, juist daar werd hij hoe langer hoe erger. Toen overlegden wij

met Anoschenka--een ouden brigadier--dat hij toch niet in het leven

zou blijven, en hijzelf smeekte ons opnieuw dat wij hem in Godsnaam

achter zouden laten. Laten wij hem hier dan maar neerleggen! Dat deden

wij. Er stond op die plaats een groote boom. Wij namen eenige geweekte

beschuiten, die Shdanoff bij zich had, en legden die naast den

gewonde. Wij zetten hem met den rug tegen den boom, deden hem een

schoon hemd aan, namen afscheid van hem en lieten hem aan zijn lot

over.

--Was het een goed soldaat?

--Een tamelijk goed soldaat, zeide Shdanoff.

--Wat er met hem gebeurd is, God weet het! vervolgde Antonoff. Er

zijn daar veel van de onzen gebleven.

--Bij Dargi? vroeg de infanterist, terwijl hij opstond en zijne pijp

uitklopte.

Hij deed opnieuw zijn oogen dicht en zeide hoofdschuddend:

--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd!

Met die woorden ging hij heen.

--Zijn er nog veel over, bij onze batterij, die den slag bij Dargi

hebben meegemaakt? vroeg ik.

--Veel? Shdanoff, ik, Patsan, die nu met verlof is, en vijf of zes

anderen, meer niet.

--Zeg eens, onze Patsan houdt het uit, zeide Tschikine, terwijl hij

zijn beenen uitstak en met zijn hoofd tegen een boomstronk leunde. Me

dunkt dat hij nu bijna een jaar weg is.

--En gij, hebt gij wel eens een jaar verlof gehad? vroeg ik aan

Shdanoff.

--Neen nooit, antwoordde hij met tegenzin.

--'t Is wel prettig naar zijn land terug te keeren als men wat heeft,

of als men kan werken, zeide Antonoff, dan is iedereen thuis tevreden

over je.--Maar aan den anderen kant, waarvoor zou men terugkeeren,

als men slechts twee broeders heeft? ze hebben zelf moeite om rond

te komen, laat staan dan een soldaat den kost te geven. Men kan niet

veel meer uitvoeren, als men vijf en twintig jaar gediend heeft.

En bovendien, ik weet niet eens, of zij nog wel in leven zijn.

--Hebt gij hun dan nooit geschreven?

--Welzeker! Ik heb hun twee brieven gestuurd, maar nooit antwoord

gekregen. Of zij zijn dood, of zij hebben het zoo arm, dat zij geen

tijd hebben aan schrijven te denken. Waar moet ik dan heen?

--Is dat lang geleden dat gij hun geschreven hebt?

--Toen wij van Dargi terugkwamen, heb ik den laatsten brief

geschreven. Zing eens het lied van den kleinen berk, zeide Shdanoff

tot Antonoff, die met de ellebogen op de knieën zat te neuriën.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 33 / 37 题