Het was reeds stikdonker, en alleen de wachtvuren wierpen een mat
schijnsel op het kamp, toen ik, nadat mijn dienst afgeloopen was, bij
mijn manschappen terugkwam. Een groote boomstam gloeide onder de asch.
Er omheen zaten drie man, Antonoff, die op den ketel lette, waarin de
_riabko_[22] kookte, verder Shdanoff, die peinzend met een stokje in
de asch zat te roeren, en eindelijk Tschikine, met zijn kort pijpje,
dat nooit aan wilde.
[22] Soldatenkost: geweekte beschuit in reuzel gekookt.
De anderen sliepen reeds, sommigen onder de kruitwagens, anderen op
bossen hooi of langs het vuur. Bij het zwakke schijnsel der gloeiende
kolen onderscheidde ik ruggen, beenen en hoofden, die ik herkende.
Onder den hoop was ook de jonge recruut, die bij het vuur lag en reeds
scheen te slapen.
Antonoff maakte plaats voor mij. Ik ging bij hem zitten en stak een
sigaret aan. De reuk van den nevel en van den walmenden rook, die van
het vochtige hout opsteeg, verspreidde zich in de lucht en deed pijn
aan de oogen; uit den diepzwarten hemel viel nog altijd een motregen.
Rondom ons hoorden wij het regelmatig gesnurk, het geknetter van
takken in het vuur, het gemompel van stemmen en soms het gekletter
van de geweren der infanterie. De wachtvuren vlamden in de rondte en
verlichtte op een kleinen afstand in het rond de zwarte gestalten
der soldaten. Niet ver van mij bemerkte ik, in een van die verlichte
ruimten, silhouetten van naakte soldaten, die hun hemden boven het
vuur uitschudden.
Velen sliepen nog niet. Zij liepen te praten, op die ruimte van
dertig meter in het vierkant. Maar de donkere, sombere nacht gaf
iets geheimzinnigs aan alles wat daar bewoog, alsof ieder onzer die
droefgeestige stilte op zich voelde drukken en bevreesd was die
rustige harmonie storen.
Als ik begon te spreken, gevoelde ik dat mijne stem haar gewonen klank
niet had. Op de gezichten van al de soldaten las ik dezelfde stemming.
Ik dacht eerst, dat zij tot aan mijne komst over hunne gewonde
kameraden gesproken hadden.
Volstrekt niet. Tschikine vertelde, dat er militaire bagage te Tiflis
was gekomen, en verder den een of anderen streek van scholieren uit
die stad.
Overal en altijd, maar vooral in den Kaukasus, heb ik opgemerkt dat
onze soldaten veel takt hebben om gedurende het gevaar, gesprekken te
vermijden, die den moed aan het wankelen zouden brengen. Bij de Russen
is de moed geheel iets anders dan bij de volken van het Zuiden, wier
geestdrift even snel uitbarst en weer uitdooft; de Russische moed
is even moeilijk op te wekken als uit te dooven. Hij heeft geen
effectmiddel noodig, geen redevoeringen, oorlogskreten, liederen of
trommelslag; integendeel, hij behoeft kalmte, orde en ongedwongenheid.
Een echt Russisch soldaat zal nooit pochen en snoeven; hij voelt nooit
behoefte zich op te winden en te verhitten gedurende het gevaar.
Integendeel: omzichtigheid, eenvoud en gave om in het gevaar iets
anders te zien dan het gevaar, dat zijn de hoofdkenmerken van zijn
karakter.
Ik heb een soldaat aan het been zien getroffen worden, en hij maakte
het eerst een beweging van spijt, dat er een gat was in zijn nieuwe
pels. Een cavalerist, wiens paard onder hem was doodgeschoten, maakte
zijn voeten los uit de stijgbeugels, maar nam ook het zadel mee, om
dat niet verloren te laten gaan. Overbekend is een voorval uit het
beleg van Gergebel: in de werkplaats raakte de lont van een reeds
gevulde bom aan het branden, en de vuurwerker beval aan twee helpers,
de bom op te nemen en in de gracht te gooien; bij de gracht stond de
tent van den kolonel, en de soldaten, vreezende de officieren, die in
de tent sliepen, wakker te maken, wilden de bom een eind verder
dragen; zij werden beiden in stukken geslagen.
Ik herinner mij nog uit de expeditie van 1852 hoe een der jonge
soldaten onder het gevecht tot de anderen zei: dat ze wel allen op de
plaats zouden blijven, waarop al zijn kameraden hem met verwijten
overstelpten over zijn dom geklets, dat zij zelfs niet wilden
herhalen. En nu, op dit oogenblik, nu ieder slechts aan Welentschuk
had moeten denken, terwijl de Tartaren ons ieder oogenblik onverhoeds
op het lijf konden vallen, luisterden allen naar de vroolijke
verhalen van Tschikine, en niemand sprak een woord over het gevecht
van dien dag, noch over het dreigend gevaar, noch over den gewonde,
alsof dat alles reeds God weet hoe lang was geleden of in het geheel
niet was gebeurd. Het scheen mij echter toe, dat hun gezichten
droefgeestiger stonden dan gewoonlijk. Zij wijdden niet veel aandacht
aan den verteller, die zelf wel bemerkte dat men niet naar hem
luisterde, maar toch rustig door sprak.
Maximoff naderde het vuur en ging naast mij zitten, Tschikine was
opgestaan om voor hem plaats te maken, hield met praten op en begon
weer snelle halen aan zijn pijpje te doen.
--De infanteristen hebben vodka laten halen in het kamp, zeide
Maximoff na eene lange stilte. De uitgezonden manschappen zijn juist
terug.
Hij spuwde in het vuur. Den onderofficier heeft gezegd, dat hij onzen
gewonde gezien heeft.
--Leeft hij nog? vroeg Antonoff, terwijl hij den ketel omroerde.
--Neen, hij is dood.
De jonge recruut hief eensklaps zijn hoofd, met het roode mutsje, op,
keek Maximoff strak aan, daarna mij, ging toen weer liggen en wikkelde
zich in zijn mantel.
--Ziet gij wel? Hij heeft niet ongestraft den dood naast zich gezien,
toen ik hem wakker maakte in het park, zeide Antonoff.
--Onzin, zeide Shdanoff en keerde den glimmenden boomstam om.
Allen zwegen.
Te midden der algemeene stilte hoorde men achter ons, in de richting
van het kamp, een schot. Onze tamboers meldden zich en sloegen een
roffel. Toen het laatste geroffel was weggestorven, stond Shdanoff het
eerst op en nam zijne muts af. Wij volgden allen zijn voorbeeld.
In de onpeilbare duisternis van den nacht steeg een harmonieus koor
van mannenstemmen op: »Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw naam
worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede gelijk in den
hemel als ook op de aarde; geef ons heden ons dagelijksch brood, en
vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren,
en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Amen!"
* * * * *
--Op dezelfde manier werd bij ons, in 1845, een der onzen verminkt,
zeide Antonoff, toen wij, na onze mutsen weer opgezet te hebben,
opnieuw om het vuur gingen liggen. Wij namen hem toen mee op een van
onze stukken. Herinnert gij u, 't was Schefftschenko, Shdanoff? Wij
lieten hem eindelijk onder een boom liggen.
Op dit oogenblik kwam een infanterist, met groote bakkebaarden en een
langen knevel, het geweer op schouder en den ransel op den rug, naar
ons vuur toestappen.
--Met uw verlof, landsman. Een beetje vuur om mijn pijp aan te steken,
zeide hij.
--Ga uw gang; aan vuur mankeert het hier niet, merkte Tschikine op.
--Gij spraakt zeker van Dargi? vroeg de soldaat aan Antonoff.
--Van den veldtocht van 1845, bij Dargi, antwoordde Antonoff.
De soldaat schudde het hoofd, kneep zijn oogen dicht en hurkte naast
ons neer.
--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd, zeide hij.
--En waarom liet gij hem liggen? vroeg ik aan Antonoff.
--Het deed hem te zeer in zijn buik. Zoolang wij stilhielden, ging het
nog, maar wij waren nauwelijks op weg, of hij begon te schreeuwen.
Hij smeekte ons, hem in Godsnaam daar te laten, maar wij hadden toch
medelijden met hem. En dan, _hij_ zat ons te nauw op de hielen; alleen
van ons stuk schoot _hij_ drie man en een officier dood; we konden
onze batterij niet dan met de grootste moeite redden. Alles kwam ook
op eens. Wij waren bang, dat wij het stuk zouden verliezen. En een
modder!
--De ergste plaats, merkte de soldaat op, was aan den voet van den
Indischen Berg.
--Welnu, juist daar werd hij hoe langer hoe erger. Toen overlegden wij
met Anoschenka--een ouden brigadier--dat hij toch niet in het leven
zou blijven, en hijzelf smeekte ons opnieuw dat wij hem in Godsnaam
achter zouden laten. Laten wij hem hier dan maar neerleggen! Dat deden
wij. Er stond op die plaats een groote boom. Wij namen eenige geweekte
beschuiten, die Shdanoff bij zich had, en legden die naast den
gewonde. Wij zetten hem met den rug tegen den boom, deden hem een
schoon hemd aan, namen afscheid van hem en lieten hem aan zijn lot
over.
--Was het een goed soldaat?
--Een tamelijk goed soldaat, zeide Shdanoff.
--Wat er met hem gebeurd is, God weet het! vervolgde Antonoff. Er
zijn daar veel van de onzen gebleven.
--Bij Dargi? vroeg de infanterist, terwijl hij opstond en zijne pijp
uitklopte.
Hij deed opnieuw zijn oogen dicht en zeide hoofdschuddend:
--Ja, ja, daar is toen heel wat gebeurd!
Met die woorden ging hij heen.
--Zijn er nog veel over, bij onze batterij, die den slag bij Dargi
hebben meegemaakt? vroeg ik.
--Veel? Shdanoff, ik, Patsan, die nu met verlof is, en vijf of zes
anderen, meer niet.
--Zeg eens, onze Patsan houdt het uit, zeide Tschikine, terwijl hij
zijn beenen uitstak en met zijn hoofd tegen een boomstronk leunde. Me
dunkt dat hij nu bijna een jaar weg is.
--En gij, hebt gij wel eens een jaar verlof gehad? vroeg ik aan
Shdanoff.
--Neen nooit, antwoordde hij met tegenzin.
--'t Is wel prettig naar zijn land terug te keeren als men wat heeft,
of als men kan werken, zeide Antonoff, dan is iedereen thuis tevreden
over je.--Maar aan den anderen kant, waarvoor zou men terugkeeren,
als men slechts twee broeders heeft? ze hebben zelf moeite om rond
te komen, laat staan dan een soldaat den kost te geven. Men kan niet
veel meer uitvoeren, als men vijf en twintig jaar gediend heeft.
En bovendien, ik weet niet eens, of zij nog wel in leven zijn.
--Hebt gij hun dan nooit geschreven?
--Welzeker! Ik heb hun twee brieven gestuurd, maar nooit antwoord
gekregen. Of zij zijn dood, of zij hebben het zoo arm, dat zij geen
tijd hebben aan schrijven te denken. Waar moet ik dan heen?
--Is dat lang geleden dat gij hun geschreven hebt?
--Toen wij van Dargi terugkwamen, heb ik den laatsten brief
geschreven. Zing eens het lied van den kleinen berk, zeide Shdanoff
tot Antonoff, die met de ellebogen op de knieën zat te neuriën.