--'t Is het lievelingslied van Shdanoff, zeide Tschikine, terwijl hij
mij aan de mouw trok.--Telkens als Antonoff het zingt, gaat de oude er
van schreien.
Shdanoff zat eerst volslagen onbeweeglijk, de oogen op het vuur
gevestigd; zijn gezicht, verlicht door het rosse schijnsel, zag er
buitengewoon droefgeestig uit, toen begon het op zij van zijn oogen
tot aan zijn ooren te trillen; eindelijk stond hij op, spreidde zijn
mantel op den grond uit en ging van het vuur af, in de schaduw liggen.
Kwam het omdat hij lag te woelen in afwachting van den slaap, was het
de invloed van het treurige weer en de gedachte aan den dood van
Welentschuk?... zooveel is zeker, dat het mij voorkwam dat hij weende.
Het onderste deel van den boomstam, die verkoold was, flikkerde van
tijd tot tijd op en verlichtte de gestalte van Antonoff, met zijn
grijzen knevel, zijn rood gezicht en de ridderorden op zijn mantel,
de laarzen van een ander, een paar hoofden en een rug. Nog steeds
druppelde de trieste nevel neer, dezelfde muffe lucht van rook en
vochtigheid drong mij nog in den neus. Hier en daar glinsterden nog
steeds de lichte stippen van vuren, die langzaam uitgingen. En te
midden van die algemeene stilte klonk het droefgeestige liedje van
Antonoff weg. Toen het ophield, scheen het beantwoord te worden door
het geluid van de zwakke nachtelijke beweging in het kamp, het
gesnork, het gekletter van de geweren der schildwachten, en zwak
gefluister.
--Twee mannen voor de wacht, Makatjuk en Shdanoff! riep Maximoff.
Antonoff zweeg. Shdanoff stond op, zuchtte diep, stapte over den
boomstam en richtte zich naar de kanonnen.