XII.

Mijn onderstelling werd spoedig bevestigd. Kapitein Krafft vroeg wat

vodka, die hij met den volksnaam _horilka_ noemde, liet een krachtig

hm! hooren, wierp zich achterover en dronk het glas uit.

--Welnu, heeren! Wat hebben we vandaag door de vlakten van de

Tschetschnia rondgedwaald, zoo begon hij.

Maar toen hij den dienstdoenden officier bemerkte, zweeg hij dadelijk

en liet den majoor tijd om zijne bevelen te geven.

--Welnu! hebt gij de voorposten geïnspekteerd?

--Jawel, majoor.

--Zijn de sluippatrouilles uitgezonden?

--Jawel, majoor.

--Beveel dan aan den kompagnies-kommandanten, dat zij hunne

waakzaamheid verdubbelen.

--Jawel, majoor.

De majoor kneep zijn oogen dicht en verzonk in diep nadenken.

--Zeg ook dat de manschappen hun kacha kunnen klaarmaken.

--Zij zijn er mede bezig.

--'t Is wel; u kunt gaan.

--Dus, wij waren bezig uit te rekenen, hoeveel een officier noodig

heeft, vervolgde de majoor met een welwillenden glimlach aan ons

adres. Laten wij eens zien. Gij hebt een jas en een broek noodig,

nietwaar? Ja, stellen wij daarvoor vijftig roebels alle twee jaar, bij

gevolg vijf en twintig roebels per jaar voor kleeding. Dan uw eten,

dagelijks twee _abas_[21], niet waar?

[21] Perzische munt, ongeveer f 0.40.

--Ja, dat is zelfs veel.

--Nu, laten wij nu maar eens rekenen twee abas. Dan, een paard met het

zadel, dertig roebels per jaar onderhoud. Dat is alles. Wij hebben

dus in 't geheel vijf en twintig, en nog honderd twintig, en nog

dertig, dat maakt honderd vijf en zeventig roebels. Er blijft dus voor

luxedingen, voor suiker, thee en tabak, ongeveer twintig roebels over.

Dat komt uit, nietwaar Nikolaï Fedorovitsch?

--Neen, met uw verlof, Abram Iljitch, zeide de adjudant schroomvallig.

Er blijft niets over voor thee en suiker. Gij rekent dat een uniform

twee jaar duurt, terwijl men hier, in oorlogstijd, nooit broeken

genoeg heeft. En de laarzen? Ik verslijt een paar in de maand. En het

linnen, hemden, servetten, handdoeken en onderbroeken, die moet men

toch ook koopen. Als men het goed uitrekent, blijft er niets over, op

mijn woord van eer, Abram Iljitch.

--Ja, voetlappen dragen is een goed ding, zeide

Krafft na een minutenlange stilte, op een toon van volle overtuiging.

't Is eenvoudig, weet gij, 't is Russisch.

--Ik moet u doen opmerken, zeide Trossenko, dat hoe men de rekening

ook maakt, er uit zou volgen dat wij ons gebit wel in de kast kunnen

leggen. Maar in werkelijkheid leven we er toch goed van; wij rooken

tabak en drinken thee en vodka. Als gij even lang gediend hebt als ik,

vervolgde hij, zich tot den vaandrig wendende, zult gij er ook goed

van weten te leven. Gij weet, heeren, hoe hij met zijn oppasser

omspringt.

En schaterende van lachen vertelde Trossenko de geschiedenis van den

vaandrig en zijn oppasser, ofschoon wij het verhaal meer dan

duizendmaal gehoord hadden.

--Wat zit gij daar toch als een roos te kijken, broertje? ging hij

voort tot den vaandrig, die een kleur kreeg en zat te zweeten en te

glimlachen om er medelijden mee te krijgen....

--'t Is niet erg, broertje, ik ben ook als gij geweest, en zie nu

eens wat een kerel ik geworden ben. Laat er eens wat van die snaken

uit Rusland komen--wij hebben er zoo gezien--zij krijgen krampen en

rheumatiek; en ik, ik heb me hier ingeleefd;--ik heb hier mijn huisje,

mijn bed en de rest. Begrijpt gij?

Daarbij dronk hij nog een glas vodka.

--He? zeide hij, terwijl hij Krafft strak in de oogen keek.

--Dat is mijn man, dat is nog eens een ware, oude Kaukasiër. Geef me

uw hand!

En zich tusschen ons door dringende, ging hij naar Trossenko toe,

greep zijne hand en schudde die heel hartelijk.

--Ja, wij kunnen zeggen, dat wij hier al heel wat hebben meegemaakt,

zeide hij. In 1845.... gij waart er zonder twijfel ook bij, niet waar,

kapitein? Herinnert gij u dien nacht van den 12den op den 13den,

toen wij tot aan de knieën in de modder stonden? en den volgenden

morgen hebben wij de redoute aangevallen. Ik was toen bij den

opperbevelhebber, wij hebben toen, in een enkelen dag, vijftien

schansen genomen, herinnert gij u, kapitein?

Trossenko knikte met het hoofd ten teeken van toestemming, en, de

onderlip vooruitstekend, sloot hij de oogen.

--Welnu, ziet gij... ging Krafft zeer opgewonden voort, met linksche

gesticulaties, terwijl hij zich tot den majoor wendde....

Maar de majoor, die dit verhaal ongetwijfeld reeds meer dan eens had

gehoord, zag opeens zijn buurman met zoo'n matte, onverschillige

uitdrukking aan, dat Krafft zich van hem afwendde, en, na ons

beurtelings aangekeken te hebben, zich tot Bolchoff en mij richtte.

Wat Trossenko betreft, Krafft richtte geen enkelen keer gedurende zijn

verhaal den blik op hem.

--Welnu, ziet gij, toen wij des morgens uittrokken, zeide de

opperbevelhebber tot mij: Krafft, neem die verschansingen. Gij weet

allen, hoe het in den dienst gaat, men heeft geen aanmerkingen te

maken. Ik sloeg aan en zeide:--Tot uw orders, Excellentie! En daar

ging het vooruit! Toen wij bij de eerste verschansing kwamen, keerde

ik mij om en riep hun toe:--Weest niet bang, kinderen! Ziet goed

uit je oogen! Wie achterblijft, dien sabel ik eigenhandig neer!

Met een Russisch soldaat, weet gij, moet men eenvoudig te werk

gaan. Daar valt eensklaps een granaat.... Ik kijk om: een, twee, drie

soldaten. Sch!... Toen kwamen de kogels.. Sch!.. Sch!... Sch!... Ik

roep:--Voorwaarts, kinderen, volgt mij! Maar toen wij nader kwamen en

ik goed toekeek, zag ik daar... och.... gij weet wel... hoe heet dat

ook?

En de verteller maakte wanhopige gebaren om het woord te vinden.

--Een gracht! zei Bolchoff.

--Neen... Och, hoe heet ook... Goede God!... Maar hoe heet dat dan?...

Een gracht! zeide hij levendig... Dus... het geweer omlaag... Hoera!

Tara-ta-ta-ta-ta!... Van vijanden geen spoor. Ziet gij... alles was

verrast. Enfin... mooi!... Wij gaan verder... Een tweede schans.

Daar was het een ander geval. Het bloed kookte ons al zoo'n beetje,

weet gij... Wij komen nader, wij kijken toe, ik zie een tweede

verschansing; onmogelijk verder te komen. Daar.... Maar hoe heet dat

toch? Och! Gij weet wel...

--Nog een gracht, zeide ik op mijne beurt.

--Wel neen, antwoordde hij knorrig. Geen gracht! Maar... Kom, hoe heet

dat dan toch?

Hij maakte met de hand een verlegen gebaar.

--Och! mijn Hemel! Hoe heet dat ook weer?

Hij had er zichtbaar het land over, zoo zelfs dat men hem

onwillekeurig te hulp trachtte te komen.

--Eene rivier, misschien, zeide Bolchoff.

--Neen, eenvoudig een gracht. Maar... wij storten er ons in, en toen,

wilt gij wel gelooven... een vuur, een helsch vuur.....

Op dit oogenblik riep iemand mij buiten. Het was Maximoff. En daar

ik, na de verhalen vol afwisseling der twee eerste redoutes, er nog

dertien te slikken had, was ik blijde, van deze gelegenheid gebruik

te kunnen maken om weer naar mijn sectie terug te gaan. Trossenko ging

met mij naar buiten.

--Het zijn allemaal leugens! zeide hij op eenigen afstand van de

hut.--Hij is er zelfs niet bij geweest, toen de schansen bestormd

werden.

En hij begon zoo hartelijk te lachen, dat ik zijn voorbeeld volgde.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 32 / 37 题