Op dit oogenblik hoorde men buiten de stem van den
bataljonskommandant.
--Wien hebt gij daar bij u, Nikolaï Fedorovitsch?
Bolchoff noemde mijn naam, en dadelijk kwamen er drie officieren de
hut binnen: majoor Kirsanoff, zijn adjudant en kapitein Trossenko.
Kirsanoff was een klein, gezet man, met een dunnen knevel, blozende
wangen en kleine, waterige oogjes. Deze oogjes maakten het typische
van zijn gelaat uit. Als hij lachte, bleef er niets van over dan twee
vochtige, glanzende sterretjes, en deze sterretjes, gepaard aan zijn
strakke lippen en zijn langgerekten hals, gaven hem een hoogst
eigenaardige uitdrukking van beschroomheid.
Kirsanoff stond uitstekend aangeschreven in het regiment; zijn
minderen verfoeiden hem niet, zijn meerderen achtten hem, hoewel de
algemeene opinie hem slechts een middelmatig verstand toeschreef. Hij
kende zijn dienst in den grond, was nauwgezet en ijverig, had altijd
geld, hield er een eigen rijtuig en een kok op na, en wist zich een
heel natuurlijke, trotsche houding te geven.
--Waar hadt gij het over, Nikolaï Fedorovitsch? vroeg hij bij het
binnentreden aan Bolchoff.
--Wel, over de aangenaamheden van het dienen in den Kaukasus.
Op dit oogenblik merkte Kirsanoff mij, den eenvoudigen jonker, op. Om
mij al zijn gewicht doen te voelen, vroeg hij, alsof hij het antwoord
van Bolchoff niet gehoord had, en met de oogen op de trom gericht:
--Wel, zijt gij vermoeid, Nikolaï Fedorovitsch?
--Neen, maar wij waren... wilde Bolchoff vervolgen.
Maar de waardigheid van bataljons-kommandant eischte ongetwijfeld een
nieuwe interruptie en een nieuwe vraag:
--Is dat vandaag geen mooi treffen geweest?
De bataillons-adjudant was een jonge vaandrig, een pas bevorderd
jonker, een zachte, beschroomde jongen, met een verlegen, sympathiek
en goedig gezicht. Ik had hem reeds meer bij Bolchoff gezien; de jonge
man kwam dikwijls bij hem: hij placht te groeten, in een hoek te gaan
zitten, uren lang niets te zeggen en sigaretten te rooken, dan stond
hij op, boog weer en ging heen.
Hij was het type van een arm Russisch edelman; hij had de militaire
loopbaan gekozen als de eenige, die in overeenstemming was met hetgeen
hij geleerd had, en hooger dan alles in de wereld stelde hij zijn
officiersrang. Dit type blijft goedig en sympathiek ondanks de
belachelijke, onvermijdelijke tabakszak, kamerjapon, gitaar
knevelschuier, zonder welke we het ons niet kunnen voorstellen.
In het regiment beweerde men, dat de adjudant er zich op beroemde,
tegenover zijn oppasser altijd »streng, maar rechtvaardig" te zijn.
--Ik straf niet dikwijls, maar wee! als men er mij toe noodzaakt.--En
eens, toen zijn oppasser dronken was, zijn meester bestal en zelfs
durfde beleedigen, zou hij zelf den schuldige naar de hoofdwacht
gebracht, en bevolen hebben alles voor de strafoefening gereed te
maken, maar op het gezicht der toebereidselen was hij van streek
geraakt, zoo zelfs dat hij slechts kon uitbrengen:--Welnu, gij ziet
het... ik zou je toch kunnen... En hij was zoo verlegen geworden, dat
hij maar stilletjes naar huis gesneld was.--Sinds dien tijd durfde hij
zijn oppasser Tchernoff niet meer in de oogen zien. Zijn kameraden
plaagden hem daar onophoudelijk mede, en meer dan eens hoorde ik den
braven jongen protesteeren, en met een kleur tot achter de ooren
verzekeren dat er niets van waar was.
Het derde personage, kapitein Trossenko, was een oude Kaukasiër in de
volle beteekenis van het woord, dat wil zeggen, een man, voor wien
zijne kompagnie zijne familie is geworden, de vesting, waar de staf
resideert, zijn vaderstad, en de zangers van het regiment de eenige
vreugde zijns levens; een man, voor wien alles wat geen Kaukasus was,
geen aandacht, ja zelfs het bestaan niet waard was terwijl alles wat
de Kaukasus was, in twee deelen was verdeeld; het onze, en het
_hunne_.
Het eerste deel beminde, het tweede deel haatte hij met al de kracht
zijner ziel. Hij was een man van kalme en beproefde dapperheid en,
wat de hoofdzaak was: hij toonde een zeldzame goedheid in zijn
omgang met zijn kameraden en zijn ondergeschikten, en een wanhopige
openhartigheid die, tegenover den adjudant en bonjourols, die hij om
een of andere reden niet lijden mocht, bijna onbeschoftheid werd.
Toen hij de hut binnenkwam, stiet hij bijna met zijn hoofd door het
dak; daarop bukte hij zich plotseling en ging op den grond zitten.
--Nu? zeide hij.
Maar toen hij plotseling een onbekend gezicht bemerkte, hield hij op
en vestigde zijn wazige oogen op mij.
--Waar hadt gij het toch over? vroeg de majoor en haalde zijn horloge
uit om te zien hoe laat het was, ofschoon hij, naar mijn vaste
overtuiging, geen enkele reden had dat te weten.
--Ja, hij vroeg mij, waarom ik hier bleef dienen.
--Wel dat is duidelijk; Nikolaï Fedorovitsch wil zich in den Kaukasus
onderscheiden en dan naar huis terugkeeren.
--Welnu! Abram Iljitsch, en gij dan, waarom blijft gij in den
Kaukasus?
--Ik? In de eerste plaats, weet gij, antwoordde de majoor, omdat wij
allen moeten dienen zooals onze plicht ons voorschrijft.--Wat? voegde
hij erbij, hoewel niemand iets gezegd had. Gisteren heb ik een brief
uit Rusland gekregen, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, blijkbaar
een andere wending aan het gesprek willende geven. Men schrijft mij...
O! 't zijn wonderlijke vragen, die ze mij doen!
--En welke vragen dan? vroeg Bolchoff.
Hij begon te lachen.
--Inderdaad, rare vragen... Zij vragen mij of er jaloezie kan bestaan
zonder liefde... Wel? en beurtelings zag hij ons vragend aan.
--Hé? zeide Bolchoff glimlachend.
--Ja, weet gij, het is in Rusland zoo kwaad niet, vervolgde hij, alsof
er een heel logisch verband bestond tusschen zijne zinnen. Toen ik in
Tamboff was, in 1852, werd ik overal ontvangen of ik adjudant van den
keizer was. Geloof me, op het bal van den goeverneur, toen ik mijn
entrée maakte, weet gij... werd ik uitstekend ontvangen. De vrouw van
den goeverneur moet gij weten, onderhield zich met mij en vroeg mij
over den Kaukasus, en allerlei meer... wat ik al niet weten moest...
Zij bekeken mijn gouden sabel, alsof het een rariteit was; zij vroegen
mij, waarvoor ik die sabel had gekregen, en waarvoor St. Anna, en
waarvoor Wladimir; en ik ging maar vertellen... Wat? Ziet gij,
daarvoor is de Kaukasus goed, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij,
zonder een antwoord af te wachten.--Wij Kaukasiërs, wij zijn zeer
gezien; een jonge man, weet gij, die stafofficier is en St. Anna en
Wladimir heeft, die is wat in Rusland... Wat?
--En, gij zult er zeker wel wat bij gephantaseerd hebben, denk ik,
Abram Iljitch? zeide Bolchoff.
--Hi! hi! antwoordde de majoor, met zijn dommen lach.--Dat moet men
wel, weet gij. Ja... en dan heb ik uitstekend gegeten en gedronken, in
die twee maanden.
--Is het nogal goed in Rusland? vroeg Trossenko; hij sprak van Rusland
of het China of Japan was.
--Dat zou ik meenen. En wat een champagne wij gedronken hebben, in
die twee maanden, 't is verschrikkelijk!
--Wat ge zegt. Gij hebt ongetwijfeld limonade gedronken, zeide
Trossenko. Als ik er bij geweest was, dan zou men eens gezien hebben,
hoe een Kaukasiër drinkt. Ik zou onze reputatie opgehouden hebben. Ik
zou eens hebben laten zien, hoe men moet drinken, he! Bolchoff? voegde
hij er bij.
--Maar gij, oompje, gij zijt nu al meer dan tien jaar in den Kaukasus,
zeide Bolchoff.--Herinnert gij u nog wat Ermoloff zeide? Abram Iljitch
is hier echter nog maar zes jaar....
--Wat, tien? Bijna zestien!.... riep Trossenko uit. Zeg eens, Bolchoff
laat ons wat te drinken brengen. Wat is het vochtig! Brr!.... Hé?
voegde hij er glimlachend bij, moeten wij niet wat drinken, majoor?
Maar de majoor toonde zich reeds de eerste maal, dat de oude kapitein
hem aansprak, geërgerd. Hij werd nu zichtbaar boos en verschanste zich
in zijne waardigheid. Hij begon te neuriën en keek opnieuw op zijn
horloge.
--Welnu! ik ga wel nooit meer daarginds heen, vervolgde Trossenko,
zonder acht te slaan op het stuursche uiterlijk van den majoor.--Ik
ben zelfs verleerd op zijn Russisch te loopen en Russisch te spreken.
Wat is dat voor een vreemde snoeshaan? zullen de lui zeggen. Neen,
Azië, niet Nikolaï Fedorovitsch? En bovendien, wat zou ik in Rusland
doen? Het is mij onverschillig, eenmaal wordt men toch doodgeschoten.
Dan zullen ze vragen:--Waar is Trossenko? Gesneuveld. Wat zult gij dan
met de 8ste kompagnie doen, wel? voegde hij er bij en wendde zich
opnieuw tot den majoor.
--Laat den dienstdoenden officier van het bataljon komen, schreeuwde
Kirsanoff, zonder den kapitein te antwoorden, hoewel hij, daar ben ik
zeker van, geen enkele order te geven had.
--En gij, jonge man, ik hoop dat gij tevreden zijt met uwe dubbele
soldij, zeide de majoor, na een oogenblik van stilte, tot den
bataillonsadjudant.
--Ja zeker, zeer tevreden.
--Ik vind onze soldij zeer mooi, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde
Kirsanoff. Een jong officier kan er zeer gemakkelijk van rondkomen, en
zich zelfs nog extratjes veroorloven.
--Dat is te zeggen, Abram Iljitsch, zeide de adjudant schroomvallig.
't Is waar dat wij nu dubbel traktement hebben, maar wij moeten toch
ook een paard houden.
--Wat zegt gij daar, jongmensch? Ik ben ook vaandrig geweest, en
ik weet wat het is. Geloof mij, met een beetje overleg kan men best
rondkomen. Daar: reken maar eens na, voegde hij erbij en boog den pink
van zijn linkerhand.
--Wij maken onze soldij te voren op, dat is de heele rekening, zeide
Trossenko, terwijl hij een glaasje vodka ledigde.
--Nu, wat wilt gij daarmee zeggen?
Op dit oogenblik verscheen er in de opening der hut een wit hoofd met
een platten neus en een schrille stem zeide met een Duitsch accent:
--Zijt gij hier, Abram Iljitsch? De officier van dienst zoekt u.
--Kom binnen, Krafft, zeide Bolchoff.
Een lange gestalte, gekleed in de uniform van den generalen staf,
dook de hut binnen en begon ons allen hartelijk de hand te drukken.
--Zoo! waarde kapitein, gij ook hier? zeide hij tot Trossenko.
Ondanks het twijfelachtige licht, sloop de nieuw aangekomene tot bij
den kapitein, en, tot diens groote verwondering en ergernis, kuste hij
hem de lippen.
--'t Is een Duitscher, die goede kameraadschap wil sluiten, dacht ik.