XI.

Op dit oogenblik hoorde men buiten de stem van den

bataljonskommandant.

--Wien hebt gij daar bij u, Nikolaï Fedorovitsch?

Bolchoff noemde mijn naam, en dadelijk kwamen er drie officieren de

hut binnen: majoor Kirsanoff, zijn adjudant en kapitein Trossenko.

Kirsanoff was een klein, gezet man, met een dunnen knevel, blozende

wangen en kleine, waterige oogjes. Deze oogjes maakten het typische

van zijn gelaat uit. Als hij lachte, bleef er niets van over dan twee

vochtige, glanzende sterretjes, en deze sterretjes, gepaard aan zijn

strakke lippen en zijn langgerekten hals, gaven hem een hoogst

eigenaardige uitdrukking van beschroomheid.

Kirsanoff stond uitstekend aangeschreven in het regiment; zijn

minderen verfoeiden hem niet, zijn meerderen achtten hem, hoewel de

algemeene opinie hem slechts een middelmatig verstand toeschreef. Hij

kende zijn dienst in den grond, was nauwgezet en ijverig, had altijd

geld, hield er een eigen rijtuig en een kok op na, en wist zich een

heel natuurlijke, trotsche houding te geven.

--Waar hadt gij het over, Nikolaï Fedorovitsch? vroeg hij bij het

binnentreden aan Bolchoff.

--Wel, over de aangenaamheden van het dienen in den Kaukasus.

Op dit oogenblik merkte Kirsanoff mij, den eenvoudigen jonker, op. Om

mij al zijn gewicht doen te voelen, vroeg hij, alsof hij het antwoord

van Bolchoff niet gehoord had, en met de oogen op de trom gericht:

--Wel, zijt gij vermoeid, Nikolaï Fedorovitsch?

--Neen, maar wij waren... wilde Bolchoff vervolgen.

Maar de waardigheid van bataljons-kommandant eischte ongetwijfeld een

nieuwe interruptie en een nieuwe vraag:

--Is dat vandaag geen mooi treffen geweest?

De bataillons-adjudant was een jonge vaandrig, een pas bevorderd

jonker, een zachte, beschroomde jongen, met een verlegen, sympathiek

en goedig gezicht. Ik had hem reeds meer bij Bolchoff gezien; de jonge

man kwam dikwijls bij hem: hij placht te groeten, in een hoek te gaan

zitten, uren lang niets te zeggen en sigaretten te rooken, dan stond

hij op, boog weer en ging heen.

Hij was het type van een arm Russisch edelman; hij had de militaire

loopbaan gekozen als de eenige, die in overeenstemming was met hetgeen

hij geleerd had, en hooger dan alles in de wereld stelde hij zijn

officiersrang. Dit type blijft goedig en sympathiek ondanks de

belachelijke, onvermijdelijke tabakszak, kamerjapon, gitaar

knevelschuier, zonder welke we het ons niet kunnen voorstellen.

In het regiment beweerde men, dat de adjudant er zich op beroemde,

tegenover zijn oppasser altijd »streng, maar rechtvaardig" te zijn.

--Ik straf niet dikwijls, maar wee! als men er mij toe noodzaakt.--En

eens, toen zijn oppasser dronken was, zijn meester bestal en zelfs

durfde beleedigen, zou hij zelf den schuldige naar de hoofdwacht

gebracht, en bevolen hebben alles voor de strafoefening gereed te

maken, maar op het gezicht der toebereidselen was hij van streek

geraakt, zoo zelfs dat hij slechts kon uitbrengen:--Welnu, gij ziet

het... ik zou je toch kunnen... En hij was zoo verlegen geworden, dat

hij maar stilletjes naar huis gesneld was.--Sinds dien tijd durfde hij

zijn oppasser Tchernoff niet meer in de oogen zien. Zijn kameraden

plaagden hem daar onophoudelijk mede, en meer dan eens hoorde ik den

braven jongen protesteeren, en met een kleur tot achter de ooren

verzekeren dat er niets van waar was.

Het derde personage, kapitein Trossenko, was een oude Kaukasiër in de

volle beteekenis van het woord, dat wil zeggen, een man, voor wien

zijne kompagnie zijne familie is geworden, de vesting, waar de staf

resideert, zijn vaderstad, en de zangers van het regiment de eenige

vreugde zijns levens; een man, voor wien alles wat geen Kaukasus was,

geen aandacht, ja zelfs het bestaan niet waard was terwijl alles wat

de Kaukasus was, in twee deelen was verdeeld; het onze, en het

_hunne_.

Het eerste deel beminde, het tweede deel haatte hij met al de kracht

zijner ziel. Hij was een man van kalme en beproefde dapperheid en,

wat de hoofdzaak was: hij toonde een zeldzame goedheid in zijn

omgang met zijn kameraden en zijn ondergeschikten, en een wanhopige

openhartigheid die, tegenover den adjudant en bonjourols, die hij om

een of andere reden niet lijden mocht, bijna onbeschoftheid werd.

Toen hij de hut binnenkwam, stiet hij bijna met zijn hoofd door het

dak; daarop bukte hij zich plotseling en ging op den grond zitten.

--Nu? zeide hij.

Maar toen hij plotseling een onbekend gezicht bemerkte, hield hij op

en vestigde zijn wazige oogen op mij.

--Waar hadt gij het toch over? vroeg de majoor en haalde zijn horloge

uit om te zien hoe laat het was, ofschoon hij, naar mijn vaste

overtuiging, geen enkele reden had dat te weten.

--Ja, hij vroeg mij, waarom ik hier bleef dienen.

--Wel dat is duidelijk; Nikolaï Fedorovitsch wil zich in den Kaukasus

onderscheiden en dan naar huis terugkeeren.

--Welnu! Abram Iljitsch, en gij dan, waarom blijft gij in den

Kaukasus?

--Ik? In de eerste plaats, weet gij, antwoordde de majoor, omdat wij

allen moeten dienen zooals onze plicht ons voorschrijft.--Wat? voegde

hij erbij, hoewel niemand iets gezegd had. Gisteren heb ik een brief

uit Rusland gekregen, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij, blijkbaar

een andere wending aan het gesprek willende geven. Men schrijft mij...

O! 't zijn wonderlijke vragen, die ze mij doen!

--En welke vragen dan? vroeg Bolchoff.

Hij begon te lachen.

--Inderdaad, rare vragen... Zij vragen mij of er jaloezie kan bestaan

zonder liefde... Wel? en beurtelings zag hij ons vragend aan.

--Hé? zeide Bolchoff glimlachend.

--Ja, weet gij, het is in Rusland zoo kwaad niet, vervolgde hij, alsof

er een heel logisch verband bestond tusschen zijne zinnen. Toen ik in

Tamboff was, in 1852, werd ik overal ontvangen of ik adjudant van den

keizer was. Geloof me, op het bal van den goeverneur, toen ik mijn

entrée maakte, weet gij... werd ik uitstekend ontvangen. De vrouw van

den goeverneur moet gij weten, onderhield zich met mij en vroeg mij

over den Kaukasus, en allerlei meer... wat ik al niet weten moest...

Zij bekeken mijn gouden sabel, alsof het een rariteit was; zij vroegen

mij, waarvoor ik die sabel had gekregen, en waarvoor St. Anna, en

waarvoor Wladimir; en ik ging maar vertellen... Wat? Ziet gij,

daarvoor is de Kaukasus goed, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde hij,

zonder een antwoord af te wachten.--Wij Kaukasiërs, wij zijn zeer

gezien; een jonge man, weet gij, die stafofficier is en St. Anna en

Wladimir heeft, die is wat in Rusland... Wat?

--En, gij zult er zeker wel wat bij gephantaseerd hebben, denk ik,

Abram Iljitch? zeide Bolchoff.

--Hi! hi! antwoordde de majoor, met zijn dommen lach.--Dat moet men

wel, weet gij. Ja... en dan heb ik uitstekend gegeten en gedronken, in

die twee maanden.

--Is het nogal goed in Rusland? vroeg Trossenko; hij sprak van Rusland

of het China of Japan was.

--Dat zou ik meenen. En wat een champagne wij gedronken hebben, in

die twee maanden, 't is verschrikkelijk!

--Wat ge zegt. Gij hebt ongetwijfeld limonade gedronken, zeide

Trossenko. Als ik er bij geweest was, dan zou men eens gezien hebben,

hoe een Kaukasiër drinkt. Ik zou onze reputatie opgehouden hebben. Ik

zou eens hebben laten zien, hoe men moet drinken, he! Bolchoff? voegde

hij er bij.

--Maar gij, oompje, gij zijt nu al meer dan tien jaar in den Kaukasus,

zeide Bolchoff.--Herinnert gij u nog wat Ermoloff zeide? Abram Iljitch

is hier echter nog maar zes jaar....

--Wat, tien? Bijna zestien!.... riep Trossenko uit. Zeg eens, Bolchoff

laat ons wat te drinken brengen. Wat is het vochtig! Brr!.... Hé?

voegde hij er glimlachend bij, moeten wij niet wat drinken, majoor?

Maar de majoor toonde zich reeds de eerste maal, dat de oude kapitein

hem aansprak, geërgerd. Hij werd nu zichtbaar boos en verschanste zich

in zijne waardigheid. Hij begon te neuriën en keek opnieuw op zijn

horloge.

--Welnu! ik ga wel nooit meer daarginds heen, vervolgde Trossenko,

zonder acht te slaan op het stuursche uiterlijk van den majoor.--Ik

ben zelfs verleerd op zijn Russisch te loopen en Russisch te spreken.

Wat is dat voor een vreemde snoeshaan? zullen de lui zeggen. Neen,

Azië, niet Nikolaï Fedorovitsch? En bovendien, wat zou ik in Rusland

doen? Het is mij onverschillig, eenmaal wordt men toch doodgeschoten.

Dan zullen ze vragen:--Waar is Trossenko? Gesneuveld. Wat zult gij dan

met de 8ste kompagnie doen, wel? voegde hij er bij en wendde zich

opnieuw tot den majoor.

--Laat den dienstdoenden officier van het bataljon komen, schreeuwde

Kirsanoff, zonder den kapitein te antwoorden, hoewel hij, daar ben ik

zeker van, geen enkele order te geven had.

--En gij, jonge man, ik hoop dat gij tevreden zijt met uwe dubbele

soldij, zeide de majoor, na een oogenblik van stilte, tot den

bataillonsadjudant.

--Ja zeker, zeer tevreden.

--Ik vind onze soldij zeer mooi, Nikolaï Fedorovitsch, vervolgde

Kirsanoff. Een jong officier kan er zeer gemakkelijk van rondkomen, en

zich zelfs nog extratjes veroorloven.

--Dat is te zeggen, Abram Iljitsch, zeide de adjudant schroomvallig.

't Is waar dat wij nu dubbel traktement hebben, maar wij moeten toch

ook een paard houden.

--Wat zegt gij daar, jongmensch? Ik ben ook vaandrig geweest, en

ik weet wat het is. Geloof mij, met een beetje overleg kan men best

rondkomen. Daar: reken maar eens na, voegde hij erbij en boog den pink

van zijn linkerhand.

--Wij maken onze soldij te voren op, dat is de heele rekening, zeide

Trossenko, terwijl hij een glaasje vodka ledigde.

--Nu, wat wilt gij daarmee zeggen?

Op dit oogenblik verscheen er in de opening der hut een wit hoofd met

een platten neus en een schrille stem zeide met een Duitsch accent:

--Zijt gij hier, Abram Iljitsch? De officier van dienst zoekt u.

--Kom binnen, Krafft, zeide Bolchoff.

Een lange gestalte, gekleed in de uniform van den generalen staf,

dook de hut binnen en begon ons allen hartelijk de hand te drukken.

--Zoo! waarde kapitein, gij ook hier? zeide hij tot Trossenko.

Ondanks het twijfelachtige licht, sloop de nieuw aangekomene tot bij

den kapitein, en, tot diens groote verwondering en ergernis, kuste hij

hem de lippen.

--'t Is een Duitscher, die goede kameraadschap wil sluiten, dacht ik.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 31 / 37 题