Terwijl wij artilleristen bezig waren met onze stukken en de
voorwagens en de caissons rangschikten, zette de infanterie de geweren
aan rotten, stak de wachtvuren aan, bouwde hutten van takken en
maïsstroo, en kookte de kacha.
Het begon te schemeren. Blauwwitte wolken dreven langs den hemel; de
duisternis had zich veranderd in een vochtigen nevel, die den grond en
de mantels der soldaten bevochtigde, en de heele omgeving in donkere
schaduwen hulde. De vochtigheid, die ik in mijn laarzen en in mijn
hals voelde doordringen, de voortdurende beweging, het onophoudelijk
gepraat, waaraan ik niet meedeed, de kleverige modder, waarop ik
uitgleed en mijn leege maag, dat alles deed mij pijnlijk aan en stemde
mij alleronaangenaamst na dezen dag van lichamelijke en geestelijke
vermoeienis. Welentschuk wilde mij maar niet uit het hoofd. De heele,
eenvoudige geschiedenis van zijn soldatenleven hield ondanks mijzelven
mijne verbeelding bezig. Zijn laatste oogenblikken waren even rein,
even rustig geweest als zijn geheele leven. Hij had te eenvoudig, te
eerlijk geleefd, dan dat zijn oprecht geloof in het toekomstige,
hemelsche leven in zijn laatste oogenblikken geschokt zou zijn
geworden.
--God groet u, zeide Nikolaïeff, terwijl hij mij naderde,--of gij zoo
goed wildet zijn bij den kapitein te komen, hij noodigt u thee met hem
te drinken.
Met moeite baande ik mij een weg tusschen de in rotten staande geweren
en de brandende vuren door, en volgde Nikolaïeff naar Bolchoff; ik
verlangde naar het glas warme thee en het aangename gesprek, die mijn
sombere denkbeelden zouden verdrijven.
--Wel, hebt gij hem gevonden? hoorde ik Bolchoff in zijn verlichte
maïshut zeggen.
--Ik breng hem mee, Uwe Edelheid, antwoordde Nikolaïeff met diepe
basstem.
In de hut, op een drogen viltmantel, zat Bolchoff met zijn uniform
losgeknoopt en zonder zijn pelsmuts. Naast hem stond een samovar te
pruttelen; op een trom stonden eetwaren klaar. Een kaars stond in den
ring van een bajonet, die met de punt in den grond stak.
--Wat zegt gij ervan? vroeg hij, terwijl hij met trots zijn blik liet
gaan over zijn gemoedelijke huishouding. Men zat daar inderdaad zoo
lekker in de hut, dat ik alles vergat: de vochtigheid, de duisternis
en den gewonden Welentschuk. Wij spraken over Moskou en over dingen,
die in heel geen verband stonden met den oorlog en den Kaukasus.
Na een van die oogenblikken van stilte, die dikwijls zelfs in het
drukste gesprek voorkomen, zag Bolchoff mij eensklaps glimlachend aan.
--Ik denk, dat gij u wel verwonderd hebt over ons gesprek van deze
morgen?
--Neen, waarom? Het kwam mij alleen voor, dat gij te openhartig waart;
er zijn van die dingen, die wij allen weten, en waarvan het niet
altijd goed is te spreken.
--Waarom niet? Als er slechts een middel bestond om dit leven te
verwisselen voor een ander, zelfs voor het eentonigste en armoedigste,
mits het geen gevaar of geen dienst meebracht, zou ik geen oogenblik
aarzelen.
--Waarom keert gij niet naar Rusland terug? vroeg ik hem.
--Waarom! herhaalde hij. O! daar denk ik al zoo lang over. Maar ik kan
niet naar Rusland terugkeeren, voor ik de orde van Wladimir heb en die
van St. Anna om den hals met den graad van majoor, zooals ik het mij
voorstelde toen ik hierheen kwam.
--En waarom dat? als gij u toch, zooals gij zegt, ongeschikt acht om
in den Kaukasus te dienen?
--Maar als ik mij nu nog meer ongeschikt acht om naar Rusland terug te
keeren, zooals ik er vandaan ben gekomen! Dat is ook een van die
legendes, die bij ons verspreid zijn door Passek, Sljeptsoff en
anderen, te weten: dat men slechts in den Kaukasus behoeft te komen om
overladen te worden met belooningen. Daar ginds verwachten allen
wonder wat voor ons, terwijl ik hier nu al twee jaar ben en reeds twee
campagnes heb meegemaakt, maar nog niets heb gekregen. Maar ik bezit
toch nog zooveel eigenliefde dat ik voor geen geld hier vandaan wil,
voor ik majoor ben, en voor ik de St. Anna en de Wladimir om den hals
heb. Ik heb me al zoo vertrouwd gemaakt met die gedachte, dat het mij
dwars zit, als men eene belooning geeft aan Gnilokischkine, en niet
aan mij. En dan, hoe zou ik mij daarginds durven vertoonen aan mijn
starost, aan den koopman Kotjelnikoff, aan wien ik mijn koren verkoop,
aan mijne tante in Moskou, aan al die menschen, als ik na een
tweejarig verblijf in den Kaukasus zonder de minste onderscheiding
terugkom? Het is waar dat ik die menschen zelfs niet wil kennen, en
het is niet minder waar, dat zij zich evenmin om mij bekreunen; maar
de mensch is nu eenmaal zoo, dat, al wil ik hen niet kennen, ik toch
om hen mijn mooiste jaren verknoei, het geluk van mijn leven en mijn
geheele toekomst opoffer.