IX.

--Waar gaat gij heen? Kom terug! riep ik den rekruut toe, die met zijn

reserve lontstok onder den arm en een stokje in de hand, met de

grootste koelbloedigheid de kar met den gewonde volgde.

Doch hij draaide lui zijn hoofd naar mij om, mompelde iets en

vervolgde zijn weg; ik moest een soldaat op hem afsturen om hem te

halen.

Hij nam zijn rood mutsje af en keek mij met een onnoozelen glimlach

aan.

--Waar wilde je heen? vroeg ik hem.

--Naar het kamp.

--En waarom?

--Waarom? Wel, omdat Welentschuk gewond is, zeide hij met hetzelfde

domme lachje.

--En wat gaat dat jou aan? Je moet hier blijven!

Hij zag mij verwonderd aan. Vervolgens keerde hij zich rustig om,

zette zijne muts weer op en ging naar zijn post terug.

* * * * *

Het gevecht was over 't algemeen gelukkig geweest. De Kozakken

hadden, naar 't heette, eene mooie charge gemaakt en drie Tartaren

krijgsgevangen gemaakt. De infanterie had voldoende hout en had

in 't geheel slechts zes gewonden. Bij de artillerie waren alleen

Welentschuk en twee paarden buiten gevecht gesteld. Daarentegen was

het bosch gekapt over eene uitgestrektheid van drie wersten en de plek

was zòò zeer veranderd, dat men haar niet herkende: waar men vroeger

slechts de dichte woudzoom zag, was nu een groote open ruimte, bedekt

met rookende wachtvuren en met cavalerie en linietroepen, die naar het

kamp toe gingen. Hoewel de vijand ons onophoudelijk met zijn

kanonskogels en zijn musketvuur vervolgde tot het riviertje en het

kerkhof, die wij des morgens gepasseerd waren, had de terugtocht

zonder ongelukken plaats. Ik begon reeds te denken aan de koolsoep en

de schapenrib met _kacha_,[20] die mij in het kwartier wachtten, toen

er bevel kwam dat de generaal bevolen had bij het beekje eene schans

te bouwen, waar het 3de bataillon van het regiment K** en een peloton

van de 4de batterij tot den volgenden morgen zouden blijven.

[20] Gekookte roggegrutten.

De houtwagens en de karren met de gewonden, de Kozakken, de

artillerie, de linietroepen, met het geweer op den schouder en

takkenbossen op den rug, defileerden met veel gedruisch en al zingende

voor ons heen. Op aller gelaat lag blijde vreugde--het bewustzijn dat

het gevaar achter den rug was, en de tijd van rust weldra zou

aanbreken. Alleen wij en het 3de bataljon moesten deze aangename

gevoelens tot den volgenden dag uitstellen.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 29 / 37 题