--Waar gaat gij heen? Kom terug! riep ik den rekruut toe, die met zijn
reserve lontstok onder den arm en een stokje in de hand, met de
grootste koelbloedigheid de kar met den gewonde volgde.
Doch hij draaide lui zijn hoofd naar mij om, mompelde iets en
vervolgde zijn weg; ik moest een soldaat op hem afsturen om hem te
halen.
Hij nam zijn rood mutsje af en keek mij met een onnoozelen glimlach
aan.
--Waar wilde je heen? vroeg ik hem.
--Naar het kamp.
--En waarom?
--Waarom? Wel, omdat Welentschuk gewond is, zeide hij met hetzelfde
domme lachje.
--En wat gaat dat jou aan? Je moet hier blijven!
Hij zag mij verwonderd aan. Vervolgens keerde hij zich rustig om,
zette zijne muts weer op en ging naar zijn post terug.
* * * * *
Het gevecht was over 't algemeen gelukkig geweest. De Kozakken
hadden, naar 't heette, eene mooie charge gemaakt en drie Tartaren
krijgsgevangen gemaakt. De infanterie had voldoende hout en had
in 't geheel slechts zes gewonden. Bij de artillerie waren alleen
Welentschuk en twee paarden buiten gevecht gesteld. Daarentegen was
het bosch gekapt over eene uitgestrektheid van drie wersten en de plek
was zòò zeer veranderd, dat men haar niet herkende: waar men vroeger
slechts de dichte woudzoom zag, was nu een groote open ruimte, bedekt
met rookende wachtvuren en met cavalerie en linietroepen, die naar het
kamp toe gingen. Hoewel de vijand ons onophoudelijk met zijn
kanonskogels en zijn musketvuur vervolgde tot het riviertje en het
kerkhof, die wij des morgens gepasseerd waren, had de terugtocht
zonder ongelukken plaats. Ik begon reeds te denken aan de koolsoep en
de schapenrib met _kacha_,[20] die mij in het kwartier wachtten, toen
er bevel kwam dat de generaal bevolen had bij het beekje eene schans
te bouwen, waar het 3de bataillon van het regiment K** en een peloton
van de 4de batterij tot den volgenden morgen zouden blijven.
[20] Gekookte roggegrutten.
De houtwagens en de karren met de gewonden, de Kozakken, de
artillerie, de linietroepen, met het geweer op den schouder en
takkenbossen op den rug, defileerden met veel gedruisch en al zingende
voor ons heen. Op aller gelaat lag blijde vreugde--het bewustzijn dat
het gevaar achter den rug was, en de tijd van rust weldra zou
aanbreken. Alleen wij en het 3de bataljon moesten deze aangename
gevoelens tot den volgenden dag uitstellen.