Wie ooit heeft deelgenomen aan een gevecht, heeft ongetwijfeld zelf
dat vreemde gevoel van afkeer--onlogisch, maar zeer sterk--ondervonden
tegen de plaats, waar iemand gedood of gewond is. Ook mijn soldaten
gaven toe aan dit gevoel, toen Welentschuk opgenomen en op den wagen
gelegd moest worden, die gehaald was om hem te transporteeren.
Shdanoff naderde den gewonde knorrig en nam hem bij zijn schouders,
zonder op zijn steeds sterker geschreeuw te letten.
--Wat staat gij allen daar te kijken? Helpt een handje, riep hij. En
dadelijk werd de gewonde omringd door een tiental mannen, helpers,
die haast niet noodig waren. Maar men had hem nauwelijks opgetild, of
Welentschuk begon verschrikkelijke kreten te slaken en om zich heen
slaan.
--Wat hebt gij toch te schreeuwen als een haas? zeide Antonoff,
terwijl hij hem stevig het been vasthield. Als gij niet ophoudt, laten
wij u hier liggen.
De gewonde hield zich werkelijk stil; alleen herhaalde hij van tijd
tot tijd:
--O! dat is mijn dood! O! mijn broeders!
En toen hij op de kar was gelegd, hield hij zelfs op met kermen en ik
hoorde hem op zwakken toon, maar zeer duidelijk, met zijn kameraden
praten. Hij scheen hen vaarwel te zeggen.
In het vuur van den strijd ziet niemand gaarne een gewonde en als bij
instinkt spoedde ik mij weg van dit tooneel; ik gaf bevel hem naar de
ambulance te transporteeren en posteerde mij weer bij de stukken,
maar eenige oogenblikken later kwam men mij zeggen, dat Welentschuk
naar mij vroeg en ik begaf mij dadelijk naar hem toe.
De gewonde lag achter in de kar en klemde zich met de handen
krampachtig aan de beide kanten vast. Zijn gezicht, anders zoo breed
en blozend van gezondheid, was in weinige sekonden totaal veranderd.
Hij scheen magerder en verscheidene jaren ouder geworden te zijn. Zijn
lippen waren dun, bleek, met blijkbare inspanning op elkaar geperst,
de vage, stompzinnige uitdrukking in zijn oogen had nu plaats gemaakt
voor een heldere en rustige; zijn voorhoofd en neus waren bebloed en
de dood had er reeds zijn stempel op gedrukt.
Hoewel iedere beweging hem een onduldbare pijn veroorzaakte, vroeg hij
of men zijn _tcheres_[19] met het geld van zijn linkerbeen wilde
nemen.
[19] Beurs in den vorm van een smallen gordel die de soldaten om hun
knie winden.
Ik werd pijnlijk aangedaan door het zien van het naakte en blanke
vleesch van zijn gezond been, toen men hem zijne laars uittrok en
daarna zijn tcheres losmaakte.
--Er is drie en een halve roebel in, zeide hij, terwijl ik zijn
tcheres in mijne handen nam. Wees zoo goed ze te bewaren.
Daar de kar zich in beweging zette, liet hij weer stilhouden.
--Ik ben aan een mantel begonnen voor luitenant Sulimoffsky en u heeft
mij twee roebels gegeven; ik heb voor anderhalven roebel knoopen
gekocht en den halven roebel heb ik in mijn beurs met de knoopen.
Geef ze hem terug.
--Goed, goed, antwoordde ik. Beterschap, broeder!
Hij antwoordde mij niet; de kar zette zich in beweging. Hij begon weer
te kermen en te klagen op een toon, die u door de ziel sneed. Nu hij
zich had losgemaakt van de zorgen dezer wereld, scheen hij het niet
meer noodig te achten zich in te houden, en hield hij aldus deze
verlichting van pijn voor geoorloofd.