VIII.

Wie ooit heeft deelgenomen aan een gevecht, heeft ongetwijfeld zelf

dat vreemde gevoel van afkeer--onlogisch, maar zeer sterk--ondervonden

tegen de plaats, waar iemand gedood of gewond is. Ook mijn soldaten

gaven toe aan dit gevoel, toen Welentschuk opgenomen en op den wagen

gelegd moest worden, die gehaald was om hem te transporteeren.

Shdanoff naderde den gewonde knorrig en nam hem bij zijn schouders,

zonder op zijn steeds sterker geschreeuw te letten.

--Wat staat gij allen daar te kijken? Helpt een handje, riep hij. En

dadelijk werd de gewonde omringd door een tiental mannen, helpers,

die haast niet noodig waren. Maar men had hem nauwelijks opgetild, of

Welentschuk begon verschrikkelijke kreten te slaken en om zich heen

slaan.

--Wat hebt gij toch te schreeuwen als een haas? zeide Antonoff,

terwijl hij hem stevig het been vasthield. Als gij niet ophoudt, laten

wij u hier liggen.

De gewonde hield zich werkelijk stil; alleen herhaalde hij van tijd

tot tijd:

--O! dat is mijn dood! O! mijn broeders!

En toen hij op de kar was gelegd, hield hij zelfs op met kermen en ik

hoorde hem op zwakken toon, maar zeer duidelijk, met zijn kameraden

praten. Hij scheen hen vaarwel te zeggen.

In het vuur van den strijd ziet niemand gaarne een gewonde en als bij

instinkt spoedde ik mij weg van dit tooneel; ik gaf bevel hem naar de

ambulance te transporteeren en posteerde mij weer bij de stukken,

maar eenige oogenblikken later kwam men mij zeggen, dat Welentschuk

naar mij vroeg en ik begaf mij dadelijk naar hem toe.

De gewonde lag achter in de kar en klemde zich met de handen

krampachtig aan de beide kanten vast. Zijn gezicht, anders zoo breed

en blozend van gezondheid, was in weinige sekonden totaal veranderd.

Hij scheen magerder en verscheidene jaren ouder geworden te zijn. Zijn

lippen waren dun, bleek, met blijkbare inspanning op elkaar geperst,

de vage, stompzinnige uitdrukking in zijn oogen had nu plaats gemaakt

voor een heldere en rustige; zijn voorhoofd en neus waren bebloed en

de dood had er reeds zijn stempel op gedrukt.

Hoewel iedere beweging hem een onduldbare pijn veroorzaakte, vroeg hij

of men zijn _tcheres_[19] met het geld van zijn linkerbeen wilde

nemen.

[19] Beurs in den vorm van een smallen gordel die de soldaten om hun

knie winden.

Ik werd pijnlijk aangedaan door het zien van het naakte en blanke

vleesch van zijn gezond been, toen men hem zijne laars uittrok en

daarna zijn tcheres losmaakte.

--Er is drie en een halve roebel in, zeide hij, terwijl ik zijn

tcheres in mijne handen nam. Wees zoo goed ze te bewaren.

Daar de kar zich in beweging zette, liet hij weer stilhouden.

--Ik ben aan een mantel begonnen voor luitenant Sulimoffsky en u heeft

mij twee roebels gegeven; ik heb voor anderhalven roebel knoopen

gekocht en den halven roebel heb ik in mijn beurs met de knoopen.

Geef ze hem terug.

--Goed, goed, antwoordde ik. Beterschap, broeder!

Hij antwoordde mij niet; de kar zette zich in beweging. Hij begon weer

te kermen en te klagen op een toon, die u door de ziel sneed. Nu hij

zich had losgemaakt van de zorgen dezer wereld, scheen hij het niet

meer noodig te achten zich in te houden, en hield hij aldus deze

verlichting van pijn voor geoorloofd.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 28 / 37 题