VII.

De vijand had inderdaad zijn kanonnen opgesteld op het terrein, dat te

voren door de Tartaarsche ruiters was verkend, en iedere twintig of

dertig minuten zond hij onzen pioniers een kogel toe. Mijn batterij

kreeg order, zich op te stellen op de open plek in het bosch, om het

vuur te beantwoorden. Daar ginds, aan den zoom van het bosch, zag men

telkens een rookwolkje, men hoorde eene losbarsting, een gefluit, en

de kogel sloeg voor of achter ons neer. De schoten van den vijand

waren gelukkig slecht gericht en wij hadden geen verliezen te

betreuren.

De artilleristen hielden zich, als altijd, kranig. Zij laadden vlug,

richtten zorgvuldig en waren intusschen rustig aan het gekheid maken.

De infanterie, die ons moest dekken, lag werkeloos en zwijgend op den

grond uitgestrekt, hare beurt af te wachten. De pioniers gingen voort

met hun werk: de bijlslagen klonken steeds sterker en sneller in het

bosch. Alleen, als er een kogel door de lucht vloog, zweeg plotseling

alles; te midden der stilte hoorde men ietwat ongeruste kreten.

--Bukken, kinderen! en aller oogen richtten zich op den kogel, die in

de vuren en de afgehakte takken terechtkwam.

De mist was geheel opgetrokken, nam steeds meer den vorm van wolken

aan en verdween nu langzamerhand in het diepe blauw des hemels. De

zon, door geen wolken meer bedekt, schitterde en wierp haar vroolijken

glans op het staal der bajonetten, het koper der stukken, den

ontdooienden grond en de rijpkristalletjes. Men voelde in de lucht de

ijskoude frischheid van den morgenstond en tegelijk de zachte warmte

der voorjaarzon; duizende verschillende kleuren en schaduwen liepen

ineen tusschen de dorre bladeren van het bosch. Op den glinsterenden

weg zag men duidelijk de sporen van de wielen en van de hoeven der

paarden.

De troepen begonnen zich hoe langer hoe meer te weren. Aan alle kanten

verhieven zich de blauwachtige rookwolkjes der losbarstingen en werden

voortdurend talrijker.

De dragonders met de wapperende vaantjes aan de lansen snelden

vooruit. In de gelederen der infanterie klonk gezang en de obose,[18]

beladen met hout, werd in de achterhoede geformeerd. De generaal

naderde onze batterij en gaf bevel zich gereed te maken voor den

aftocht.

[18] Konvooi van wagens.

De vijand had zich achter het struikgewas verborgen tegenover onzen

linkervleugel en begon ons sterk met geweervuur te bestoken. Van de

linkerzijde van het bosch hoorde men een kogel aansuisen en tegen een

affuit slaan, vervolgens nog een, en weer een. De infanteristen, die

naast ons lagen uitgestrekt, sprongen luidruchtig overend, grepen

hunne geweren en namen deel aan het gevecht. Het geweervuur werd

sterker en van alle kanten vlogen de kogels. De terugtocht begon, en

daarmee het eigenlijke gevecht, zooals het altijd in den Kaukasus

gaat.

Men zag duidelijk dat de artilleristen zich even onprettig gevoelden

bij de kogels als de infanteristen bij de bommen. Antonoff keek

verdrietig, Tschikine bootste al gekscherend het gefluit der kogels

na, maar het was duidelijk, dat hij ze eigenlijk niet mocht. Van den

een zeide hij: »Dat is er een die haast heeft!" een anderen kogel

noemde hij eene »bij," een derde die langzaam over ons heen streek,

met een gefluit als een klagend gekerm, noemde hij een »weeskind",

hetgeen een algemeene hilariteit veroorzaakte.

De jonge rekruut die nog nooit in het vuur geweest was, boog bij

iederen kogel zijn hoofd op zij en rekte zijn hals uit, ook daarom

lachten de soldaten. »Ken je hem, vroegen zij, dat je hem zoo groet?"

Zelfs Welentschuk, die gewoonlijk zoo onverschillig in het gevaar was,

scheen niet op zijn gemak te zijn, hij toonde duidelijk hoe

verontwaardigd hij was, dat wij geen kartetsen schoten naar den kant

vanwaar de geweerkogels kwamen.

--Wel ja! waarom mag hij ons ongestraft beschieten? Als men hem den

mond van een houwitser toedraaide en hem goed wat schroot te slikken

gaf, zou hij wel zwijgen, herhaalde hij voortdurend op knorrigen toon.

Inderdaad, het was tijd te gaan antwoorden. Ik beval voor het laatst

nog een granaat te schieten, en dan met schroot te laden.

--Schroot! commandeerde Antonoff en trad in den rook opgewekt met den

wisscher naar het stuk, zoodra de granaat was afgeschoten.

Op dit oogenblik hoorde ik, dat vlak achter mij het snelle gonzen van

een kogel afgebroken werd door een korten slag. Mijn hart kromp ineen

van schrik.--Ik vrees dat een der onzen getroffen is, dacht ik. Maar

toch durfde ik mij niet omkeeren.

En inderdaad, dadelijk na den korten slag hoorde ik den zwaren val

van een lichaam, en het gekerm van een gewonde. »Ik ben getroffen,

broeders," zeide een pijnlijke stem, die ik herkende. Het was

Welentschuk. Hij lag plat op zijn rug, tusschen het voorstel en het

kanon. Zijn ranzel was op zij geslingerd. Zijn voorhoofd was vol

bloed, en langs zijn rechteroog en zijn neus liep een dikke, roode

stroom. Hij was in den buik getroffen, maar daar zag men weinig bloed;

bij zijn val had hij zijn voorhoofd gekwetst aan een boomstomp.

Dat alles merkte ik eerst veel later op; in het eerste oogenblik zag

ik niets dan een verwarde massa en, naar het mij toescheen, vreeselijk

veel bloed.

Geen van de kanonniers, die het stuk bedienden sprak een woord.

Alleen de jonge rekruut mompelde iets van: »Kijk eens, wat een bloed!"

terwijl Antonoff een toornig »hm!" liet hooren. Maar alles bewees, dat

ieders ziel vervuld was met de gedachte aan den dood. Men werkte met

verdubbelden ijver; het kanon was in een oogenblik geladen, en de man,

die het schroot bracht, liep twee, drie passen om de plek heen, waar

de gewonde lag te kermen.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 27 / 37 题