De vijand had inderdaad zijn kanonnen opgesteld op het terrein, dat te
voren door de Tartaarsche ruiters was verkend, en iedere twintig of
dertig minuten zond hij onzen pioniers een kogel toe. Mijn batterij
kreeg order, zich op te stellen op de open plek in het bosch, om het
vuur te beantwoorden. Daar ginds, aan den zoom van het bosch, zag men
telkens een rookwolkje, men hoorde eene losbarsting, een gefluit, en
de kogel sloeg voor of achter ons neer. De schoten van den vijand
waren gelukkig slecht gericht en wij hadden geen verliezen te
betreuren.
De artilleristen hielden zich, als altijd, kranig. Zij laadden vlug,
richtten zorgvuldig en waren intusschen rustig aan het gekheid maken.
De infanterie, die ons moest dekken, lag werkeloos en zwijgend op den
grond uitgestrekt, hare beurt af te wachten. De pioniers gingen voort
met hun werk: de bijlslagen klonken steeds sterker en sneller in het
bosch. Alleen, als er een kogel door de lucht vloog, zweeg plotseling
alles; te midden der stilte hoorde men ietwat ongeruste kreten.
--Bukken, kinderen! en aller oogen richtten zich op den kogel, die in
de vuren en de afgehakte takken terechtkwam.
De mist was geheel opgetrokken, nam steeds meer den vorm van wolken
aan en verdween nu langzamerhand in het diepe blauw des hemels. De
zon, door geen wolken meer bedekt, schitterde en wierp haar vroolijken
glans op het staal der bajonetten, het koper der stukken, den
ontdooienden grond en de rijpkristalletjes. Men voelde in de lucht de
ijskoude frischheid van den morgenstond en tegelijk de zachte warmte
der voorjaarzon; duizende verschillende kleuren en schaduwen liepen
ineen tusschen de dorre bladeren van het bosch. Op den glinsterenden
weg zag men duidelijk de sporen van de wielen en van de hoeven der
paarden.
De troepen begonnen zich hoe langer hoe meer te weren. Aan alle kanten
verhieven zich de blauwachtige rookwolkjes der losbarstingen en werden
voortdurend talrijker.
De dragonders met de wapperende vaantjes aan de lansen snelden
vooruit. In de gelederen der infanterie klonk gezang en de obose,[18]
beladen met hout, werd in de achterhoede geformeerd. De generaal
naderde onze batterij en gaf bevel zich gereed te maken voor den
aftocht.
[18] Konvooi van wagens.
De vijand had zich achter het struikgewas verborgen tegenover onzen
linkervleugel en begon ons sterk met geweervuur te bestoken. Van de
linkerzijde van het bosch hoorde men een kogel aansuisen en tegen een
affuit slaan, vervolgens nog een, en weer een. De infanteristen, die
naast ons lagen uitgestrekt, sprongen luidruchtig overend, grepen
hunne geweren en namen deel aan het gevecht. Het geweervuur werd
sterker en van alle kanten vlogen de kogels. De terugtocht begon, en
daarmee het eigenlijke gevecht, zooals het altijd in den Kaukasus
gaat.
Men zag duidelijk dat de artilleristen zich even onprettig gevoelden
bij de kogels als de infanteristen bij de bommen. Antonoff keek
verdrietig, Tschikine bootste al gekscherend het gefluit der kogels
na, maar het was duidelijk, dat hij ze eigenlijk niet mocht. Van den
een zeide hij: »Dat is er een die haast heeft!" een anderen kogel
noemde hij eene »bij," een derde die langzaam over ons heen streek,
met een gefluit als een klagend gekerm, noemde hij een »weeskind",
hetgeen een algemeene hilariteit veroorzaakte.
De jonge rekruut die nog nooit in het vuur geweest was, boog bij
iederen kogel zijn hoofd op zij en rekte zijn hals uit, ook daarom
lachten de soldaten. »Ken je hem, vroegen zij, dat je hem zoo groet?"
Zelfs Welentschuk, die gewoonlijk zoo onverschillig in het gevaar was,
scheen niet op zijn gemak te zijn, hij toonde duidelijk hoe
verontwaardigd hij was, dat wij geen kartetsen schoten naar den kant
vanwaar de geweerkogels kwamen.
--Wel ja! waarom mag hij ons ongestraft beschieten? Als men hem den
mond van een houwitser toedraaide en hem goed wat schroot te slikken
gaf, zou hij wel zwijgen, herhaalde hij voortdurend op knorrigen toon.
Inderdaad, het was tijd te gaan antwoorden. Ik beval voor het laatst
nog een granaat te schieten, en dan met schroot te laden.
--Schroot! commandeerde Antonoff en trad in den rook opgewekt met den
wisscher naar het stuk, zoodra de granaat was afgeschoten.
Op dit oogenblik hoorde ik, dat vlak achter mij het snelle gonzen van
een kogel afgebroken werd door een korten slag. Mijn hart kromp ineen
van schrik.--Ik vrees dat een der onzen getroffen is, dacht ik. Maar
toch durfde ik mij niet omkeeren.
En inderdaad, dadelijk na den korten slag hoorde ik den zwaren val
van een lichaam, en het gekerm van een gewonde. »Ik ben getroffen,
broeders," zeide een pijnlijke stem, die ik herkende. Het was
Welentschuk. Hij lag plat op zijn rug, tusschen het voorstel en het
kanon. Zijn ranzel was op zij geslingerd. Zijn voorhoofd was vol
bloed, en langs zijn rechteroog en zijn neus liep een dikke, roode
stroom. Hij was in den buik getroffen, maar daar zag men weinig bloed;
bij zijn val had hij zijn voorhoofd gekwetst aan een boomstomp.
Dat alles merkte ik eerst veel later op; in het eerste oogenblik zag
ik niets dan een verwarde massa en, naar het mij toescheen, vreeselijk
veel bloed.
Geen van de kanonniers, die het stuk bedienden sprak een woord.
Alleen de jonge rekruut mompelde iets van: »Kijk eens, wat een bloed!"
terwijl Antonoff een toornig »hm!" liet hooren. Maar alles bewees, dat
ieders ziel vervuld was met de gedachte aan den dood. Men werkte met
verdubbelden ijver; het kanon was in een oogenblik geladen, en de man,
die het schroot bracht, liep twee, drie passen om de plek heen, waar
de gewonde lag te kermen.