VI.

Ik verliet de soldaten, terwijl ze er over praatten hoe de Tartaren

gevlucht waren op het zien van de granaat, waarom ze hier rondreden,

of er veel in het bosch zouden zijn, en verwijderde mij eenige

schreden met den kommandant der jagers; wij gingen onder een boom

zitten, in afwachting dat het gehakt, hetwelk hij liet opwarmen,

gereed zou zijn.

De commandant Bolchoff was een van die officieren, die men in het

regiment _bonjourols_[17] noemde. Hij bezat vermogen, had bij de

garde gediend en sprak Fransch; toch mochten zijn kameraden hem gaarne

lijden. Hij bezat den takt om een Peterburgsche jas te dragen, goed te

dineeren en Fransch te spreken, zonder zijn kameraden al te zeer te

kwetsen.

[17] Benaming voor salonofficier, afgeleid van het Fransche »bonjour".

Na gepraat te hebben over het weer, over den dienst, over

gemeenschappelijke kennissen, kwamen we uit onze vragen en antwoorden

en uit onze manier om de dingen op te nemen tot de overtuiging

dat onze beschouwingen tamelijk wel overeen stemden en werden zoo

onwillekeurig intiemer met elkaar. Als in den Kaukasus twee officieren

van denzelfden stand elkaar ontmoeten, is de eerste vraag die bij hen

opkomt, deze: »Waarom zijt gij hier?" Op deze onuitgesproken vraag

scheen hij te willen antwoorden.

--Wanneer zal er toch een einde komen aan dien veldtocht? zeide hij

traag. Ik verveel mij.

--Neen, ik niet, antwoordde ik. In het garnizoen verveelt men zich nog

meer.

--O ja! in het garnizoen, tienduizend maal meer, hernam hij op

gemelijken toon. Maar wanneer zal er aan dat alles een einde komen?

--Waaraan wilt gij dan dat een einde komt? vroeg ik.

--Aan alles, absoluut aan alles!.... He, Nikolaïeff is het gehakt

klaar? voegde hij er bij.

--Waarom zijt gij dan in den Kaukasus komen dienen, als de Kaukasus u

zoo vreeselijk tegenstaat?

--Weet gij waarom? antwoordde hij beslist en openhartig.--Uit

traditie! Gij weet wel dat er in Rusland een vreemde traditie bestaat

omtrent den Kaukasus, dat het een soort van beloofde land is voor

ieder, die ongelukken heeft gehad.

--Ja, daar is veel van aan; de meesten onder ons....

--Maar wat het mooiste is, viel hij mij in de rede; wij allen, door

deze traditie naar den Kaukasus gedreven, vergissen ons geweldig en

ik kan heel niet inzien, waarom wij na een hopelooze liefde of na

een geldverlies liever naar den Kaukasus moeten gaan dienen dan naar

Kazan of Kaluga. Men verbeeldt zich in Rusland dat de Kaukasus iets

grootsch is, met zijn eeuwig maagdelijke ijs en sneeuw, zijn woeste

bergstroomen, zijn dolken, zijn pelsmantels, zijn mooie Tcherkessische

vrouwen. Dat is alles indrukwekkend, maar, op de keper beschouwd,

is er niets moois aan. Als men slechts wist dat wij nooit op de

besneeuwde bergtoppen komen, waar het bovendien volstrekt niet amusant

is, en dat de Kaukasus eenvoudig een in provinciën verdeeld land is:

Staffropol, Tiflis, enz.

--Ja, antwoordde ik lachend, in Rusland bezien wij den Kaukasus met

een geheel ander oog dan hier. Hebt gij nooit opgemerkt, dat, als wij

verzen lezen in een taal die wij niet heel goed kennen, zij ons veel

mooier voorkomen dan zij werkelijk zijn?

--Ik weet het waarachtig niet, hernam hij, maar die Kaukasus verveelt

mij in de hoogste mate.

--Neen, dat vind ik niet! Voor mij heeft de Kaukasus veel schoons,

maar in anderen zin...

--'t Is mogelijk dat hij veel schoons heeft, hernam hij eenigszins

kregel. Wat ik wel weet, is dat ik mij hier in den Kaukasus niet goed

gevoel.

--En waarom dat? vroeg ik, om iets te zeggen.

--In de eerste plaats, omdat hij mij bedrogen heeft. Alles wat ik naar

den Kaukasus heb meegebracht om ervan te genezen, heb ik behouden,

met dit onderscheid, dat vroeger dit alles op het groote bordes was,

terwijl het tegenwoordig op een kleine, vuile achtertrap is, op

welker treden ik overal millioenen kleine misères, misselijkheden

en laagheden ontmoet.... In de tweede plaats, omdat ik voel hoe ik

iederen dag al lager en lager zink, in moreelen zin; bovenal gevoel

ik mij ongeschikt voor den dienst hier: ik kan het gevaar niet

trotseeren.... in èèn woord ik ben niet dapper.

Hij hield op en zag mij zeer ernstig aan.

Hoewel ik zonderling verrast was door deze geheel vrijwillige

bekentenis, antwoordde ik niets, zooals mijn makker scheen te hopen,

maar ik wachtte tot hij op zijne woorden zou terugkomen, zooals het

bij dergelijke gelegenheden altijd gaat.

--Gij moet weten, dat ik bij deze expeditie voor het eerst in het

vuur ben, vervolgde hij. En gij kunt u niet voorstellen, in welk een

toestand ik mij gisteren bevond. Toen de sergeant-majoor mij kwam

berichten, dat mijne compagnie deel zou uitmaken van de kolonne, werd

ik zoo wit als een doek en van opwinding kon ik geen woord zeggen. Gij

moest eens weten, wat een nacht ik heb gehad! Als het waar was, dat

menschen van angst grijs worden, moest ik vandaag geheel grijs zijn,

want ik geloof zeker, dat geen enkele ter dood veroordeelde in één

nacht zooveel geleden heeft als ik. En nu nog, hoewel ik mij iets

beter gevoel dan van nacht, werkt er hierbinnen iets, voegde hij er

bij en drukte op zijne borst. En het belachelijke is, dat men bij het

vreeselijke drama, hetwelk hier afgespeeld wordt, gehakt met uien eet,

en dat men beweert zich goed te amuseeren.... Is er wijn, Nikolaïeff?

vroeg hij geeuwend.

--Daar is _hij_, broeders! hoorde men op dit oogenblik een soldaat

opgewonden roepen. Aller blikken wendden zich naar den zoom van het

verre bosch.

In de verte verhief zich een blauwachtige rookwolk, die door den

wind opgejaagd en steeds grooter werd. Toen ik begreep dat het een

kanonschot was, door den vijand op ons gelost, nam plotseling alles

wat mij in het oog viel een nieuw en verheven karakter aan: de

geweren, die aan rotten stonden, de rook der wachtvuren, het blauw

des hemels, de groene affuiten, het gebruinde, baardige gelaat van

Nikolaïeff, alles scheen mij te zeggen, dat de kogel, die op dit

oogenblik door de lucht vloog, misschien mijne borst zou treffen.

--Waar hebt gij dien wijn vandaan? vroeg ik met gemaakte

onverschilligheid aan Bolchoff, terwijl in mijn binnenste twee stemmen

even duidelijk spraken: de eene: Heer, neem mijne ziel in genade aan!

de andere: Ik hoop dat ik zal glimlachen en mij niet zal bukken, als

de kogel over mij heen gaat. En op hetzelfde oogenblik floot er, boven

mijn hoofd, iets verschrikkelijk onaangenaams, en op twee passen van

ons af sloeg de kogel neer.

--Ziedaar, als ik nu Napoleon of Frederik de Groote was, zeide

Bolchoff op dit oogenblik, terwijl hij zich volmaakt koelbloedig tot

mij wendde, zou ik zeker een mooie phrase gezegd hebben.

--Maar gij zegt er een, antwoordde ik, terwijl ik moeite deed om niet

te toonen, hoe ongerust ik was geweest.

--Nu ja, gezegd heb ik iets, maar niemand zal het opschrijven.

--Welnu, ik zal het opschrijven.

--En als gij het al opschrijft, dan zal het nog zijn om te

kritiseeren, zooals Mitschenkoff zegt, voegde hij er met een glimlach

bij.

--Hei, die verdoemeling! hoorden wij op dit oogenblik Antonoff zeggen,

en hij spuwde met verontwaardiging op zij. Het scheelde een haar of

mijn beenen waren naar de weerga.

Al mijn pogingen om koelbloedig te schijnen en al onze

gelegenheidsphrasen kwamen mij onuitstaanbaar voor, na dezen oprechten

uitroep.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 26 / 37 题