De schitterende schijf der zon, wier stralen door den melkwitten nevel
heendrongen, stond reeds vrij hoog aan den hemel. De grauwe horizon
werd langzamerhand ruimer, maar was nog altijd beperkt door den witten
nevelwand. Voor ons, achter het gekapte bosch, strekte zich een
tamelijk groote vlakte uit. Boven deze vlakte hing van alle zijden,
hier een zwarte, daar een melkwitte, ginds een violette rook van de
wachtvuren en de witte nevelvlokken namen allerlei vreemde vormen
aan. Nog verder vertoonden zich van tijd tot tijd groepen Tartaarsche
ruiters, en af en toe hoorde men het knallen van onze karabijnen en
hunne buksen en de losbarstingen der kanonnen.
--Dat was nog geen gevecht, het was slechts een amusement, zeide de
goede kapitein Chlopoff.
De kommandant van de 9e compagnie jagers, die in last had ons te
dekken, naderde de stukken; hij wees mij drie Tartaarsche ruiters,
die op dit oogenblik den zoom van het bosch passeerden, nauwelijks
twaalfhonderd meter van ons af, en met de gewone voorliefde der
linieofficieren voor het kanon, vroeg hij een granaat of een bom op
hen af te schieten.
--Ziet gij ze, zeide hij met een goedigen, overtuigenden glimlach,
terwijl hij met zijn hand over mijn schouder wees, daar ginds, waar
die twee boomen staan; de eerste draagt een zwarte Tscherkessenjas
en achter hem zijn er nog twee. Ziet gij ze? Als het kan, zou ik het
graag willen.
--En daar komen er nog drie langs het bosch rijden, voegde Antonoff,
die een zeer scherp gezicht had, er bij. En terwijl hij ons naderde,
waarbij hij zijn neuswarmer achter den rug hield, vervolgde hij:
--Daar haalt de eerste zijn karabijn uit het foedraal. Ik zie het heel
duidelijk, Uwe Edelheid.
--Ziet ge, daar schiet hij, broeders; de witte rook is nog te zien,
zeide Welentschuk te midden van een groep soldaten, die nog wat meer
naar achteren stonden.
--Ah! die schoelje, hij schiet op onze voorposten! merkte een ander
op.
--Zie eens, hoeveel er daar uit het bosch komen! Zij zoeken een
plaats, zeker om een kanon te stellen, voegde een derde er bij. Wij
moesten een granaat in dien hoop gooien, dan zouden zij wel beenen
maken!
--En denkt gij dat die zoo ver zou komen, beste vriend? vroeg
Tschikine.
--'t Is duizend of op zijn hoogst duizend vijftig meter, meer niet,
zeide Maximoff onverschillig en alsof hij in zichzelf sprak, hoewel
men duidelijk zag dat hij evenals de anderen dolgraag zou
schieten.--Als wij het stuk vijf en veertig streep laten rijzen,
zouden we juist in het midden raken.
--Men zou stellig iemand raken, als men in den hoop mikte! Kijk, zij
staan nu met hun paarden dicht bij elkaar; beveel nu toch zoo gauw
mogelijk te schieten, vroeg de compagnie-kommandant mij dringend.
--Beveelt gij het stuk te richten? vroeg plotseling Antonoff met zijn
sombere basstem en met een gelaat waar sombere toorn op te lezen
stond.
Ik moet bekennen dat ik er ook grooten lust toe had, en ik gaf bevel
het tweede stuk te richten.
Nauwelijks had ik het gezegd, of er was reeds een granaat klaar, en
Antonoff, tegen den zijwand van het affuit leunend met zijn dikke
vingers op het achterstuk van het kanon, kommandeerde:
--Iets meer naar links... Een ziertje rechts... Nog... nog iets...
Zoo, nu is hij er, zeide hij op een toon van overtuiging, terwijl hij
terugtrad om plaats te maken.
De officier der jagers, ik, Maximoff, legden allen achtereenvolgens
het oog aan het vizier, maar waren het niet eens over de richting.
--Bij God! die gaat erover, zeide Welentschuk en klapte met de tong,
hoewel hij slechts over den schouder van Antonoff gekeken had en er
dus niet over kon oordeelen. Bij God! dat komt vlak tegen dien boom,
broeders.
--Vuur! kommandeerde ik.
De bedienende manschappen weken achteruit en Antonoff sprong op
zij, om de granaat te zien vliegen. De lont kwam op het zundgat
en het schot donderde los. Op hetzelfde oogenblik werden wij in
kruitdamp gehuld, en te midden van den vreeselijken, doffen slag der
losbarsting, onderscheidde men een gonzenden metaalklank, die zich met
bliksemsnelheid verwijderde en in de verte wegstierf, onder een
algemeene stilte.
Een weinig achter de groep ruiters werd een witte rook zichtbaar; wij
zagen de Tartaren wegspringen, en daarop vernamen wij het geluid der
ontploffing.
--Mooi zoo! Nu kunnen zij wel beenen maken! Daar moeten ze niets van
hebben, die schoeljes! hoorde men in de gelederen der artilleristen en
bij het voetvolk.
--Als men wat lager had aangelegd, zou men juist midden in den hoop
geraakt hebben, merkte Welentschuk op. Ik zeide het wel, dat hij den
boom zou raken. En ziedaar, 't is ook uitgekomen; 't was te veel
rechts.