IV.

--He! duivels! ik heb mijn neuswarmer vergeten! Wat een ongeluk,

broeders! herhaalde Welentschuk.

--Waarom rookt gij geen cigharka[16], beste jongen? zeide Tschikine,

terwijl hij zijn mond scheef trok en met zijn oogen knipte. Als ik

thuis ben, rook ik nooit iets anders. 't Is veel zoeter.

[16] Letterlijk: suikersigaar.

Natuurlijk barstten allen in lachen uit.

--Waarom vergeet gij uw neuswarmer ook? zeide Maximoff uit de hoogte,

zonder op de algemeene hilariteit te letten, terwijl hij den kop van

zijn pijp op de vlakke linkerhand uitklopte. Waar ben je eigenlijk

geweest, he, Welentschuk?

Welentschuk keerde zich half naar hem om, bracht de hand naar zijne

muts maar liet haar dadelijk weer zakken.

--Gij hebt zeker niet genoeg geslapen van nacht, dat gij nu staande

nog slaapt?... Ik kan niet zeggen dat ik het mooi van u vind.

--Gij kunt mij dadelijk doodmaken, Fedor Maximovitsch, als ik een

druppel geproefd heb. Maar ik weet zelf niet, wat er met me gebeurd

is, antwoordde Welentschuk. Wat zou me wel voor goeds overkomen zijn,

dat ik me bedronken zou hebben? mompelde hij voor zich heen.

--Het zij zoo. Maar ik ben voor u verantwoordelijk bij de superieuren,

en nu gedraagt gij u zoo! Dat is geen manier van doen, besloot de

welsprekende Maximoff, hoewel reeds op veel kalmer toon.

--'t Is een wonder, kameraden, vervolgde Welentschuk na een oogenblik

van stilte, terwijl hij zich in den nek krabde, en zonder tot iemand

in het bijzonder het woord te richten. Waarachtig, het is een wonder!

Ik ben nu zestien jaar in dienst, maar zoo iets is me nog nooit

overkomen. Toen er gecommandeerd werd om aan te treden voor het appèl,

was ik present, zooals het behoort, ik voelde nog niets; eensklaps,

dicht bij het park, daar pakt het mij aan... ik viel op den grond, er

was niets tegen te doen... En hoe ik ben ingeslapen, dat weet ik zelf

niet, broeders. 't Was zeker slaapziekte, aldus eindigde hij.

--Ja, ik heb je haast niet wakker kunnen krijgen, zeide Antonoff,

terwijl hij een laars aantrok. Wat moest ik je schudden, wat moest ik

je schudden! Net een stuk hout.

--Nu! ziet gij nu wel? riep Welentschuk.

--Als ik dronken was geweest, zou ik het wel begrepen hebben.

--Zoo hadden wij bij ons een vrouw, begon Tschikine te vertellen, die

is wel twee jaar, twee jaar, zeg ik, op de kachel blijven liggen. Op

een goeden morgen, toen wij haar wakker gingen maken, in de meening

dat zij sliep, was zij dood. Die kreeg ook altijd slaapzucht. Dat kan

al zoo gebeuren, beste vriend.

--He, vertel eens, Tschikine, hoe jij, toen je met verlof was, thuis

den toon aangegeven hebt, zeide Maximoff lachend, terwijl hij mij

aanzag, alsof hij wilde zeggen:--Wilt u ook niet eens graag een domkop

hooren?

--Welken toon, Fedor Maximowitsch? vroeg Tschikine, van terzijde een

blik op mij slaande,--maar, dat weten ze immers al? Ik vertelde hoe

het er in den Kaukasus uitziet.

--Ja, ja... Maar hoe? Kruip nu niet weg. Vertel ons hoe je

commandeerde.

--Dat is bekend, hoe ik commandeerde... Men vroeg mij hoe wij hier

leefden, aldus begon hij levendig op den toon van iemand die reeds

verscheidene malen hetzelfde heeft verhaald. Toen zeide ik dat wij het

uitstekend hadden, lieve jongen. Wij krijgen volop de levensmiddelen,

die wij noodig hadden; des morgens en 's avonds een kop chocolade

voor elk soldaat; bij het eten een fijn soepje van geparelde gerst;

in plaats van vodka krijgen wij madera, madera Duverrier, die twee en

veertig kopeken kost.... zonder de flesch.

--Prachtige madera! riep Welentschuk en schaterde het uit, harder dan

al de anderen. Een prachtige madera!

--Welnu! en van de Aziaten, wat vertelde je daarvan? vervolgde

Maximoff, toen de algemeene vroolijkheid een weinig bedaard was.

Tschikine boog zich over naar het vuur, legde met behulp van een stuk

hout een gloeiend kooltje op den kop van zijne pijp, en, zonder dat

hij de algemeene aandacht en de nieuwsgierigheid van zijne toehoorders

scheen te bemerken, deed hij een langen haal. Eindelijk, toen de pijp

goed aan was, liet hij het kooltje vallen en zette zijne muts nog

verder naar achteren; toen trok hij de schouders op en ging voort, met

een lachend gezicht:

--Zij vroegen me ook: Hoe zijn die Tscherkessen, daarginds? of wel:

Hoe zijn de Turken, tegen wie gij daar vecht, in den Kaukasus? Dan

antwoordde ik: Bij ons zien de Tscherkessen er niet allen hetzelfde

uit, beste vrind; er zijn verschillende typen onder. Zoo zijn er

Tafflinzen, die in de rotsgebergten wonen en steenen eten in plaats

van brood. Die zijn zoo groot, zeg ik hun, als een flinke balk; zij

hebben een oog in het voorhoofd, en roode mutsen op, die er uitzien

als vuur. Zooals gij bij voorbeeld, beste vriend, voegde hij er bij

en wendde zich tot een jongen recruut, die inderdaad een bespottelijk

klein mutsje met een rood kapje droeg.

Aldus onverwacht aangesproken, hield de jonge soldaat zich den buik

vast van het lachen, sloeg met zijn handen op de knieën, en van het

schateren begon hij zoo te hoesten, dat hij nauwelijks, met toonlooze

stem kon uitbrengen:

--Mooie lui, die Tafflinzen!

--Dan zijn er nog Mumri, vertelde ik hun, ging Tschikine voort,

terwijl hij zijne muts naar voren trok. Dat zijn weer anderen, kleine

tweelingen, niet hooger dan zoo; zij loopen altijd met hun beiden,

en houden elkaar zelfs aan de hand; en zij loopen zoo hard, dat een

ruiter ze zelfs niet kan inhalen.--Maar hoe is dat dan, vroegen zij

toen, met die Mumri.... worden die zoo geboren, hand in hand, of hoe?

zeide Tschikine, met een basgeluid, om de stem der moejiks na te

bootsen. Ja, antwoordde ik, lieve vriend, dat is van nature. Als gij

hun de handen losmaakt, dan gaat het hun als een Chinees, wien men

zijne muts afrukt: het bloed springt er dan uit.--En zeg mij eens, hoe

vechten zij? vroegen zij toen.--Wel, doodeenvoudig, antwoordde ik. Als

zij u beet hebben, maken zij u den buik open, nemen de darmen er uit

en rollen die om uw arm. Zij rollen ze op, en gij lacht, en gij lacht

zoolang tot gij er aan sterft....

--En geloofden zij u, Tschikine? vroeg Maximoff glimlachend, terwijl

de anderen het uitschaterden.

--Die rare lui geloofden wezenlijk alles, Fedor Maximovitsch, _alles_

gelooven ze, bij God! Maar toen ik begon over den berg Kazbek, en hun

vertelde dat de sneeuw er den geheelen zomer niet smelt, toen lachten

zij mij uit, beste vriend!--Och wat, kleintje, wat bazelt gij nu?

riepen zij. Wie heeft nu ooit een grooten berg gezien, waarop de

sneeuw niet smolt? Bij ons, kleintje, als, de sneeuw smelt, dan

smelt die het eerst op de hoogten, en in de dalen blijft zij langer

liggen....--Wat zal ik er u van zeggen? besloot Tschikine knipoogend.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 24 / 37 题