--He! duivels! ik heb mijn neuswarmer vergeten! Wat een ongeluk,
broeders! herhaalde Welentschuk.
--Waarom rookt gij geen cigharka[16], beste jongen? zeide Tschikine,
terwijl hij zijn mond scheef trok en met zijn oogen knipte. Als ik
thuis ben, rook ik nooit iets anders. 't Is veel zoeter.
[16] Letterlijk: suikersigaar.
Natuurlijk barstten allen in lachen uit.
--Waarom vergeet gij uw neuswarmer ook? zeide Maximoff uit de hoogte,
zonder op de algemeene hilariteit te letten, terwijl hij den kop van
zijn pijp op de vlakke linkerhand uitklopte. Waar ben je eigenlijk
geweest, he, Welentschuk?
Welentschuk keerde zich half naar hem om, bracht de hand naar zijne
muts maar liet haar dadelijk weer zakken.
--Gij hebt zeker niet genoeg geslapen van nacht, dat gij nu staande
nog slaapt?... Ik kan niet zeggen dat ik het mooi van u vind.
--Gij kunt mij dadelijk doodmaken, Fedor Maximovitsch, als ik een
druppel geproefd heb. Maar ik weet zelf niet, wat er met me gebeurd
is, antwoordde Welentschuk. Wat zou me wel voor goeds overkomen zijn,
dat ik me bedronken zou hebben? mompelde hij voor zich heen.
--Het zij zoo. Maar ik ben voor u verantwoordelijk bij de superieuren,
en nu gedraagt gij u zoo! Dat is geen manier van doen, besloot de
welsprekende Maximoff, hoewel reeds op veel kalmer toon.
--'t Is een wonder, kameraden, vervolgde Welentschuk na een oogenblik
van stilte, terwijl hij zich in den nek krabde, en zonder tot iemand
in het bijzonder het woord te richten. Waarachtig, het is een wonder!
Ik ben nu zestien jaar in dienst, maar zoo iets is me nog nooit
overkomen. Toen er gecommandeerd werd om aan te treden voor het appèl,
was ik present, zooals het behoort, ik voelde nog niets; eensklaps,
dicht bij het park, daar pakt het mij aan... ik viel op den grond, er
was niets tegen te doen... En hoe ik ben ingeslapen, dat weet ik zelf
niet, broeders. 't Was zeker slaapziekte, aldus eindigde hij.
--Ja, ik heb je haast niet wakker kunnen krijgen, zeide Antonoff,
terwijl hij een laars aantrok. Wat moest ik je schudden, wat moest ik
je schudden! Net een stuk hout.
--Nu! ziet gij nu wel? riep Welentschuk.
--Als ik dronken was geweest, zou ik het wel begrepen hebben.
--Zoo hadden wij bij ons een vrouw, begon Tschikine te vertellen, die
is wel twee jaar, twee jaar, zeg ik, op de kachel blijven liggen. Op
een goeden morgen, toen wij haar wakker gingen maken, in de meening
dat zij sliep, was zij dood. Die kreeg ook altijd slaapzucht. Dat kan
al zoo gebeuren, beste vriend.
--He, vertel eens, Tschikine, hoe jij, toen je met verlof was, thuis
den toon aangegeven hebt, zeide Maximoff lachend, terwijl hij mij
aanzag, alsof hij wilde zeggen:--Wilt u ook niet eens graag een domkop
hooren?
--Welken toon, Fedor Maximowitsch? vroeg Tschikine, van terzijde een
blik op mij slaande,--maar, dat weten ze immers al? Ik vertelde hoe
het er in den Kaukasus uitziet.
--Ja, ja... Maar hoe? Kruip nu niet weg. Vertel ons hoe je
commandeerde.
--Dat is bekend, hoe ik commandeerde... Men vroeg mij hoe wij hier
leefden, aldus begon hij levendig op den toon van iemand die reeds
verscheidene malen hetzelfde heeft verhaald. Toen zeide ik dat wij het
uitstekend hadden, lieve jongen. Wij krijgen volop de levensmiddelen,
die wij noodig hadden; des morgens en 's avonds een kop chocolade
voor elk soldaat; bij het eten een fijn soepje van geparelde gerst;
in plaats van vodka krijgen wij madera, madera Duverrier, die twee en
veertig kopeken kost.... zonder de flesch.
--Prachtige madera! riep Welentschuk en schaterde het uit, harder dan
al de anderen. Een prachtige madera!
--Welnu! en van de Aziaten, wat vertelde je daarvan? vervolgde
Maximoff, toen de algemeene vroolijkheid een weinig bedaard was.
Tschikine boog zich over naar het vuur, legde met behulp van een stuk
hout een gloeiend kooltje op den kop van zijne pijp, en, zonder dat
hij de algemeene aandacht en de nieuwsgierigheid van zijne toehoorders
scheen te bemerken, deed hij een langen haal. Eindelijk, toen de pijp
goed aan was, liet hij het kooltje vallen en zette zijne muts nog
verder naar achteren; toen trok hij de schouders op en ging voort, met
een lachend gezicht:
--Zij vroegen me ook: Hoe zijn die Tscherkessen, daarginds? of wel:
Hoe zijn de Turken, tegen wie gij daar vecht, in den Kaukasus? Dan
antwoordde ik: Bij ons zien de Tscherkessen er niet allen hetzelfde
uit, beste vrind; er zijn verschillende typen onder. Zoo zijn er
Tafflinzen, die in de rotsgebergten wonen en steenen eten in plaats
van brood. Die zijn zoo groot, zeg ik hun, als een flinke balk; zij
hebben een oog in het voorhoofd, en roode mutsen op, die er uitzien
als vuur. Zooals gij bij voorbeeld, beste vriend, voegde hij er bij
en wendde zich tot een jongen recruut, die inderdaad een bespottelijk
klein mutsje met een rood kapje droeg.
Aldus onverwacht aangesproken, hield de jonge soldaat zich den buik
vast van het lachen, sloeg met zijn handen op de knieën, en van het
schateren begon hij zoo te hoesten, dat hij nauwelijks, met toonlooze
stem kon uitbrengen:
--Mooie lui, die Tafflinzen!
--Dan zijn er nog Mumri, vertelde ik hun, ging Tschikine voort,
terwijl hij zijne muts naar voren trok. Dat zijn weer anderen, kleine
tweelingen, niet hooger dan zoo; zij loopen altijd met hun beiden,
en houden elkaar zelfs aan de hand; en zij loopen zoo hard, dat een
ruiter ze zelfs niet kan inhalen.--Maar hoe is dat dan, vroegen zij
toen, met die Mumri.... worden die zoo geboren, hand in hand, of hoe?
zeide Tschikine, met een basgeluid, om de stem der moejiks na te
bootsen. Ja, antwoordde ik, lieve vriend, dat is van nature. Als gij
hun de handen losmaakt, dan gaat het hun als een Chinees, wien men
zijne muts afrukt: het bloed springt er dan uit.--En zeg mij eens, hoe
vechten zij? vroegen zij toen.--Wel, doodeenvoudig, antwoordde ik. Als
zij u beet hebben, maken zij u den buik open, nemen de darmen er uit
en rollen die om uw arm. Zij rollen ze op, en gij lacht, en gij lacht
zoolang tot gij er aan sterft....
--En geloofden zij u, Tschikine? vroeg Maximoff glimlachend, terwijl
de anderen het uitschaterden.
--Die rare lui geloofden wezenlijk alles, Fedor Maximovitsch, _alles_
gelooven ze, bij God! Maar toen ik begon over den berg Kazbek, en hun
vertelde dat de sneeuw er den geheelen zomer niet smelt, toen lachten
zij mij uit, beste vriend!--Och wat, kleintje, wat bazelt gij nu?
riepen zij. Wie heeft nu ooit een grooten berg gezien, waarop de
sneeuw niet smolt? Bij ons, kleintje, als, de sneeuw smelt, dan
smelt die het eerst op de hoogten, en in de dalen blijft zij langer
liggen....--Wat zal ik er u van zeggen? besloot Tschikine knipoogend.