Behalve Welentschuk, stonden er nog vijf of zes andere soldaten van
mijn afdeeling zich bij het vuur te warmen.
Op het beste plekje, beschut voor den wind, zat de kwartiermeester
Maximoff op een houten tonnetje zijne pijp te rooken. In de houding,
in den blik, in al de gebaren van dezen man las men de gewoonte
om te commandeeren en het bewustzijn van zijn eigen waardigheid,
afgescheiden nog daarvan dat hij op een tonnetje zat, wat op de
rustplaats een symbool van gezag was en dat hij een met nanking
overtrokken pelsjas droeg.
Toen ik hem naderde, draaide hij zijn hoofd naar mij toe, maar zijn
blikken bleven op het vuur gevestigd, en eerst later volgden zijne
oogen de beweging van zijn hoofd en keek hij mij aan.
Maximoff, de zoon van een welgesteld landbouwer, had wat geld; hij had
den cursus van het regiment gevolgd, een weinig kennis opgedaan en een
graad verworven, hetgeen de soldaten deed zeggen:--Hij is
verschrikkelijk rijk, verschrikkelijk geleerd.
Ik herinner mij dat hij een keer, bij een oefening in het
schijfschieten, aan de soldaten verklaarde, dat het waterpas niets
anders was dan een _voortvloeisel_ van de beweging in het kwik van de
atmosfeer... Toch was Maximoff verre van dom, hij kende zijn zaakjes
zeer goed. Maar ongelukkig had hij de liefhebberij opzettelijk zoo te
spreken, dat men hem niet begreep, en ik ben zeker, dat hij zelf ook
niet begreep wat hij zeide. Hij gebruikte bij voorkeur de woorden
»voortvloeien" en »vervolgens", en als hij zeide: »daaruit vloeit
voort" of »vervolgens", dan wist ik vooruit, dat ik geen woord zou
begrijpen van hetgeen er verder kwam. De soldaten daarentegen, schenen
dit »voortvloeien" gaarne te hooren en zochten er heel wat diepzinnigs
achter, hoewel zij er evenmin als ik iets van begrepen. Maar die
onbegrijpelijkheid schreven zij aan hun eigen domheid toe, en hij
steeg er des te meer door in hunne achting.
De tweede soldaat, die dicht bij het vuur bezig was zijn laarzen
over zijn gespierde, roode voeten te trekken, was Antonoff, dezelfde
bombardier Antonoff, die, al in 1837, in een gevecht slechts met twee
makkers bij een kanon overbleef, een talrijken vijand afsloeg en
steeds bleef vuren, hoewel hij twee kogels in de dij had.
Hij zou reeds lang kwartiermeester geweest zijn, als hij een ander
karakter gehad had, zeiden de soldaten van hem. En werkelijk had
hij een zonderling karakter: als hij niet dronken was, was hij de
bedaardste, zachtste, geschiktste kerel van de wereld; maar als hij
wat gedronken had, werd hij een geheel ander mensch; dan erkende hij
geen superieuren, vocht en tierde hij, en was er niets met hem te
beginnen. Nog pas acht dagen geleden, had hij zich gedurende de
karnavalsweek bedronken, en ondanks alle bedreigingen en verzoeken,
ondanks hij aan een kanon gebonden was, was hij blijven drinken en
tieren tot den eersten Maandag van de vasten: gedurende den geheelen
tijd der vasten had hij, niettegenstaande er bevel gegeven was dat de
manschappen niet behoefden te vasten, enkel van beschuit geleefd; in
de eerste week had hij zelfs zijn rantsoen _vodka_[14] geweigerd.
[14] Brandewijn.
Het was anders de moeite waard hem te zien, dien gedrongen,
ijzersterken man met zijn kromme beentjes en zijn gebaard en
glimmend gelaat, als hij, eenmaal dronken, eene _balalaïka_[15] in
zijn gespierde hand nam, en, met een minachtenden blik in het rond,
een volksliedje speelde; of als hij, met zijn mantel, waaraan de
decoraties hingen te bengelen, achteloos over zijn schouder geworpen,
over de straat liep, met de handen in de zakken van zijn nankinschen
broek. Men moest de uitdrukking van soldaten-trots en zijn minachting
voor alles wat geen artillerist was zien, die dan op zijn gelaat lag,
om te begrijpen dat hij het onmogelijk vond in een zulk een oogenblik
niet aan het vechten te raken met den een of ander, die hem grof
bejegende of hem toevallig in den weg kwam: een burger, een Kozak,
een infanterist, een die geen artillerist was, in èèn woord, hij
vocht echter niet zoozeer voor zijn persoonlijk genoegen, maar voor
de militaire eer, waarvan hij zich een verdediger gevoelde.
[15] Soort guitaar.
De derde soldaat, die zich voor het vuur zat te warmen, was
de ordonnans Tschikine. Hij droeg een ring in het oor, had een
stoppeligen knevel, een vogelbek, een porseleinen neuswarmer tusschen
de tanden. Tschikine, de mooie jongen, zooals de soldaten hem noemden,
was een grappenmaker. Al vroor het baksteenen, al zakte hij tot aan
zijn knieën in de modder, al bleef hij twee dagen zonder eten, op
marsch, bij de parade en bij het excerceeren, overal en altijd maakte
hij u aan het lachen door zijn grimassen en wonderlijke gebaren; hij
wist zich zoo aan te stellen dat iedereen schaterde. Werd er halt
gehouden of gekampeerd, altijd vormde er zich een kring van jonge
soldaten om Tschikine: hij speelde kaart met hen, of vertelde hun
een verhaal van den slimmen soldaat en den Engelschen mylord, of wel
hij bootste een Tartaar of een Duitscher na, of hij maakte eenvoudig
opmerkingen zóó koddig, dat iedereen zich half dood lachte. Zijn
reputatie als grappenmaker was zóó gevestigd bij zijn batterij, dat
als hij zijn mond maar opendeed of met zijn oog knipte, iedereen
in lachen uitbarstte. En inderdaad had hij iets heel komisch en
verrassends over zich. Hij wist aan alle dingen iets bijzonders
te vinden, waaraan een ander nooit zou gedacht hebben en, wat de
hoofdzaak was, zijn talent om altijd het belachelijke op te merken,
moest hij immer den vrijen loop laten.
De vierde soldaat was een jongen van een tamelijk armzalig voorkomen,
een recruut van de laatste lichting, die voor het eerst een expeditie
meemaakte. Hij stond midden in den rook, en zoo dicht bij het vuur,
dat het scheen of zijn tot op den draad versleten pelsjas ieder
oogenblik in brand zou vliegen. Maar niettegenstaande dat bewees zijn
rustige, zelfvoldane houding, zooals hij daar stond met de panden van
zijne pelsjas onder den arm en sterk uitstekende kuiten, dat hij zich
heel behaaglijk gevoelde.
De vijfde soldaat eindelijk, die een weinig van het wachtvuur afstond
en bezig was een stok te snijden, was oom Shdanoff. Shdanoff was de
oudste in dienstjaren van de batterij. Hij had al de andere soldaten
nog als rekruten gekend, en allen noemden hem, uit een oude gewoonte,
»oompje." Men zeide dat hij nooit dronk en nooit rookte, dat hij
geen kaarten aanraakte (zelfs niet eens »neus" speelde) en nooit
een leelijk woord gebruikte. Al de uren, die hem van den dienst
overbleven, hield hij zich bezig met schoenmaken. Op feestdagen ging
hij naar de kerk als er een in de buurt was, en anders stak hij een
kaars van een kopek aan voor een heiligenbeeldje en opende zijn
psalmboek, het eenige, waarin hij kon lezen.
Hij bemoeide zich weinig met de soldaten; hij was koel en eerbiedig
tegenover hen die, jonger dan hij, zijn meerderen in rang waren, en
daar hij niet dronk, was hij weinig samen met zijns gelijken; maar hij
hield vooral veel van de rekruten en de jonge soldaten. Die nam hij
steeds in zijn hoede, las hun de instrukties voor en hielp hen vaak.
Al de manschappen van de batterij beschouwden hem als een kapitalist,
omdat hij vijf en twintig roebels bezat, die hij gaarne uitleende aan
wie ze werkelijk noodig hadden.
Dezelfde Maximoff, die nu kwartiermeester was, vertelde mij dat toen
hij tien jaar geleden als rekruut bij het corps kwam en met de oude,
drinklustige soldaten al zijn geld had verdronken, Shdanoff, die zijn
ellendigen toestand opgemerkt had, hem bij zich riep, hem duchtig
doorhaalde over zijn gedrag, ja hem zelfs geslagen had; hij had hem
uit de instrukties voorgelezen hoe een soldaat behoort te leven, en
liet hem weer gaan met een hemd (daar Maximoff er geen meer had) en
vijftig kopeken.
--Hij heeft een man van mij gemaakt! zeide Maximoff dikwijls van hem,
met een uitdrukking van eerbied en dankbaarheid.
Hij was het ook die Welentschuk, een zijner beschermelingen, geholpen
had, bij het verlies van den mantel, en nog zooveel anderen gedurende
zijn vijf en twintig jaren diensttijd.
Men zou in het korps geen soldaat hebben gevonden, die dapperder en
ordentelijker was en zijn vak beter verstond. Maar hij was te kalm en
te bescheiden, hij wist zich te weinig op den voorgrond te plaatsen
om tot brigadier bevorderd te worden, hoewel hij reeds vijftien jaar
bombardier was. De eenige vreugde, de eenige hartstocht van Shdanoff,
dat was gezang. Sommige liederen vooral hoorde hij bijzonder graag,
en hij placht een kring van zangers, die hij onder de jonge soldaten
uitzocht, om zich te vereenigen; hoewel hij zelf niet kon zingen,
bleef hij, met de handen in de zakken en de oogen dicht, bij hen
zitten, en door de bewegingen van zijn hoofd en zijn kaken drukte hij
uit, hoe heerlijk hij het vond. Ik weet niet waarom ik altijd in die
gelijkmatige beweging der kaakbeenderen onder de ooren, die ik alleen
bij hem opgemerkt heb, zoo buitengewoon veel uitdrukking heb gevonden.
Zijn sneeuwwit hoofd, zijn zwarte, netjes opgedraaide knevel, zijn
verweerd en gerimpeld gelaat gaven hem op het eerste gezicht een
streng en ernstig uiterlijk; maar als men van naderbij in zijn groote
ronde oogen zag, vooral als zij lachten--want zijn lippen lachten
nooit--werd men getroffen door iets buitengewoon zachts, iets bijna
kinderlijks.