Vier soldaten droegen den jongen vaandrig op een draagbaar. Achter
hen kwam een treinsoldaat, met een oud, versleten paard aan den
teugel, dat beladen was met twee groene kisten, waarin chirurgische
instrumenten waren. Men wachtte op den dokter. De officieren kwamen
naar de draagbaar rijden en trachtten den gewonde te troosten, gerust
te stellen en op te vroolijken.
--Nu, broeder Alanine, gij zult vooreerst wel niet meer met de
kastanjetten kunnen dansen, zeide luitenant Rosenkranz glimlachend.
Hij meende ongetwijfeld door deze woorden den mooien vaandrig moed in
te spreken, maar, zoover ik naar den kouden en droeven blik van dezen
laatste kon oordeelen, hadden zijne woorden niet de gewenschte
uitwerking.
De kapitein kwam ook nader: hij beschouwde den gewonde opmerkzaam, en
op zijn gezicht, altijd zoo onverschillig en koud, las ik nu oprecht
medelijden.
--Ja, mijn beste Anatoly Ivanitsch, zeide hij met een stem, waarin
zooveel teedere deelneming lag, als ik nooit van hem had kunnen
verwachten, het is blijkbaar Gods wil.
De gewonde keerde zich naar hem toe. Een droevig lachje verhelderde
zijn bleek gelaat.
--Ja, ik heb niet naar u geluisterd.
--Zeg liever dat het Gods wil is, herhaalde de kapitein.
De dokter, die juist aankwam, nam van zijn helper eenige windsels, een
sonde en wat hij verder noodig had, aan; en, zijn mouwen opstroopende,
naderde hij den gewonde met een bemoedigend lachje.
--Wel, hebben ze u ook een gat gemaakt op een heele plek? zeide hij op
een nonchalanten, gekscherenden toon. Laat eens kijken!
De vaandrig gehoorzaamde. Maar in de uitdrukking, waarmee hij den
jovialen dokter aankeek, lag verwondering en verwijt, wat de andere
niet scheen te merken. Hij begon de wond te sondeeren en nauwkeurig te
onderzoeken. Maar de gewonde werd ongeduldig en drukte, met een
pijnlijk steunen, zijne hand weg.
--Laat mij met rust, zeide hij nauwelijks hoorbaar, ik moet toch
sterven.
Daarop liet hij zich weer op zijn rug vallen, en toen ik vijf minuten
later weer langs de groep kwam, die om hem heen stond, en aan een
soldaat vroeg, hoe het met den vaandrig ging, kreeg ik ten antwoord:
--Hij sterft.