Het was reeds laat, toen de troep, flink in het gelid onder vroolijke
muziek, de vesting N** naderde. De zon was achter de keten van
besneeuwde bergen ondergegaan en verlichtte met haar laatste, roze
stralen een lange, teere wolk, die onbeweeglijk boven den helderen
horizon stond. De besneeuwde bergtoppen werden langzamerhand gehuld in
een lilakleurigen nevel, maar de golvende lijn hunner omtrekken stak
buitengewoon scherp tegen het purperen licht van den zonsondergang af.
De schier doorschijnende maan, die reeds lang aan den hemel stond,
begon het donkere azuur met zijn helder schemerlicht te verlichten.
Het groen van de boomen en het gras werd donker en doezelig van den
dauw. De sombere massa's der kolonne bewogen zich met eentonig,
rhythmisch geluid over de geurende grasvlakte. Van alle zijden klonken
de klokjes van schelleboomen, de trommen en de vroolijke liedjes.
De voorzanger van de zesde compagnie zong uit volle borst en de
gevoelvolle, krachtige trillers van zijn heldere volle tenorstem
rolden ver weg in de doorschijnende avondlucht.