De generaal trok vooruit met de cavalerie. Het bataillon waarmee ik de
vesting N** had verlaten, bleef in de achterhoede. De kompagnieën van
kapitein Chlopoff en van luitenant Rosenkranz rukten gelijktijdig uit.
De voorspelling van den kapitein kwam precies uit. Nauwelijks
waren wij in den smallen boschweg, dien hij mij gewezen had, of van
weerskanten zag men onophoudelijk bergbewoners te paard en te voet
voorbij ijlen, en zoo dicht bij ons, dat ik duidelijk kon zien, hoe
sommigen hunner in gebukte houding en met het geweer in de hand van
den eenen boom naar den anderen liepen.
De kapitein ontblootte het hoofd en maakte vroom het teeken des
kruises. Eenige oude soldaten volgden zijn voorbeeld. In het bosch
hoorde men wild krijgsgeschreeuw en de kreten: »Yaï! giaïoers!
Oeroess[11] yaï!" Daarop volgden korte, knetterende geweerschoten;
de kogels floten van alle kanten door het bosch. Stilzwijgend
antwoordden de onzen met pelotonsvuur. Slechts af en toe hoorde
men in de gelederen opmerkingen van dezen aard:
[11] Russen. Tartaarsch woord.
--Daar zit _hij_![12] _Hij_ heeft mooi schieten achter een boom
vandaan! Wij moesten kanonnen hebben!
[12] Zoo spreken de Russische soldaten altijd van den vijand.
Daar komt de artillerie in de vuurlinie. Bij de eerste houwitsers
scheen de vijand te wankelen; maar een oogenblik later werd het
geweervuur en het geschreeuw sterker bij iederen pas, dien onze
troepen deden.
Wij waren nog niet heel ver van het dorp verwijderd, of de
vijandelijke kogels begonnen ons reeds om het hoofd te fluiten. Ik
zag een soldaat neervallen, doodelijk getroffen door een kogel. Maar
waarom al de bijzonderheden te schetsen van dit verschrikkelijk
tooneel, nu ik zelf veel zou geven om het te kunnen vergeten!
Luitenant Rosenkranz schoot zonder een oogenblik op te houden zelf
uit zijn karabijn; met zijn heesche stem vuurde hij onophoudelijk de
soldaten aan, terwijl hij spoorslags van het eene einde der kolonne
naar het andere reed. Hij was een weinig bleek, en dit stond hem zeer
goed bij zijn krijgshaftig uiterlijk.
De hupsche vaandrig was een en al verrukking; zijn fraaie zwarte oogen
schitterden stoutmoedig, een glimlachje speelde om zijn mond. Hij kwam
telkens naar den kapitein, om hem verlof te vragen een charge te
maken.
--We zullen ze terugwerpen! zeide hij op een toon van overtuiging.
Waarachtig, wij kunnen ze best uiteenjagen!
--Niet noodig, antwoordde de kapitein kortaf. Wij moeten retireeren.
De compagnie van den kapitein hield den zoom van het bosch bezet, en
beantwoordde liggend het vuur.
Met zijn versleten overjas aan en zijne oude muts op, zat de
kapitein, zonder een woord te zeggen, op zijn klein, wit paard. Hij
had de teugels laten hangen en zijn beenen in den korten stijgbeugel
samengetrokken en bleef op dezelfde plaats. (De soldaten wisten zoo
goed wat zij te doen hadden en volbrachten dat zoo goed, dat het niet
noodig was hun orders te geven.) Slechts af en toe liet de kapitein
zijn stem hooren, als een der soldaten zich te veel blootgaf. Hij zag
er zeer weinig krijgshaftig uit, maar hij zat daar zoo natuurlijk en
eenvoudig, dat ik er verrast door was.
--Dat is de ware dappere! dacht ik onwillekeurig. Hij was _juist
zooals ik hem altijd zag_; dezelfde rustige bewegingen, dezelfde
gelijkmatige stem, dezelfde openhartigheid op zijn leelijk, maar
eenvoudig gezicht. Alleen aan zijn blik, die helderder was dan
gewoonlijk, zag men de spanning van iemand, die, hoewel rustig, geheel
vervuld is van hetgeen hij doet. Dat wil niet weinig zeggen: _altijd
dezelfde_. Welk een menigte trapsgewijze veranderingen nam ik niet
waar bij de anderen! De een veinsde meer kalmte, de ander meer ernst,
een derde meer vroolijkheid dan gewoonlijk, terwijl men op het gezicht
van den kapitein las, dat hij niet inzag, waarom hij zich anders voor
zou doen.
De Franschman, die bij Waterloo zeide: La garde meurt, mais ne se rend
pas,[13] en de andere helden, met namen de Franschen, die beroemde
woorden gezegd hebben, waren werkelijk dapper en hebben werkelijk
opmerkelijke woorden gezegd, maar tusschen hunne dapperheid en die van
den kapitein bestond dit onderscheid, dat, indien al een kranig woord
onverschillig bij welke gelegenheid ware opgekomen in de ziel van mijn
held, hij het zeker niet zou uitgesproken hebben, ten eerste, omdat
hij gevreesd zou hebben door dit woord uit te spreken, het groote
werk te storen en ten tweede, omdat wanneer een man in zich de kracht
gevoelt een daad te vervullen, ieder woord overbodig is. Mijns inziens
is dit de karakteristieke en edele trek in de dapperheid der Russen.
En zou het Russische hart dan niet bloeden, als men door onze jonge
militairen banale Fransche zinnen hoort uitspreken, die de pretentie
hebben, aan de oude Fransche ridderschap te herinneren?....
[13] De garde sterft, maar geeft zich niet over.
Eensklaps hoorde ik een afzonderlijk, zwak hoera-roepen aan den kant,
waar de mooie vaandrig met zijn peloton stond. Toen ik mij omkeerde,
zag ik een dertigtal soldaten, die met het geweer in de hand en den
ransel op den rug, moeilijk voortliepen over een omgeploegden akker.
Zij struikelden allen, maar kwamen toch luid schreeuwende vooruit!
Aan hun hoofd galoppeerde de vaandrig, met de sabel in de lucht.
Allen verdwenen in het bosch.
Na een minutenlang geschreeuw en karabijnvuur, kwam er een verschrikt
paard uit het bosch hollen; daarna verschenen er aan den woudzoom
soldaten, die dooden en gewonden wegdroegen; onder deze laatsten was
ook de jonge vaandrig.
Twee soldaten steunden hem onder de armen; hij was zoo bleek als een
doek, en zijn mooi gezichtje, waarop maar een zwak spoor meer lag van
den krijgshaftigen geestdrift, die hem een minuut te voren bezielde,
hing akelig slap op de borst. Op zijn wit hemd onder zijn losgeknoopte
uniform zag men een kleine, roode vlek.
--Och, hoe jammer! zeide ik onwillekeurig en wendde mij af van dit
droevige schouwspel.
--Natuurlijk, 't is jammer! zeide een oud soldaat met een somber
gezicht, die naast mij stond en op zijn geweer leunde.--Hij is voor
niets bang; dat is niet goed, en ik begrijp het ook niet, voegde hij
erbij, terwijl hij den gewonde oplettend bekeek. Hij is nog te groen
en heeft er voor moeten boeten.
--En gij, zijt gij dan bang? vroeg ik hem.
--Zoudt gij denken van niet?