X.

De generaal trok vooruit met de cavalerie. Het bataillon waarmee ik de

vesting N** had verlaten, bleef in de achterhoede. De kompagnieën van

kapitein Chlopoff en van luitenant Rosenkranz rukten gelijktijdig uit.

De voorspelling van den kapitein kwam precies uit. Nauwelijks

waren wij in den smallen boschweg, dien hij mij gewezen had, of van

weerskanten zag men onophoudelijk bergbewoners te paard en te voet

voorbij ijlen, en zoo dicht bij ons, dat ik duidelijk kon zien, hoe

sommigen hunner in gebukte houding en met het geweer in de hand van

den eenen boom naar den anderen liepen.

De kapitein ontblootte het hoofd en maakte vroom het teeken des

kruises. Eenige oude soldaten volgden zijn voorbeeld. In het bosch

hoorde men wild krijgsgeschreeuw en de kreten: »Yaï! giaïoers!

Oeroess[11] yaï!" Daarop volgden korte, knetterende geweerschoten;

de kogels floten van alle kanten door het bosch. Stilzwijgend

antwoordden de onzen met pelotonsvuur. Slechts af en toe hoorde

men in de gelederen opmerkingen van dezen aard:

[11] Russen. Tartaarsch woord.

--Daar zit _hij_![12] _Hij_ heeft mooi schieten achter een boom

vandaan! Wij moesten kanonnen hebben!

[12] Zoo spreken de Russische soldaten altijd van den vijand.

Daar komt de artillerie in de vuurlinie. Bij de eerste houwitsers

scheen de vijand te wankelen; maar een oogenblik later werd het

geweervuur en het geschreeuw sterker bij iederen pas, dien onze

troepen deden.

Wij waren nog niet heel ver van het dorp verwijderd, of de

vijandelijke kogels begonnen ons reeds om het hoofd te fluiten. Ik

zag een soldaat neervallen, doodelijk getroffen door een kogel. Maar

waarom al de bijzonderheden te schetsen van dit verschrikkelijk

tooneel, nu ik zelf veel zou geven om het te kunnen vergeten!

Luitenant Rosenkranz schoot zonder een oogenblik op te houden zelf

uit zijn karabijn; met zijn heesche stem vuurde hij onophoudelijk de

soldaten aan, terwijl hij spoorslags van het eene einde der kolonne

naar het andere reed. Hij was een weinig bleek, en dit stond hem zeer

goed bij zijn krijgshaftig uiterlijk.

De hupsche vaandrig was een en al verrukking; zijn fraaie zwarte oogen

schitterden stoutmoedig, een glimlachje speelde om zijn mond. Hij kwam

telkens naar den kapitein, om hem verlof te vragen een charge te

maken.

--We zullen ze terugwerpen! zeide hij op een toon van overtuiging.

Waarachtig, wij kunnen ze best uiteenjagen!

--Niet noodig, antwoordde de kapitein kortaf. Wij moeten retireeren.

De compagnie van den kapitein hield den zoom van het bosch bezet, en

beantwoordde liggend het vuur.

Met zijn versleten overjas aan en zijne oude muts op, zat de

kapitein, zonder een woord te zeggen, op zijn klein, wit paard. Hij

had de teugels laten hangen en zijn beenen in den korten stijgbeugel

samengetrokken en bleef op dezelfde plaats. (De soldaten wisten zoo

goed wat zij te doen hadden en volbrachten dat zoo goed, dat het niet

noodig was hun orders te geven.) Slechts af en toe liet de kapitein

zijn stem hooren, als een der soldaten zich te veel blootgaf. Hij zag

er zeer weinig krijgshaftig uit, maar hij zat daar zoo natuurlijk en

eenvoudig, dat ik er verrast door was.

--Dat is de ware dappere! dacht ik onwillekeurig. Hij was _juist

zooals ik hem altijd zag_; dezelfde rustige bewegingen, dezelfde

gelijkmatige stem, dezelfde openhartigheid op zijn leelijk, maar

eenvoudig gezicht. Alleen aan zijn blik, die helderder was dan

gewoonlijk, zag men de spanning van iemand, die, hoewel rustig, geheel

vervuld is van hetgeen hij doet. Dat wil niet weinig zeggen: _altijd

dezelfde_. Welk een menigte trapsgewijze veranderingen nam ik niet

waar bij de anderen! De een veinsde meer kalmte, de ander meer ernst,

een derde meer vroolijkheid dan gewoonlijk, terwijl men op het gezicht

van den kapitein las, dat hij niet inzag, waarom hij zich anders voor

zou doen.

De Franschman, die bij Waterloo zeide: La garde meurt, mais ne se rend

pas,[13] en de andere helden, met namen de Franschen, die beroemde

woorden gezegd hebben, waren werkelijk dapper en hebben werkelijk

opmerkelijke woorden gezegd, maar tusschen hunne dapperheid en die van

den kapitein bestond dit onderscheid, dat, indien al een kranig woord

onverschillig bij welke gelegenheid ware opgekomen in de ziel van mijn

held, hij het zeker niet zou uitgesproken hebben, ten eerste, omdat

hij gevreesd zou hebben door dit woord uit te spreken, het groote

werk te storen en ten tweede, omdat wanneer een man in zich de kracht

gevoelt een daad te vervullen, ieder woord overbodig is. Mijns inziens

is dit de karakteristieke en edele trek in de dapperheid der Russen.

En zou het Russische hart dan niet bloeden, als men door onze jonge

militairen banale Fransche zinnen hoort uitspreken, die de pretentie

hebben, aan de oude Fransche ridderschap te herinneren?....

[13] De garde sterft, maar geeft zich niet over.

Eensklaps hoorde ik een afzonderlijk, zwak hoera-roepen aan den kant,

waar de mooie vaandrig met zijn peloton stond. Toen ik mij omkeerde,

zag ik een dertigtal soldaten, die met het geweer in de hand en den

ransel op den rug, moeilijk voortliepen over een omgeploegden akker.

Zij struikelden allen, maar kwamen toch luid schreeuwende vooruit!

Aan hun hoofd galoppeerde de vaandrig, met de sabel in de lucht.

Allen verdwenen in het bosch.

Na een minutenlang geschreeuw en karabijnvuur, kwam er een verschrikt

paard uit het bosch hollen; daarna verschenen er aan den woudzoom

soldaten, die dooden en gewonden wegdroegen; onder deze laatsten was

ook de jonge vaandrig.

Twee soldaten steunden hem onder de armen; hij was zoo bleek als een

doek, en zijn mooi gezichtje, waarop maar een zwak spoor meer lag van

den krijgshaftigen geestdrift, die hem een minuut te voren bezielde,

hing akelig slap op de borst. Op zijn wit hemd onder zijn losgeknoopte

uniform zag men een kleine, roode vlek.

--Och, hoe jammer! zeide ik onwillekeurig en wendde mij af van dit

droevige schouwspel.

--Natuurlijk, 't is jammer! zeide een oud soldaat met een somber

gezicht, die naast mij stond en op zijn geweer leunde.--Hij is voor

niets bang; dat is niet goed, en ik begrijp het ook niet, voegde hij

erbij, terwijl hij den gewonde oplettend bekeek. Hij is nog te groen

en heeft er voor moeten boeten.

--En gij, zijt gij dan bang? vroeg ik hem.

--Zoudt gij denken van niet?

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 16 / 37 题