Wij zaten reeds meer dan twee uur te paard. Ik voelde een lichte
huivering van kou en de slaap beving mij. In de duisternis zag ik
dezelfde donkere dingen onduidelijk voor mij: op geringen afstand zag
ik den zwarten muur en de zwarte bewegelijke vlekken; zeer dicht naast
me den rug van een schimmel, die met den staart sloeg, een rug in een
wijden tscherkeska, waarover een geweer in zwart foedraal en de witte
greep van een pistool in een gelapten pistoolholster, het vuur van een
cigaret, dat een blonden knevel, een beverkraag en een gehandschoende
hand verlichtte. Ik boog mij over den hals van mijn paard, sloot de
oogen en sluimerde een oogenblik in.
Eensklaps werd ik wakker door het bekende geluid van hoefslagen en
door geruisch; ik zag om en een oogenblik leek het alsof ik op mijn
plaats bleef en de zwarte muur vòòr me op me toekwam. Ik hoorde een
dichtbij komend dof gebrom, dat ik mij niet had kunnen verklaren: het
was het geruisch van water. Wij waren nu in een hollen weg en naderden
een bergstroom, die juist op het sterkst gezwollen was.
Het gedruisch werd sterker, het natte gras werd dichter en hooger,
de struiken werden zeldzamer, de horizon steeds beperkter. Van tijd
tot tijd zag men tegen den donkeren achtergrond der bergen op
verschillende plaatsen heldere vuren opschieten en even snel weer
verdwijnen.
--Zeg me toch eens, wat die vuren beteekenen? vroeg ik fluisterend aan
den Tartaar, die naast mij reed.
--Weet gij dat dan niet? vroeg hij.
--Neen.
--Het zijn brandende bossen stroo, die de bergbewoners aan een stok
heen en weer zwaaien.
--En waarvoor?
--Opdat iedereen wete, dat de Rus in aantocht is. Nu zitten zij in de
dorpen te beven! Alle have en goed zullen ze in de bergkloven
wegstoppen, voegde hij er lachend bij.
--Maar weten zij dan al, dat de troep in aantocht is?
--Wel ja! hoe kan het ook anders? Zij weten het altijd. De onzen zijn
zulk een raar volk!
--Dus maakt Schamyl zich nu strijdvaardig? vroeg ik.
--Neen, antwoordde hij en schudde met het hoofd ten teeken van
ontkenning. Schamyl zal niet meevechten. Schamyl zal er zijn
_nahibs_[9] op afsturen, en zal zelf, boven op een berg, door een
verrekijker zitten turen.
[9] Luitenants.
--Woont hij ver weg?
--Neen, niet ver. Misschien tien wersten daar links.
--Hoe weet gij dat? Zijt gij er soms geweest?
--Ja. Onze mannen zijn allen in de bergen geweest.
--En hebt gij Schamyl gezien?
--O, wel neen! Schamyl krijgen wij niet te zien. Honderd, driehonderd,
duizend wachters zijn om hem en middenin is Schamyl, zeide hij, met
een uitdrukking van overdreven eerbied.
Als men omhoog keek, kon men merken dat het aan den helder wordenden
hemel reeds licht begon te worden. Maar in de bergengte, waarin wij
voorttrokken, was het nog donker en vochtig.
Eensklaps schitterden er, dicht voor ons, lichtstralen in de
duisternis. In hetzelfde oogenblik zwermden kogels fluitend door de
lucht en midden in de stilte rondom ons klonken knallende
geweerschoten en schelle kreten. Het was een piket van de voorhoede
des vijands. De Tartaren, waaruit het piket bestond, hadden op goed
geluk geschoten onder het slaken van een oorlogskreet, en stoven toen
uit elkaar.
Algemeene stilte weer rondom ons. De generaal riep den tolk. Een
Tartaar, in den witten rok der Tcherkessen, ging naar hem toe, en
sprak fluisterend en met drukke gebaren langen tijd met hem.
--Kolonel Chassanoff, laat de tirailleurslinie uitzwermen, zeide de
generaal met gedempte, langzame, maar zeer duidelijke stem.
Het detachement bereikte de rivier, de zwarte bergen en de bergkloof
achter zich latend. De dag begon aan te breken. De hemel, waaraan hier
en daar nog een enkele bleeke ster te zien was, scheen nu hooger
geworden te zijn; in het oosten gloeide het morgenrood hel op. Een
frissche, doordringende bries woei uit het westen en een lichte nevel
steeg als damp boven de bruischende rivier op.