De gids wees een doorwaadbare plaats, en de voorhoede der ruiterij
passeerde de rivier, spoedig gevolgd door den generaal en zijn staf.
Het water sloeg de paarden tegen de borst, en stortte zich met
buitengewoon geweld tusschen de witte steenen door, die hier en daar
uit het watervlak omhoog staken; tusschen de beenen der paarden vormde
het een dwarrelende schuimende kolk. De paarden aarzelden bij het
ruischen van het water, hieven den kop op en spitsten de ooren;
langzaam en voorzichtig stapten zij over den ongelijken bodem tegen
den stroom in. De ruiters beurden hun beenen en hun wapens in de
hoogte. De infanteristen letterlijk tot op het hemd toe uitgekleed,
hielden hun kleederen aan de punt van het geweer in de hoogte; bij
troepen van twintig grepen ze elkaar bij de hand en trachtten zij
tegen de strooming in te gaan; de inspanning stond hun op het gelaat
te lezen. De artilleristen joegen, met luid geschreeuw, hun paarden in
vollen draf de rivier in. De kanonnen en de groene kruitwagens, waar
het water af en toe overheen spatte, ratelden over den steenachtigen
bodem. Maar de moedige Kozakkenpaardjes trokken wakker aan de
strengen, kliefden den schuimenden vloed en klommen met druipende
manen en staart, op den anderen oever.
Toen de overtocht volbracht was, drukte het gelaat van den generaal
plotseling een zeker ernstig nadenken uit. Hij liet zijn paard
zwenken, en, door de cavalerie gevolgd, draafde hij dwars over een
door het bosch begrensde weide heen, die zich voor ons uitstrekte.
Bereden Kozakkenpatrouilles zwermden langs den woudzoom.
Tusschen de boomen dook een man te voet in een tscherkeska en met een
muts van schapenvel op, toen nog een, daarop nog een... Een der
officieren zeide:
--Het zijn de Tartaren.
Daar werd ook een rookwolkje zichtbaar achter een boom... Een
geweerschot, nog een... Ons sneller schieten overstemde het
vijandelijke vuur. Slechts van tijd tot tijd bemerken wij aan het
gefluit van een kogel, over ons hoofd, een geluid als het gegons
van eene bij, dat niet alle schoten van ons komen. Daar rukken de
infanteristen in den looppas en de kanonnen in vollen draf aan naar de
vuurlinie. Men hoort het dreunend kanongedonder, den metaalklank van
de voortvliegende kartets, het gesis der houwitsers, het knetteren der
geweren. De cavalerie, de infanterie en de artillerie duiken van alle
kanten op de uitgestrekte weide op.
De rookwolkjes der kanonnen, der houwitsers en der geweren vloeien
samen en worden één met het door dauw bedekte groen en den nevel.
Kolonel Chassanoff galoppeert naar den generaal en doet zijn paard in
vollen gang met een ruk stilhouden.
--Excellentie, zegt hij en brengt de hand aan de muts, beveelt u dat
de cavalerie een charge zal doen? Er zijn veldteekens[10] opgestoken.
[10] Deze veldteekens hebben bij de bergbewoners bijna de beteekenis
van vaandels, met dit onderscheid dat iedere »djighite" zijn eigen
teeken kan maken en voeren.
En met zijn karwats wees hij naar de Tartaarsche ruiters, die
voorafgegaan werden door twee mannen, welke, op witte paarden gezeten,
roode en blauwe lappen aan de lansen droegen.
--Ga met God, Ivan Michaïlovitsch, zegt de generaal. De kolonel laat
zijn paard zwenken, trekt zijn sabel en roept:--Hoera!
--Hoera! hoera! hoera! klinkt het uit de gelederen, en de cavalerie
stormt hem na.
Allen zien vol belangstelling toe; daar is een veldteeken, nog een,
nog een...
Zonder de charge af te wachten, verdwijnt de vijand in het bosch en
opent vandaar een goed onderhouden geweervuur. De kogels vallen steeds
dichter.
--Een charmant gezicht! zegt de generaal, terwijl hij zijn dunbeenigen
volbloed op Engelsche wijze op en neer laat huppelen.
--Charmant! antwoordt de majoor, de »r" latende rollen, geeft zijn
paard een slag met de karwats, en rijdt naar den generaal. »Men zou
voor zijn plezier oorlog voeren in zulk een mooi land," zegt hij.
--En vooral in zulk aangenaam gezelschap, voegt de generaal er met
een vriendelijk lachje bij.
De majoor boog.
Op dit oogenblik vliegt met een snel, hatelijk sissen een kogel
voorbij en slaat ergens in. Achter mij hoor ik het gekerm van een
gekwetste. Dit gekerm doet mij zoo vreemd aan, dat het geheele
militaire schouwspel in eens al zijne bekoorlijkheid voor mij
verliest; behalve ik schijnt niemand dat echter te merken: de majoor
lacht luidkeels, een ander officier begint rustig een afgebroken zin
opnieuw. De generaal kijkt een anderen kant uit, en zegt, met het
kalmste glimlachje van de wereld, eenige woorden in het Fransch.
--Beveelt gij dat wij hun vuur beantwoorden? vraagt de chef der
artillerie, terwijl hij in galop nadert.
--Ja, maak ze maar eens bang, zegt de generaal en steekt nonchalant
eene sigaar op.
De batterij stelt zich in positie en het vuur begint. De grond dreunt
van den donder van het geschut. Onafgebroken bliksemt het vuur en de
rook wordt zoo dik, dat men nauwelijks de manschappen ziet, die de
stukken bedienen.
Het dorp wordt gebombardeerd. Kolonel Chassanoff komt weer aanrijden,
en op bevel van den generaal, rent hij naar het dorp. Het
krijgsgeschreeuw klinkt opnieuw, en de cavalerie verdwijnt onder de
wolken van stof, die zij opjaagt.
Het schouwspel was werkelijk grootsch. Voor mij echter, die er
geen deel aan had genomen en weinig vertrouwd was met oorlogszaken,
was er iets dat den algemeenen indruk bedierf: de indruk dat al die
bewegingen, van al die drukte en dat geschreeuw, eigenlijk nutteloos
waren. Onwillekeurig kwam de vergelijking mij voor den geest van een
man, die uit alle macht met zijn bijl de lucht klieft.