VI.

Om tien uur 's avonds moet de colonne zich op marsch begeven. Om

half negen steeg ik te paard en begaf mij naar den generaal; maar,

veronderstellende dat hij en zijn adjudant het druk zouden hebben,

steeg ik op straat af, maakte mijn paard aan de palissaden vast en

ging op de javalinka[7] zitten, om mij bij den generaal te voegen

zoodra hij buiten zou komen.

[7] Het opgehoogde zand rondom de huizen.

De warmte en de zonnegloed hadden reeds plaats gemaakt voor de koelte

van den nacht en het matte licht der wassende maan, die rondom zich

een bleek-lichtenden kring op het blauw van den hemel vormde en reeds

begon onder te gaan. Door de vensters der huizen en door de spleten in

de blinden der hutten schemerde licht. De slanke populieren, die zich

in de verte achter de witgekalkte, door het maanlicht beschenen hutjes

met de stormdaken verhieven, schenen zwarter en hooger. De lange

schaduwen der huizen der boomen en heggen teekenden zich bevallig af

tegen den helderlichten, stoffigen weg. Het gekrijsch der kikvorschen

weerklonk boven de rivier.[8] Op straat hoorde men nu eens snelle

schreden, dan enkele woorden van een gesprek of den galop van een

paard. Van den kant der voorstad drong van tijd tot tijd de melodie

van een draaiorgel door, nu eens een bekend lied uit de Ukraine, dan

weer de een of andere »Aurora-Walzer."

[8] De kikvorschen in den Kaukasus brengen een geluid voort, dat niets

gemeen heeft met het kwaken van onze kikvorschen.

Ik zal niet zeggen waar ik aan dacht: ten eerste zou ik mij schamen

te bekennen, dat het sombere gedachten waren, die mij onafweerbaar

beslopen, terwijl ik rondom mij niets dan vreugde zag; en ten tweede

heeft dat ook weinig met mijn verhaal te maken. Ik was zoo in

gedachten verzonken, dat ik niet eens bemerkte, dat de klok elf uur

sloeg en de generaal met zijn geheele gevolg mij voorbijreed.

De achterhoede was nog in de vestingpoort. Niet dan met moeite kon ik

mij op de brug een weg banen tusschen de opeengedrongen kanonnen, de

kruitwagens, de proviandwagens en de officieren, die luide hun orders

gaven, door. Toen ik buiten de poort was, draafde ik langs den troep,

die zich over een lengte van een werst uitstrekte, en bereikte den

generaal. Terwijl ik voorbij de artillerie reed, die in prachtige orde

voorttrok en de officieren, die er te paard tusschen reden, hoorde ik,

als een groven dissonnant in deze plechtige harmonie de ruwe stem van

den Duitscher. Hij riep: »Achtillechist geef me de lont," en de stem

van een soldaat zeide dienstvaardig: »Schwerefftschenko, de heer

luitenant wenscht vuur."

Het grootste deel van den hemel was langzamerhand bedekt met lange,

sombere, grijze wolken; slechts hier en daar schitterde mat eene ster

daartusschen. De maan was reeds achter de zwarte bergen rechts aan den

horizon verdwenen, en wierp over hun toppen heen een zwak, trillend

schemerlicht, dat toch scherp afstak tegen het ondoordringbare duister

aan hun voet. De lucht was zoo stil en zoo warm, dat er geen enkel

grassprietje, geen wolkje bewoog. Het was zoo duister, dat men zelfs

de dingen in de naaste omgeving niet onderscheiden kon. Rechts en

links van den weg zag ik nu eens rotsen, dan weer dieren, dan weer

menschen van vreemd voorkomen--en ik merkte eerst dat het struiken

waren, als ik ze hoorde ritselen en de koude dauw voelde, die aan

haar bladeren hing. Voor mij zag ik een compacte, golvende, donkere

massa zich voortbewegen, en daar achter eenige beweeglijke vlekken:

het was de voorhoede te paard, en de generaal met zijn gevolg. In

de heele colonne heerschte zulk een stilte, dat men duidelijk al de

wegstervende, geheimzinnige geluiden van den nacht kon hooren: het

verre, klagende gehuil der jakhalzen, dat nu eens klonk als wanhopig

geschrei, dan weer als gelach; het eentonige, schelle gesjirp van

krekels, het krijschen der kikvorschen, het slaan der kwartels, een

niet te beschrijven gebrom dat steeds nader kwam, en heel dat bijna

onmerkbaar nachtelijk leven der natuur, dat men evenmin kan begrijpen

als weergeven: dat alles smolt samen tot een enkelen toon, den vollen

harmonischen toon, dien wij de stilte van den nacht noemen. Die stilte

wisselde af of liever vermengde zich met het dof gedreun der hoeven en

het geritsel van het hooge gras, dat platgetrapt werd door de langzaam

voorwaarts gaande colonne.

Slechts een enkelen keer hoorde men het gerol van een zwaar kanon, het

kletteren der tegen elkander stootende bajonetten, onderdrukt gepraat

en het brieschen van paarden.

De natuur ademde eene schoonheid en eene kracht, die tot kalmte

stemden.

Is den menschen dan werkelijk het leven te eng op deze schoone aarde,

onder den oneindigen sterrenhemel? Hoe kunnen temidden dezer

verrukkelijke natuur in de ziel des menschen gevoelens van woede en

wraak en hartstocht om zijn naasten te vernietigen, bestaan? Al het

kwade, dat er woelt in het menschelijke hart moest, dunkt mij,

verdwijnen bij de aanraking met de natuur--deze rechtstreeksche

uitdrukking van het schoone en goede.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 12 / 37 题