V.

Des avonds om zeven uur kwamen wij, geheel bestoven en vermoeid, de

groote, versterkte poort van de vesting N*** binnen. De ondergaande

zon wierp schuine rose stralen op de schilderachtige batterijen en

op de tuinen met de hooge populieren, die de vesting omgaven, op de

bebouwde, geelachtig schemerende velden en op de witte wolken, die

zich langs de besneeuwde bergtoppen opstapelden, alsof zij het hen

wilden nadoen en daar een tweede, niet minder wonderlijke en schoone

keten vormen. De kleine sikkel der wassende maan verscheen aan den

horizon als een doorzichtig wolkje. In den aul,[5] aan de poort van de

vesting gelegen, riep een Tartaar boven van het dak zijner leemen hut

de vromen op tot het gebed. De zangers zetten met nieuwen moed in.

[5] Dorp in de taal der inboorlingen

Na wat toilet gemaakt te hebben en een weinig uitgerust te zijn, begaf

ik mij naar een mijner vrienden, een adjudant, om hem te verzoeken

den generaal mijn voornemen mee te deelen. Buiten gekomen, had ik

gelegenheid in de vesting een schouwspel te zien, dat ik daar niet zou

verwacht hebben. Een koket rijtuig voor twee personen passeerde mij;

ik zag een elegant vrouwenhoedje en ving enkele brokken van een

gesprek in het Fransch op. Uit het openstaande venster van het huis

van den kommandant klonken de tonen van een of andere »Liesjes" of

»Kaatjes" polka, die op een ontstemde piano gespeeld werd. Toen ik

voorbij een café kwam, zag ik daar eenige schrijvers zitten met de

sigarette in den mond en een flesch wijn voor zich, en ik hoorde

een hunner zeggen: »Houdt mij ten goede.... wat de politiek betrof,

was Maria Grigorieffna bij ons de eerste..." Een oude jood met een

versleten jas aan en een ziekelijk voorkomen, torschte met moeite een

valsch draaiorgel, en over de geheele voorstad klonk de finale van

_Lucie de Lammermoor_.

Twee vrouwen in ruischende japonnen, zijden foulards om den hals en

hel gekleurde parasols in de hand, bewogen zich met lichten gang

vóór mij op het houten trottoir. Twee jonge meisjes, de eene in eene

hemelsblauw, de andere in eene rose kleedje, stonden blootshoofds voor

een huisje en lachten op een schelle en gedwongen manier, blijkbaar om

de attentie te trekken van de officieren, die voorbijgingen. De

officieren in nette uniform, met witte handschoenen en glinsterende

epauletten stapten trots over straat en den boulevard.

Ik vond mijn vriend in de beneden-verdieping van het huis des

generaals. Nauwelijks had ik mijn verlangen meegedeeld, en hij mij

verteld, dat daar geen bezwaren tegen waren, of wij zagen voor het

venster, waaraan wij stonden praten, het kokette rijtuig, dat ik

daareven gezien had. Het hield stil en er steeg een slank, zeer statig

man uit in de uniform van de linietroepen, met majoors-epauletten. Hij

ging bij den generaal binnen.

--Excuseer mij, zeide de adjudant, ik moet hem bij den generaal gaan

aandienen....

--Wie is er dan aangekomen? vroeg ik.

--De gravin, antwoordde hij terwijl hij zijne uniform dichtknoopte, en

vlug liep hij de trap op.

Een paar minuten later kwam er een gezet, maar knap man, met een jas

zonder epauletten en een wit kruis in het knoopsgat op het bordes. De

majoor, de adjudant en twee andere officieren volgden hem. Uit den

gang, de stem en al de bewegingen van den generaal bleek duidelijk,

dat hij doordrongen was van zijn hooge waarde.

--_Bonsoir, madame la comtesse_, zeide hij en reikte haar door het

portier de hand.

Een kleine, met fijn hondenleer gehandschoende hand drukte die van den

generaal, en een lief, lachend gezichtje werd onder een gelen hoed in

de opening zichtbaar.

Van het geheele gesprek, dat slechts een paar minuten duurde, hoorde

ik in 't voorbijgaan alleen den generaal glimlachend zeggen:

--Vous savez que j'ai fait voeu de combattre les infidèles, prenez

donc garde de le devenir.[6]

[6] Gij weet dat ik een gelofte gedaan heb om de ontrouwen (of:

ongeloovigen. Het is dus een woordspeling. Vert.) te bestrijden, pas

dus op dat gij het niet wordt.

Er klonk een heldere lach in het rijtuig:

--Adieu donc, cher général.

--Non, au revoir, zeide de generaal, terwijl hij de trap opging. Denk

er om, dat ik mijzelven inviteer voor de soirée van morgen.

Het rijtuig reed weg.

--Dat is nu een man, dacht ik op den terugweg, die alles heeft wat

een Rus begeert: een graad, rijkdom, hoogen adel; en die man staat

daar, den dag voor een veldslag, die God weet hoe zal afloopen, te

gekscheren met een lieve vrouw, en belooft haar, den volgenden avond

op de thee te komen, alsof hij haar op een bal had ontmoet.

Ik vond bij den adjudant ook nog een jongen man, over wien ik mij nog

meer verwonderde; het was een luitenant van het regiment K***, die

zich onderscheidde door zoo zachtmoedig en zoo verlegen als een jong

meisje te zijn. Hij was naar den adjudant gekomen om zijn spijt en

zijn verontwaardiging te uiten tegen anderen die, naar hij beweerde,

tegen hem intrigeerden, opdat hij geen deel zou nemen aan de

expeditie. Hij zeide dat het laag was aldus te handelen, dat het van

weinig kameraadschap getuigde, dat hij het zou onthouden, enz.

Hoe scherp ik zijn trekken bestudeerde, hoe aandachtig ik naar den

klank zijner stem luisterde, ik moest erkennen, dat hij niet veinsde.

Hij was werkelijk diep verontwaardigd en bedroefd, dat hij niet in de

gelegenheid zou zijn, op de Tscherkessen te schieten en aan hun

schoten bloot te staan. Hij was kwaad, evenals een kind, dat

onverdiend klappen heeft gekregen.... Mij was dat alles totaal

onbegrijpelijk.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 11 / 37 题