De zon had reeds de helft van hare baan doorloopen, en zond door de
gloeiende lucht hare stralen op de droge aarde af; de donkerblauwe
hemel was volkomen helder; alleen de voet der besneeuwde bergen werd
langzamerhand gehuld in een sluier van lichten witten damp. De stille
lucht scheen vervuld van een doorzichtig stof; het was ondragelijk
heet geworden. Halfweg het nachtkwartier, aan den oever eener beek,
hield het detachement halt. De soldaten zetten hunne geweren aan
rotten en snelden naar het water. De bataillons-commandant ging in de
schaduw op eene trom zitten en met een gezicht, waarop ten volle het
besef van het gewicht van zijn rang stond te lezen, maakte hij zich
gereed om met eenige zijner officieren te gaan eten. De kapitein
strekte zich op het gras uit, in de schaduw van den proviandwagen
der compagnie. De dappere luitenant Rozenkranz en nog eenige andere
jonge officieren gingen op hun uitgespreide mantels zitten en hadden
blijkbaar het voornemen zich duchtig te goed te doen, te oordeelen
naar het aantal flacons en flesschen, die werden klaargezet, en vooral
ook naar de bijzondere opgewektheid der zangers, die, in een halven
kring om hen heen gezeten, een nationalen dans van den Kaukasus zongen
op de wijze van de _Lesginka_:[4]
[4] Nationale dans der inboorlingen.
Schamyl wilde opstand maken
Eens heel lang geleden,
Traï-raï, ra-ta-taï....
Eens heel lang geleden.
Onder deze officieren was ook de piepjonge vaandrig, die ons des
morgens was voorbijgereden. Hij was zeer grappig, zijn oogen
schitterden, zijn tong sloeg een weinig dubbel; hij overstelpte ieder
met betuigingen van vriendschap. Arme jongen! Hij wist nog niet,
dat men in zulk een opgewondenheid belachelijk kon zijn, en dat de
openhartigheid en teederheid, waarmee hij zijne kameraden lastig viel,
hem niet hun genegenheid konden verwerven, maar hem hun spot op den
hals zou halen. Hij wist ook niet hoe mooi hij was, toen hij zich
eindelijk in gloeiende opwinding op zijn mantel uitstrekte, met het
hoofd op de armen en de dichte zwarte lokken naar achteren geworpen.
Twee officieren zaten onder den proviandwagen kaart te spelen op een
reiskoffer.
Ik luisterde nieuwsgierig naar de gesprekken der officieren en
soldaten, ik ging met een oplettend oog de uitdrukking hunner
gezichten na. Maar stellig kon ik bij geen hunner ook maar de schaduw
van de ongerustheid, die ik zelf gevoelde, opmerken: uit hun grappen,
hun gelach, hun verhalen sprak eene volmaakte onverschilligheid en
onbezorgheid voor de dreigende gevaren. Zij schenen er zelfs niet aan
te denken dat menigeen hunner niet meer langs dien weg zou
terugkeeren.