Nauwelijks kwam de zon achter de toppen der bergen op en verlichtte
de vallei, waar wij door trokken, of de mist trok op. Het werd warm.
De soldaten met het geweer op schouder en den ransel op den rug,
marcheerden langzaam voort op den stoffigen weg. Af en toe hoorde
men in de gelederen het dialect van de Ukraine en een vroolijk
gelach. Eenige oude soldaten in witte uniform--voor het meerendeel
onderofficieren--marcheerden op de flanken, met de pijp in den mond en
praatten ernstig samen. Rijtuigen, zwaar beladen en met drie paarden
bespannen, sukkelden langzaam voort en deden het stof oprijzen, dat
onbeweeglijk bleef hangen.
De officieren reden voorop. Eenigen »dhigiteerden" gelijk men in den
Kaukasus zegt, dat wil zeggen, zij zetten hun paarden met de zweep
aan, lieten ze vier, vijf sprongen maken, pareerden dan op de plaats
en wierpen het hoofd naar achter. Anderen schonken hun opmerkzaamheid
aan de muzikanten, die ondanks de drukkende hitte, het eene liedje
voor en het andere na speelden.
Een paar honderd schreden voor het detachement uit, reed, op een
grooten schimmel, een slank en knap officier in Aziatische uniform,
naast de bereden Tartaren.
Hij was in het heele regiment bekend om zijn dollen overmoed en als
een man, die ieder de waarheid durfde zeggen. Hij droeg een zwarten
bechmet met zilver galon, een pantalon van dezelfde kleur, nieuwe,
nauw om den voet sluitende laarzen met tschirazen (galons), een gele
Tcherkessenjas en een hooge, naar achter afloopende muts. Over borst
en rug liepen zilveren koorden, daaraan hingen op den rug kruithoren
en pistool; een tweede pistool en een dolk in zilveren schede hingen
aan den gordel. Over de kleeding was zijn sabel gegespt, die in een
prachtige, met zilver beslagen korduaan-lederen schede stak; over zijn
schouders hing zijn windbuks in zwart foedraal. Zijn kostuum, zijn
houding, zijn minste bewegingen verrieden, dat hij zich moeite gaf
voor een Tartaar gehouden te worden, ook sprak hij tot de Tartaren,
die naast hem reden, in eene taal, die mij onbekend was; maar uit de
verwonderde, spottende blikken, die zij met elkaar wisselden, maakte
ik op dat zij hem niet begrepen.
Het was een onzer jonge officieren, een van die dapperen, gevormd naar
de voorbeelden van Marlinsky en Lermontoff, die den Kaukasus slechts
zien door het prisma der »helden van onzen tijd[3]"; en in al zijn
handelingen volgde hij, niet zijn eigen neigingen, maar het voorbeeld
van deze helden.
[3] Toespeling op het type, door Lermontoff beschreven in »Helden van
onzen tijd".
Deze luitenant, bijvoorbeeld, was waarschijnlijk gesteld op het
gezelschap van fatsoenlijke dames en ernstige mannen--generaals,
kolonels, oversten;--ja, ik weet zeker dat hij van zulk gezelschap
hield, want hij was in de hoogste mate ijdel; maar toch achtte hij
zich onvoorwaardelijk verplicht, alle ernstige mannen den rug toe te
keeren, met een soort van beschaafde lompheid, en als er eene dame
in het fort kwam, rekende hij het zich tot plicht met zijn vrienden,
slechts in een rood hemd gekleed en de bloote voeten met lappen
omwikkeld, langs haar venster te loopen en zooveel mogelijk leven te
maken, volstrekt niet om haar te beleedigen, maar om haar te laten
zien dat hij mooie blanke voeten had, en dat men gemakkelijk verliefd
op hem kon worden, als hij er zich maar toe wilde leenen.
Of wel hij ging vaak met twee of drie onderworpen Tartaren heele
nachten het gebergte in; dan gingen zij de vijandelijke Tartaren
beloeren en doodschieten; en, hoewel zijn gevoel hem vaak genoeg
zeide, dat daar niets heldhaftigs in was, meende hij dat het zijn
plicht was die menschen te doen lijden, die hem, naar hij zich
verbeeldde, teleurstellingen bereid hadden en die hij haatte en
verachtte. Hij droeg altijd twee dingen bij zich: een zeer groot
heiligenbeeld om zijn hals en een dolk aan een riem boven zijn hemd;
hij legde ze zelfs niet af als hij naar bed ging. Hij geloofde vast
dat hij vijanden had; zich zelf wijs te maken dat hij zich op anderen
had te wreken, en een beleediging in bloed moest uitwisschen, was zijn
hoogste genot. Hij was stellig overtuigd dat deze gevoelens van haat,
van wraak en van verachting voor het menschdom verheven en dichterlijk
waren: maar zijne maîtresse, een Tcherkessische natuurlijk, verzekerde
mij, toen ik haar later toevallig eens sprak, dat hij een uiterst
zacht en goedaardig man was, en dat hij des avonds na eerst sombere
aanteekeningen neergeschreven te hebben, netjes zijn inkomsten en
uitgaven noteerde en op de knieën zijn gebed deed. Hoeveel had hij al
niet geleden om alleen voor zich zelf te _schijnen_ wat hij wilde
_zijn_! Want zijn kameraden en de soldaten hadden een geheel andere
meening van hem dan hij hun wilde geven.
Op zekeren keer, bij een zijner nachtelijke excursies, gebeurde het
dat hij een Tschetscheensch opstandeling aan het been kwetste en
krijgsgevangen maakte. Deze Tschetscheen leefde zeven weken aan één
stuk bij den luitenant, die hem als zijn besten vriend oppaste, en
toen hij genezen was, zond hij hem weg met geschenken. Later, op eene
expeditie, toen de luitenant zich met de voorpostenlinie moest
terugtrekken, hoorde hij in de vijandelijke gelederen zijn naam
roepen: zijn vriend, de Tschetscheen, kwam naar voren rijden en wenkte
hem. De luitenant kwam nader en drukte hem de hand; de bergbewoners
waren in de nabijheid, maar schoten niet, doch nauwelijks had hij zijn
paard gewend, of er werden verscheidene schoten op hem gelost, en een
kogel ontvelde hem de dij.
Een anderen keer, zag ik zelf hoe in het fort brand uitbrak: twee
compagnieën waren bezig met blusschen. Midden in die menigte, hel door
de vlammen verlicht, vertoonde zich eensklaps de silhouet van een man
te paard. De donkere gedaante baande zich een doortocht en naderde
tot vlak bij het vuur. Toen sprong de luitenant--hij was het--van het
paard en wierp zich in den vuurgloed. Vijf minuten later kwam hij er
uit, met verschroeide haren en verzengde mouwen en beschermde met
zijne armen twee duiven, die hij uit de vlammen had gered.
Hij heette Rosenkranz. Maar hij sprak gaarne van zijne voorouders, die
hij tot de Warägers liet opklimmen, en hij zocht ons zonneklaar te
bewijzen, dat zijne voorvaderen en hij volbloed Russen waren.