III.

Nauwelijks kwam de zon achter de toppen der bergen op en verlichtte

de vallei, waar wij door trokken, of de mist trok op. Het werd warm.

De soldaten met het geweer op schouder en den ransel op den rug,

marcheerden langzaam voort op den stoffigen weg. Af en toe hoorde

men in de gelederen het dialect van de Ukraine en een vroolijk

gelach. Eenige oude soldaten in witte uniform--voor het meerendeel

onderofficieren--marcheerden op de flanken, met de pijp in den mond en

praatten ernstig samen. Rijtuigen, zwaar beladen en met drie paarden

bespannen, sukkelden langzaam voort en deden het stof oprijzen, dat

onbeweeglijk bleef hangen.

De officieren reden voorop. Eenigen »dhigiteerden" gelijk men in den

Kaukasus zegt, dat wil zeggen, zij zetten hun paarden met de zweep

aan, lieten ze vier, vijf sprongen maken, pareerden dan op de plaats

en wierpen het hoofd naar achter. Anderen schonken hun opmerkzaamheid

aan de muzikanten, die ondanks de drukkende hitte, het eene liedje

voor en het andere na speelden.

Een paar honderd schreden voor het detachement uit, reed, op een

grooten schimmel, een slank en knap officier in Aziatische uniform,

naast de bereden Tartaren.

Hij was in het heele regiment bekend om zijn dollen overmoed en als

een man, die ieder de waarheid durfde zeggen. Hij droeg een zwarten

bechmet met zilver galon, een pantalon van dezelfde kleur, nieuwe,

nauw om den voet sluitende laarzen met tschirazen (galons), een gele

Tcherkessenjas en een hooge, naar achter afloopende muts. Over borst

en rug liepen zilveren koorden, daaraan hingen op den rug kruithoren

en pistool; een tweede pistool en een dolk in zilveren schede hingen

aan den gordel. Over de kleeding was zijn sabel gegespt, die in een

prachtige, met zilver beslagen korduaan-lederen schede stak; over zijn

schouders hing zijn windbuks in zwart foedraal. Zijn kostuum, zijn

houding, zijn minste bewegingen verrieden, dat hij zich moeite gaf

voor een Tartaar gehouden te worden, ook sprak hij tot de Tartaren,

die naast hem reden, in eene taal, die mij onbekend was; maar uit de

verwonderde, spottende blikken, die zij met elkaar wisselden, maakte

ik op dat zij hem niet begrepen.

Het was een onzer jonge officieren, een van die dapperen, gevormd naar

de voorbeelden van Marlinsky en Lermontoff, die den Kaukasus slechts

zien door het prisma der »helden van onzen tijd[3]"; en in al zijn

handelingen volgde hij, niet zijn eigen neigingen, maar het voorbeeld

van deze helden.

[3] Toespeling op het type, door Lermontoff beschreven in »Helden van

onzen tijd".

Deze luitenant, bijvoorbeeld, was waarschijnlijk gesteld op het

gezelschap van fatsoenlijke dames en ernstige mannen--generaals,

kolonels, oversten;--ja, ik weet zeker dat hij van zulk gezelschap

hield, want hij was in de hoogste mate ijdel; maar toch achtte hij

zich onvoorwaardelijk verplicht, alle ernstige mannen den rug toe te

keeren, met een soort van beschaafde lompheid, en als er eene dame

in het fort kwam, rekende hij het zich tot plicht met zijn vrienden,

slechts in een rood hemd gekleed en de bloote voeten met lappen

omwikkeld, langs haar venster te loopen en zooveel mogelijk leven te

maken, volstrekt niet om haar te beleedigen, maar om haar te laten

zien dat hij mooie blanke voeten had, en dat men gemakkelijk verliefd

op hem kon worden, als hij er zich maar toe wilde leenen.

Of wel hij ging vaak met twee of drie onderworpen Tartaren heele

nachten het gebergte in; dan gingen zij de vijandelijke Tartaren

beloeren en doodschieten; en, hoewel zijn gevoel hem vaak genoeg

zeide, dat daar niets heldhaftigs in was, meende hij dat het zijn

plicht was die menschen te doen lijden, die hem, naar hij zich

verbeeldde, teleurstellingen bereid hadden en die hij haatte en

verachtte. Hij droeg altijd twee dingen bij zich: een zeer groot

heiligenbeeld om zijn hals en een dolk aan een riem boven zijn hemd;

hij legde ze zelfs niet af als hij naar bed ging. Hij geloofde vast

dat hij vijanden had; zich zelf wijs te maken dat hij zich op anderen

had te wreken, en een beleediging in bloed moest uitwisschen, was zijn

hoogste genot. Hij was stellig overtuigd dat deze gevoelens van haat,

van wraak en van verachting voor het menschdom verheven en dichterlijk

waren: maar zijne maîtresse, een Tcherkessische natuurlijk, verzekerde

mij, toen ik haar later toevallig eens sprak, dat hij een uiterst

zacht en goedaardig man was, en dat hij des avonds na eerst sombere

aanteekeningen neergeschreven te hebben, netjes zijn inkomsten en

uitgaven noteerde en op de knieën zijn gebed deed. Hoeveel had hij al

niet geleden om alleen voor zich zelf te _schijnen_ wat hij wilde

_zijn_! Want zijn kameraden en de soldaten hadden een geheel andere

meening van hem dan hij hun wilde geven.

Op zekeren keer, bij een zijner nachtelijke excursies, gebeurde het

dat hij een Tschetscheensch opstandeling aan het been kwetste en

krijgsgevangen maakte. Deze Tschetscheen leefde zeven weken aan één

stuk bij den luitenant, die hem als zijn besten vriend oppaste, en

toen hij genezen was, zond hij hem weg met geschenken. Later, op eene

expeditie, toen de luitenant zich met de voorpostenlinie moest

terugtrekken, hoorde hij in de vijandelijke gelederen zijn naam

roepen: zijn vriend, de Tschetscheen, kwam naar voren rijden en wenkte

hem. De luitenant kwam nader en drukte hem de hand; de bergbewoners

waren in de nabijheid, maar schoten niet, doch nauwelijks had hij zijn

paard gewend, of er werden verscheidene schoten op hem gelost, en een

kogel ontvelde hem de dij.

Een anderen keer, zag ik zelf hoe in het fort brand uitbrak: twee

compagnieën waren bezig met blusschen. Midden in die menigte, hel door

de vlammen verlicht, vertoonde zich eensklaps de silhouet van een man

te paard. De donkere gedaante baande zich een doortocht en naderde

tot vlak bij het vuur. Toen sprong de luitenant--hij was het--van het

paard en wierp zich in den vuurgloed. Vijf minuten later kwam hij er

uit, met verschroeide haren en verzengde mouwen en beschermde met

zijne armen twee duiven, die hij uit de vlammen had gered.

Hij heette Rosenkranz. Maar hij sprak gaarne van zijne voorouders, die

hij tot de Warägers liet opklimmen, en hij zocht ons zonneklaar te

bewijzen, dat zijne voorvaderen en hij volbloed Russen waren.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 9 / 37 题