II.

Den volgenden dag kwam de kapitein mij om vier 's morgens halen.

Hij droeg een oude, afgedragen overjas, zonder epauletten, de wijde

broek der Lesghis[1], een witte papakha[2] met gele voering een

onaanzienlijke, Aziatische sabel aan een riem over de borst. De kleine

schimmel, dien hij bereed, liep met het hoofd omlaag in rustigen tred

en zwaaide onophoudelijk met zijn dunnen staart. Hoewel de kapitein er

volstrekt niet krijgshaftig en evenmin elegant uitzag, sprak uit zijn

voorkomen toch zooveel onverschilligheid voor alles om hem heen, dat

hij onwillekeurig achting inboezemde.

[1] Een Kaukasische volksstam.

[2] Muts van astrakan.

Ik liet hem geen oogenblik wachten, steeg dadelijk te paard en wij

reden met ons beiden door de groote poort het fort uit.

Het bataljon was ons reeds een paar kilometer vooruit en deed zich aan

ons voor als een zwarte, compacte, waggelende massa. Alleen aan de

bajonetten, die er als een bundel lange naalden boven uitstaken, zag

men dat het infanterie was. Af en toe werd ons oor getroffen door het

gezang der soldaten, door tromgeroffel of door de prachtige stem van

den tenor der zesde compagnie, naar wien ik in het fort dikwijls met

veel genoegen had geluisterd.

De weg ging midden door een diepen, breeden pas, langs een riviertje,

dat op dit oogenblik »speelde," d.w.z. buiten zijn oevers was

getreden. Geheele scharen wilde duiven fladderden boven de golven,

streken nu eens neer op den steenachtigen oever, beschreven dan weer

in de lucht snelle cirkels en verdwenen uit het gezicht. De zon was

nog niet zichtbaar, maar de toppen der bergen aan de rechterzijde van

den pas werden steeds lichter. De grijze en witachtige rotsen, het

geelachtig groene mos, de met dauw bedekte struiken van kruisdoorns,

mispels en kurkolmen teekenden zich buitengewoon scherp af in het

gouden licht der opgaande zon; daarentegen hing over de hoogte aan

den tegenovergestelden kant en over den hollen weg nog een sluier van

dichten mist, die zich als een zware rook in ongelijke lagen verdeelde

en zich langzaam verplaatste; in zijn sombere vochtigheid vertoonde

hij een mengeling van onbepaalde kleuren: bleek lila, zwartachtig

donker-groen en wit. Dicht voor ons, teekenden zich de helderwitte

massa der besneeuwde bergen verwonderlijk helder tegen het donkere

azuur van den horizon af, met hun wonderlijke tot in de kleinste

bijzonderheden mooie schaduwen en omtrekken. Krekels, sprinkhanen en

duizenden andere insecten ontwaakten in het hooge gras en vervulden de

lucht met hun scherp en aanhoudend gesjirp. Het was of een tallooze

menigte uiterst fijne klokjes ons in het oor klonken. Tegelijk met de

lucht ademde men het water, den nevel en den geur van het gras in, al

de geuren van een schoonen zomermorgen.

De kapitein sloeg vuur en stak zijne pijp aan; de geur van zijne

tabak en zijn tonder leek mij buitengewoon aangenaam. Wij hadden

een korteren weg genomen om de infanterie sneller in te halen. Het

kwam mij voor, dat de kapitein meer in gedachten verzonken was dan

gewoonlijk; zijn tanden lieten zijn Daghestansch pijpje geen oogenblik

los, en bij iederen stap raakten zijn hielen zijn paard, dat, ietwat

slingerend gaande, een nauw merkbaar donker groen spoor achterliet in

het vochtige, hooge gras. Tusschen de hoeven van het paard vloog een

fazant op, met een gekakel en vleugelgeklepper, waarvan een jager zou

zijn opgesprongen en steeg langzaam omhoog.

De kapitein schonk hem niet de minste aandacht. Wij waren reeds dicht

bij het bataljon, toen achter ons de hoefslag van een galoppeerend

paard weerklonk, en op hetzelfde oogenblik reed een zeer aardige,

jonge man in officiersuniform met een hooge muts van wit astrakan

op, ons voorbij. Toen hij naast ons was, glimlachte hij, knikte den

kapitein toe en salueerde met zijne rijzweep. Ik had enkel tijd om

op te merken dat hij bijzonder kranig in 't zadel zat en de teugels

hield, dat hij fraaie zwarte oogen en een fijnen neus had en dat de

vlashaartjes van zijn knevel eventjes begonnen uit te komen. Wat mij

vooral in hem bekoorde, was de glimlach, dien hij niet kon inhouden,

toen hij bemerkte dat wij met genoegen naar hem keken. Aan dien

glimlach alleen zou men hebben kunnen besluiten, dat hij nog zeer jong

was.

--Waar vliegt die naar toe? mompelde de kapitein met een ontevreden

gezicht, zonder zijn pijp uit zijn mond te nemen.

--Wie is het? vroeg ik.

--De vaandrig Alanine, van mijne compagnie. Hij is eerst de vorige

maand bij het corps gekomen, zoo pas van het kadettenkorps.

--Dus dit is zeker het eerste gevecht dat hij zal bijwonen? vroeg ik.

--Ja, en juist daarom is hij zoo vroolijk, zeide de kapitein en

schudde het hoofd met een wijsgeerig gezicht.--O die jeugd!

--En waarom zou hij niet vroolijk zijn? Ik begrijp heel goed, dat dit

voor een jongmensch zeer interessant moet zijn.

De kapitein zweeg een paar minuten.

--Jawel, zooals ik zeide, 't is de jeugd! hernam hij met een diepe

basstem.--Hoe kan men er zich op verheugen voordat men er iets van

gezien heeft? Als hij een paar gevechten heeft bijgewoond, zal hij

niet meer zoo verrukt zijn. Wij zijn op dit oogenblik zoowat met ons

twintigen officieren. Een van ons wordt gewond of gedood, dat is

zeker: vandaag ik, morgen gij, overmorgen een derde. Wat is daar nu

voor prettigs in?

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 8 / 37 题