I.

Het was den 12den Juli. Kapitein Chlopoff kwam met zijn epauletten en

zijn sabel--die ik hem nog niet had zien dragen sinds mijn komst in

het Kaukasische leger--de lage deur van mijne hut binnen.

--Ik kom regelrecht van den kolonel, antwoordde hij op den vragenden

blik, dien ik hem toewierp; morgen rukt ons bataljon uit.

--Waarheen? vroeg ik.

--Naar N***. Daar zullen zich de troepen verzamelen.

--En vandaar uit zal men zeker een marsch maken?

--Waarschijnlijk wel.

--En waarheen dunkt u?

--Wat ik ervan denk? Ik kan u alleen zeggen wat ik weet. Gisteren

nacht kwam spoorslags een Tartaar aanrijden, en bracht bevel van den

generaal, dat het bataljon moest opbreken en voor twee dagen beschuit

meenemen. Maar waarheen, waarom, en voor hoelang, daar vragen wij niet

naar, vriendje. Er is bevel gegeven om op te marcheeren, en daarmee

uit!

--Maar als er slechts voor twee dagen beschuit wordt meegenomen, zal

men ook wel niet langer onderweg blijven?

--O, dat is nog geen reden...

--Hoe dat?... vroeg ik verwonderd.

--Och, dat gaat zoo. Wij marcheerden eens naar Darghi, hadden slechts

voor acht dagen beschuit bij ons, en bleven bijna een maand uit.

--Zou ik mee mogen gaan? vroeg ik hem, na een oogenblik zwijgen.

--Mogen zult ge wel. Maar ik zou u raden om liever niet mee te gaan.

Waarvoor zoudt gij uw leven op het spel zetten?

--Neen, houd mij ten goede dat ik uw raad niet opvolg... Ik heb het

al ruim eene maand hier uitgehouden allèèn om de gelegenheid af te

wachten een gevecht bij te wonen; en zoudt ge willen dat ik die

gelegenheid dan nu voorbij zou laten gaan?

--Ga dan mee. Maar waarachtig zou het niet beter zijn hier te blijven?

Gij zoudt hier kunnen wachten, tot we terug kwamen en wat jagen,

terwijl wij met God gingen. Waarachtig, dat zou het beste zijn!

zeide hij op zulk een overtuigenden toon, dat het mij een oogenblik

voorkwam, dat het werkelijk heerlijk zou zijn; daarna zeide ik hem,

zoo beslist mogelijk, dat ik voor geen geld zou willen achter blijven.

--Maar wat wilt gij dan zien daar ginds? ging de kapitein voort mij te

overreden. Wilt gij weten hoe het in een veldslag toegaat? Lees dan

Michaïloffsky-Danileffsky's _Beschrijving van den Oorlog_, een wonder

mooi boek; alles is er haarfijn in beschreven: hoe de verschillende

corpsen opgesteld waren, en hoe het in een veldslag toegaat.

--O, neen, dat interesseert mij juist niet, antwoordde ik.

--Maar wat dan? Wilt gij alleen maar zien hoe men menschen

doodslaat?... Zoo hadden wij hier in 1832, ook zoo'n burger, een

Spanjaard, geloof ik. Hij maakte twee veldtochten met ons mee in zijn

blauw manteltje... Welnu, de snaak werd tenslotte doodgeschoten. Hier

zal geen mensch je erg bewonderen, vriendje.

Hoe pijnlijk ik het ook vond dat de kaptein zich mijn bedoeling in

zulk een hatelijken zin uitlegde, deed ik toch geen moeite hem uit den

droom te helpen.

--Was hij dapper? vroeg ik hem.

--Dat weet God! Hij was altijd vooraan; overal waar men

geweergeknetter hoorde, was hij te vinden.

--Hij moet dus wel dapper geweest zijn, herhaalde ik.

--Neen, dat noem ik nog geen dapperheid, om overal rond te loopen,

waar men hem niet noodig had...

--Wien zoudt gij dan dapper noemen?

--Dapper! dapper!... herhaalde de kapitein op die manier van iemand,

wien men voor het eerst een dergelijke vraag doet.... _Dapper is hij,

die zich gedraagt zooals het behoort_, zeide hij, na een oogenblik

nadenkens.

Ik herinnerde mij dat Plato de volgende definitie van moed geeft:

»weten wat men moet vreezen en wat men niet moet vreezen." En ondanks

het vage en onduidelijke in de definitie van den kapitein, kwam het

mij voor dat de grondgedachte bij beiden niet zoo slecht was, als

het misschien schijnt, ja, de definitie van den kapitein was zelfs

nauwkeuriger dan die van den Griekschen wijsgeer; want, als hij zich

had kunnen uitdrukken als Plato, zou hij stellig gezegd hebben: Dapper

is, wie alleen vreest _hetgeen men moet vreezen_, en niet vreest

_hetgeen men niet moet vreezen_.

De lust bekroop me den kapitein mijne meening duidelijk te maken.

--Ja, zeide ik, mij dunkt dat er in elk gevaar een keus gedaan

moet worden, en de keus, die bij voorbeeld door het plichtgevoel

geïnfluenceerd wordt, is moed, terwijl de keus, die men doet onder den

invloed uit een of ander laag gevoel, lafheid is. Daarom kan men een

man, die uit ijdelheid, of uit nieuwsgierigheid of uit hebzucht, zijn

leven waagt, niet dapper noemen, en omgekeerd kan men een man, die

onder den invloed van een eerbiedwaardig gevoel, terwille zijner

familie of enkel uit overtuiging, het gevaar vermijdt, niet laf

noemen.

Terwijl ik sprak, keek de kapitein mij met eene vreemde uitdrukking

aan.

--Ja, dat gaat me te hoog, zeide hij onder het stoppen van zijne

pijp.--Maar wij hebben een jonker die ook van philosopheeren houdt;

praat eens met hem; hij maakt ook verzen.

Ik had den kapitein reeds in Rusland ontmoet, maar eerst in den

Kaukasus had ik hem leeren kennen.

Zijne moeder, Maria Ivanoffna Chlopoffa, bezat een klein landgoed

en woonde twee wersten van mijn bezitting af. Vóór mijn vertrek naar

den Kaukasus had ik haar een bezoek gebracht. De oude dame was zeer

verheugd dat ik haar Paschenka (zoo noemde zij den ouden kapitein,

wiens haren reeds begonnen te grijzen) zou zien, en dat ik, als een

levende brief, hem allerlei bijzonderheden over haar leven en doen

kon vertellen en hem een pakje van haar kon overbrengen. Na mij op

uitstekende taart en gebraden gans onthaald te hebben, ging Maria

Iwanoffna naar hare slaapkamer en kwam terug met eene tamelijk groot

zwart, heiligenbeeld aan een zijden lintje.

--Dat is het beeld van onze Moeder Gods, zeide zij, onze

beschermheilige, en kuste het beeld der Heilige Maagd, dat zij mij

vervolgens overhandigde.--Breng hem dat, vadertje. Ziet gij, toen hij

naar den Kaukasus vertrok, heb ik eene mis laten lezen, en ik deed

de gelofte, dat als hij in leven en ongewond bleef, ik dit beeld

der Heilige Maagd zou laten maken. En nu al achttien jaar waken de

barmhartige beschermvrouw en de heiligen over hem; niet èèn enkelen

keer is hij gewond, en hoeveel veldslagen heeft hij al niet

meegemaakt! Toen Michaïlo, die bij hem is geweest, mij daarvan begon

te vertellen, wilt gij wel gelooven, dat de haren mij toen ten berge

rezen? Ziet ge, alles wat ik daarvan weet, heb ik van anderen; hij

zelf, mijn duifje, schrijft mij nooit iets over zijne campagnes; hij

is te bang om mij angst aan te jagen....

Ik zelf had in den Kaukasus gehoord en niet van den kapitein zelf, dat

hij reeds viermaal gewond was, en inderdaad, hij had er niets van aan

zijne moeder geschreven, zoo min als over zijn veldtochten.

--Laat hij nu dit heiligenbeeldje bij zich dragen, vervolgde zij, ik

zegen hem daarmee. Vooral in het gevecht moet hij het altijd bij zich

dragen; zeg hem, vadertje, dat zijne moeder hem dat laat zeggen.

Ik beloofde, mij getrouw van hare opdracht te zullen kwijten.

--Ik weet zeker, dat gij van hem houden zult, van mijn Paschenka,

hernam de oude dame.--Het is zoo'n flink mensch! Geloof mij, er gaat

geen jaar voorbij dat hij mij geen geld stuurt, en mijne dochter,

Annuschka helpt hij ook, alles alleen van zijne soldij. Waarlijk, ik

zal God mijn leven lang danken, dat hij mij zulk een kind gegeven

heeft, zeide zij met tranen in de oogen.

--Schrijft hij u dikwijls? vroeg ik.

--Zelden, vadertje; eens per jaar misschien, en ook soms wel een

woordje, als hij het geld stuurt. Als ik u niet schrijf, moedertje,

heeft hij gezegd, dan is dat een teeken dat ik nog leef en gezond ben;

en indien--wat God verhoede--er mij iets mocht overkomen, zullen

anderen het u wel schrijven.

.... Toen ik den kapitein het geschenk zijner moeder ter hand stelde,

(het was in mijn kamer) vroeg hij mij een stuk papier, wikkelde het

daar zorgvuldig in en stak het in zijn zak. Ik vertelde hem veel en

uitvoerig over het leven van zijne moeder: de kapitein zweeg. Toen ik

gedaan had, ging hij in een hoek zitten en stopte opvallend langzaam

zijne pijp.

--Ja, een goed oudje, zeide hij uit zijn hoek, met iets gedempts in

zijn stem; ik weet niet of God zal toestaan dat wij elkaar nog eens

zien.

In die eenvoudige woorden lag zeer veel liefde, maar tevens droefheid

opgesloten.

--Waarom dient gij hier? vroeg ik.

--Men moet wel ergens dienen, antwoordde hij, op een toon van

overtuiging, en voor een armen duivel als ik, is de dubbele soldij,

die wij hier trekken, ook veel waard.

De kapitein leefde zuinig. Kaartspelen deed hij niet, wijn dronk hij

zelden, en hij rookte een goedkoope tabak, die hij, waarom weet ik

niet, niet rooktabak, maar sambrotalische tabak noemde.

Reeds voor dien tijd beviel de kapitein mij; hij had een van die

eenvoudige, kalme Russische gezichten, die men gemakkelijk en met

genoegen recht in de oogen kijkt. Maar na dit onderhoud had ik een

waar gevoel van hoogachting voor hem.

Kaukasische vertellingen Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad · 第 7 / 37 题