Een ander maal zullen wij het gedeelte van den Rijn tusschen
Straatsburg en Lauterburg bevaren. Wij moeten nu eerst den stroom
weer opvaren en onze wandeling voortzetten door de Sundgau en
het Hartwald. Maar alvorens daarheen te gaan, kan ik den lust niet
bedwingen, nog weer eens om te dolen op de eilanden in de oude rivier:
laat het zijn om te teekenen en, lukt het, ook te jagen. Wie op de
manier van onze moderne toeristen door een land heenvliegt, leert het
immers nooit kennen; en onze schoone Elzas is het inderdaad wel waard,
goed bezien en gekend te worden.
In den vroegen morgen van den 24sten September ging ik met den schilder
Lix op weg naar Plobsheim, om daar onzen gemeenschappelijken vriend
Louis Schutzenberger op te zoeken, die op zoo menige schilderij
de natuur en het leven langs de boorden en op de eilanden van den
Rijn met treffende waarheid en diep gevoel heeft weergegeven. De
kunstenaar, die naar buiten was gegaan om te jagen, had voor het
oogenblik zijn intrek genomen bij de villa Finck. De villa Finck, wel
bekend bij alle jachtliefhebbers in Straatsburg, is eene eenvoudige
visschershut, verbonden met eene tapperij. De huurders der omringende
jachtterreinen hebben daarnaast een witgepleisterd huisje gebouwd,
waarin ieder van de gasten, naar eigen lust en smaak, zijn nachtlogies
inricht, hetzij in een hangmat, hetzij op eene eenvoudige matras. Als
de regen lang aanhoudt, of als het te koud wordt, kan men zich bij
het vuur warmen. Moeder Finck, de kookvrouw, heeft in haar kelder
een zekeren witten wijn, waarvan de goede oude vrouw zelve wel wat
druk proeft. Over het eten behoeft men zich niet bekommerd te maken:
de stille wateren van de voormalige Rijntakken wemelen van visch,
en het wild van allerlei soort is niet minder overvloedig. Zelfs de
minst geoefende jagers kunnen zooveel wilde zwijnen en reeën, hazen,
otters, dassen, eenden, kievitten, patrijzen en fazanten, snippen en
pluvieren schieten, als zij maar verkiezen.
Wellicht kunnen niet al mijne lezers zich eene duidelijke voorstelling
maken van de villa Finck, ook al deel ik hun mede, dat zij op vijftien
mijlen afstands van Straatsburg ligt, in de gemeente Plobsheim, op
een eiland in den Rijn. Welnu, verbeeld u een open plek in het bosch,
ter uitgestrektheid van een bunder, aan den eenen kant besproeid door
een voormaligen arm der rivier, aan de andere zijde ingenomen door
het jachthuis en de visschershut; rondom die woningen een moestuin met
vruchtboomen en een op latwerk rustende wingerd, waaraan donkerblauwe
druiven hangen. Tegen den muur van het huis hangen een aantal fuiken;
terwijl aan den waterkant een groot, op palen uitgespannen kruisnet
hangt te drogen. Eenige blondharige kinderen, flink en gezond van
uitzicht, barrevoets, spelen met een troepje tamme eenden, die zich
voor de deur hebben verzameld, maar zoo straks weder te water zullen
gaan. Een gedeelte van dit terrein behoort aan den visscher Finck, die
hier woont met zijne zonen en kleinkinderen; het overige wordt bebouwd
door boeren uit het naburige dorp. Een koel en lommerrijk pad voert,
midden door het eikenbosch, naar Plobsheim. Hier en daar worden de
eiken afgewisseld door populieren, elzen en wilgen, als ook door de
heesters en struiken, die gemeenlijk op lage vochtige plaatsen groeien.
Toen wij aankwamen scheen het mooi weer. Bij ons vertrek van
Straatsburg, omstreeks zes uren in den morgen, hing er een dikke
nevel over de weilanden en over het water. Nu schijnt de zon helder
en warm, en ondanks eenige min of meer verdachte wolken, zal de zon
ook den geheelen dag blijven schijnen:--althans naar de verzekering
van vader Finck, die ons zeer hartelijk ontvangen heeft en dien ik
u nog moet voorstellen. Vader Finck is visscher van beroep, maar
oefent daarnevens, als de gelegenheid gunstig is, ook het bedrijf
van strooper uit. Hij is altijd op den uitkijk: geen schepsel kan
zich boven, op, of in de wateren onder de aarde bewegen, of hij merkt
het op met zijn scherpen, doordringenden, loerenden valkenblik, die
altijd naar eene prooi schijnt te speuren. Naar men ons verhaalde,
had die brave man eertijds een bijzonder zwak voor het wild op den
badenschen oever. De hemel mag weten, hoeveel reeën en fazanten
hij, zonder jachtakte of vergunning, aan den overkant van den Rijn
gevangen heeft! Geen wonder dat hij nu en dan in botsing kwam met de
jachtopzieners en veldwachters, die op hem loerden. Op zekeren dag of
in zekeren nacht--de kroniek vermeldt niet of het feit bij zon- of bij
maanlicht plaats greep,--keerde de visscher-strooper naar huis terug
met een portie ganzenhagel in zeker lichaamsdeel. Zoo iets vergeet
men niet licht, vooral omdat Finck wist welke jachtopziener hem die
poets gebakken had. Eenigen tijd daarna lag onze vriend, wiens wonden
waren geheeld, maar die even onbekeerlijk was gebleven, op de loer in
de biezen. Hij zag den jachtopziener, die hem zoo goed geraakt had,
zijn geweer op een zonnig plekje in het gras nederleggen, vervolgens
zijne kleederen uittrekken en bij zijn geweer leggen, en eindelijk
in het water afdalen. Nauwelijks was de jachtopziener in het bad,
of de strooper sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn, en maakte
zich in een oogwenk meester van de kleederen en ook van het geladen
geweer. Toen riep hij op spottenden toon den onthutsten jachtopziener
toe, dat hij hem de keus liet, waar hij den kogel, dien hij, Finck, hem
nog schuldig was, wilde ontvangen, in zijn hoofd of ergens anders. De
badensche jachtopziener, die bij ondervinding wist dat de strooper
nooit zijn doel miste, stond daar, ter dood verschrikt... "Kom aan,
neen!" voer Finck voort, "ik zal u niet dooden. Maar vergeet niet dat
ik uw leven in mijne hand heb gehad."--En zonder de dankbetuiging van
den opziener af te wachten, verwijderde de strooper zich. Later zijn
beiden goede vrienden geworden: volgens booze tongen zelfs zoo goed,
dat zij voor gezamenlijke rekening stroopten.
Al was ons bezoek bij Schutzenberger onverwacht, de ontvangst was
er niet minder hartelijk om. De jagers lagen nog in bed; terwijl
zij zich gereed maakten om op te staan, namen wij een kijkje voor
het venster. O ramp! het is eensklaps gedaan met het mooie weer:
de lucht is geheel betrokken. Terwijl onze vrienden zich aankleeden,
regent het reeds vrij hard. En nog geen uur geleden, verzekerde vader
Finck ons dat de zon den geheelen dag schijnen zou! Wij vertrouwden
op zijn woord en rekenden op zijne weerkennis. Immers, een inboorling
van de eilanden in den Rijn, die zijn leven lang in de buitenlucht
heeft verkeerd, die vijftig jaren achtereen het beroep van visscher
en strooper heeft uitgeoefend, zoo iemand dient toch de voorteekenen
van goed of slecht weer te kunnen onderscheiden! Nu, als ware hij
een almanak, antwoordt hij, dat het best mogelijk den geheelen dag
kan regenen. Natuurlijk, als het geen mooi weer is, zal het wel
regenen! Maar, als om den spot te drijven met den profeet, keert de
wind en de regen houdt op. Na verloop van eenige oogenblikken schijnt
de zon weer zoo helder als ooit. Na een landelijk ontbijt gebruikt te
hebben, gaan Schutzenberger en de andere heeren op de patrijzenjacht,
om voor het diner te zorgen. Lix en ik gaan met den zoon van Finck
een watertochtje op den rivierarm maken, vooral met het doel om te
teekenen en te schetsen.
Hoe heerlijk is toch zulk een watertochtje, onder den lommer der
overhangende takken. Op dezen grillig kronkelenden voormaligen arm
van den Rijn behoeven wij niet eens de riemen te gebruiken; met een
eenvoudigen boom kan onze schipper aan de boot de gewenschte richting
en beweging geven. Bij de villa Finck verheft zich de oever ter
hoogte van drie el boven het kristalheldere water, rustig kabbelend
over eene bedding van fijn kiezelzand. Verscheidene bootjes liggen
hier aan den oever, voorzien van teenen korven, waarin de visch
geborgen wordt. Langs den oever staan oude knoestige wilgen naast
kleine knotwilgen, beiden nog prijkende in den dos hunner grijsachtig
zilveren bladeren. Op den achtergrond breiden krachtvolle eiken hunne
zware takken over het kreupelhout uit. Het hooge geboomte en het lage
hout, doornstruiken en heesters, het heldere water, de weilanden
en akkers--wat bieden ze een rijkdom van telkens afwisselende
gezichten. Voeg daarbij de volmaakte kalmte, de vredige stilte en
rust, een zeker geheimzinnig iets, dat onwillekeurig tot ernst stemt
en zoo weldadig aandoet.--De Rijn is voor het oogenblik laag. In
den vroegeren arm der rivier, waarop wij zachtkens voortglijden
tusschen beurtelings kale en boschrijke oevers, nu eens in den vollen
zonneschijn, dan wegduikende in den half doorzichtigen lommer, is de
stroom vrij zwak. Somwijlen nemen riet en biezen de plaats in der
boomen: hun vezelige wortels bedekken de hellingen en zweven boven
het gedaalde water.
Na een half uur gevaren te hebben komen wij aan de uitmonding van
dezen arm, die nog niet geheel van den genormaliseerden Rijn is
afgesloten. Dit is op meer plaatsen het geval, maar die openingen
verminderen van jaar tot jaar, en binnen een niet al te langen tijd zal
de geheele Rijn ter wederzijde met eene bijna onafgebroken doorloopende
kaai of oeverbekleeding zijn voorzien.--Terwijl mijn vriend Lix eene
schets maakt van de dijk- en oeverwerken, ga ik bij de hoeve van
Altenheim, tegenover het nieuwe fort, aan wal. Men is daar bezig eene
nieuwe dijkwachterswoning te bouwen. Daar de stand van den Rijn op dit
oogenblik vrij laag is, zijn hier en daar de kiezelplaten ook weder
zichtbaar. Op een dezer platen is een geheele zwerm van kievitten,
minstens vijftig in getal, neergestreken: zij verzamelen zich daar
voor de verhuizing naar zuidelijker klimaat, warrelen door elkaar
en zwieren nu en dan boven de rivier. Een andermaal hoop ik over de
fauna van de Rijnoevers te spreken.
De zon steekt vinnig, als broeide er een onweder; ik beklim den
bandijk, die hier dicht langs den genormaliseerden oever loopt en
dicht bij het fort Altenheim wordt afgebroken door een breed kanaal,
dat door eene sluis met den Rijn in gemeenschap staat. Te midden
van het groen teekenen zich hier en daar de witte muren van eenige
verspreide boerenwoningen. Aan den oever teruggekeerd, vind ik Lix, die
zijne schets voltooid heeft, waarna wij weder in de boot plaats nemen.
De hemel, die eenige uren helder is geweest, is op nieuw met wolken
overdekt: het dondert reeds in de verte, en weldra valt de regen bij
stroomen neder. Doornat nemen wij afscheid van Schutzenberger, ten
einde over Breisach naar den Rijn terug te keeren.--De volgende morgen
vindt ons dan ook in een char-à-bancs op den grooten weg tusschen
Neu-Breisach en Geiswasser. Overal langs den weg zijn nog de sporen
zichtbaar van den geweldigen orkaan, die den 16den Juli van het vorige
jaar hier heeft gewoed. Een aantal boomen liggen tegen den grond,
hetzij ontworteld, hetzij halverwege den stam afgebroken. Zoo groot
was de kracht van den wind, dat het te veld staande koren letterlijk
werd gedorscht en het graan uit de halmen weggedreven. Daken werden
weggeslagen, en eene geduchte hoos vernielde op haar weg alle gewassen
en een goed deel van den oogst.
Niet ver van Ober-Saasheim wordt onze aandacht getrokken
door een afgebranden molen naast een uitgedroogd kanaal. De
voortgaande verdieping van het bed van den Rijn, tengevolge van de
verbeteringswerken, is oorzaak dat gaandeweg de toevoerkanalen naar
de molens droog loopen, waardoor de molenaars hunne broodwinning
verliezen. Dit is eene zeer ernstige schaduwzijde van een overigens
zoo nuttig werk, waardoor het algemeen belang ongetwijfeld gebaat
wordt. Achter den afgebranden en verlaten molen verrijst het
prachtige bosch met zijn hoogstammig geboomte en rijk geschakeerden
groenen dos. Midden door het bosch brengt een zijpad ons in weinige
oogenblikken naar Geiswasser.--Daar bevinden wij ons weer binnen de
grenzen van het gebied der eilanden.--Geiswasser is in het najaar
een allerbevalligst dorp, wegschuilende tusschen het groen, zonder
eigenlijke straten, dicht bij den Rijn, en toch door den bandijk
tegen overstrooming beveiligd. De huisjes staan in schilderachtige
wanorde overal verspreid: ieder bouwt zich zijne woning waar en zoo
als hij verkiest, zonder zich in het minst om regelmaat of rooilijn
te bekommeren. De meesten zijn omringd van een boomgaard met een
schat van vruchtboomen, door groenende hagen omsloten. De dorpelingen
bebouwen hun akkers, visschen in de oude rivierarmen of werken aan de
dijken, wanneer die herstelling behoeven. In het voorbijgaan werpen
wij door een openstaand venster een blik in een dier eenvoudige,
echt landelijke woningen: de familie staat gereed aan tafel te gaan,
en naar vroom gebruik spreekt de eerwaardige vader des gezins het
_Benedicite_, het gebed voor het eten.
Wij slaan al wandelend de onophoudelijke afwisselingen in het landschap
gade. Straks dwaalden onze blikken over de ruime, wijde vlakte, aan
den horizon begrensd door eene lijn van bosschen, waarboven zich in
de verte de schemerende top van den Kayserstuhl verhief.--Merk nu op
dit breede water, nog altijd eene vertakking van den vroegeren Rijn,
op sommige plaatsen zeer diep, terwijl ge het op andere punten met
baggerlaarzen aan kunt doorwaden. Hier en daar verdwijnt het water
schier geheel onder riet en biezen; elders vloeit het met nauw hoorbaar
murmelen over fijn kiezelzand, terwijl van achter de boomen op naburige
eilandjes, het plechtstatig ruischen van den koninklijken stroom ons
in de ooren klinkt. Het water is buitengewoon doorschijnend, helder
als kristal: nu althans, nu de Rijn laag is. Witte kiezelplaten,
hier en daar uit het water oprijzende, steken scherp af tegen het
donkergroen der boomen, waarboven zich weder de schemerende omtrekken
van den Kayserstuhl teekenen. De boomen op de aan overstrooming
blootgestelde uiterwaarden zijn voornamelijk wilgen, olmen, elzen, die
met doornstruiken en lage heesters vermengd een schier ondoordringbaar
kreupelbosch vormen, waarin de wilde zwijnen hun leger hebben. Bij den
oever ziet men sierlijke groepen van populieren, afgewisseld met eiken
en ahornboomen. Om de hoogste stammen slingeren zich verschillende
woekerplanten, zoo als de wilde hop en anderen, die met haar grillige
slingers en bloemen de takken omranken. In het diepe gedeelte van de
kil liggen twee schuiten aan den oever gemeerd: eene schilderachtige
stoffage te midden van dit herfstlandschap, beschenen door het kalme,
stemmige licht van de dalende najaarszon.
Even als in de geheele eilandenstreek, vindt men ook hier enkele
verstrooide boerenwoningen, die elk een eigen naam dragen.--Niet
verre van Geiswasser ligt, midden in het lommer, een dorpje met
den dichterlijken naam van Vogelgrün, waarvan de aardige huisjes
wegkruipertje schijnen te spelen tusschen tuinen en boomgaarden. De
minste huisjes veroorloven zich de weelde van eene bovenverdieping;
maar allen hebben een eigen tuin, door eene bloeiende haag of soms ook
door een muur van groote roode keien omringd. Te Biesheim, een grooter
dorp voorbij Neu-Breisach, op den weg naar den Rijn, wonen een aantal
Joden, die handel drijven in vee en in allerlei andere zaken, ook in
huizen en land. Eene buurt van dit dorp ligt aan de Giessen, een ouden
arm van den Rijn, die nog vrij diep is en beroemd om zijn smakelijke
visch en zijne kreeften. Even voor dat ge te Biesheim komt, ziet ge
op een kruispunt van den weg het monument ter eere van den generaal
Beaupuy. Het is een cenotaphium, in antieken stijl, maar tamelijk
plomp, evenals het monument van Desaix, bij de brug van Kehl. De
generaal de Beauchartie de Beaupuy werd den 19den October 1796, nabij
Emmendingen, op badensch grondgebied, gedood, bij de verdediging van
den bergpas van het Höllenthal, tijdens den terugtocht van Moreau. Op
dit gedeelte van den weg heeft men een allerschilderachtigst gezicht
op Alt-Breisach, zoo schoon gelegen op zijn dubbelen vulkanischen
heuvel, waarvan de eene zijde geheel met wijnbergen is bekleed,
terwijl op den hoogsten top de oude eerwaardige kerk troont.
Wij zouden nog lang kunnen ronddwalen op deze eilanden en uiterwaarden,
die vooral in dezen tijd des jaars, nu de herfst het landschap met
zijne rijke kleuren en tinten begint te tooien, eene zoo eigenaardige
schoonheid en bekoorlijkheid bezitten; maar wij mogen hier niet langer
toeven. Den wandelstaf ter hand genomen, naar elders heen.